KAMPER ORATIES
Dr.Simon Schoon
Onopgeefbaar verbonden?
Over de verhouding tussen de kerk en het volk Israël
Rede
uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar vanwege de Stichting tot Bevordering van het Wetenschappelijk Onderwijs in de Judaistiek op de aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen gevestigde leerstoel `De verhouding van Jodendom en Christendom, met name in de 20e eeuw' op 6 juni 1996 door
dr.S.Schoon
Mijnheer de rector, zeer geachte aanwezigen,
De term `onopgeefbare verbondenheid'[1] is tamelijk nieuw in het kerkelijk spraakgebruik als aanduiding van de relatie tussen de kerk en het volk Israлl. Op 25 november 1991 werd artikel 93 van de Gereformeerde kerkorde in tweede lezing op de Synode alsvolgt vastgesteld: "De kerken zijn geroepen gestalte te geven aan de onopgeefbare verbondenheid van de gemeente van Christus met het volk Israлl en te zoeken naar gelegenheid voor Joden en Christenen tot wederzijds getuige zijn". In de concept-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland werd de term `onopgeefbare verbondenheid' overgenomen in het eerste zinsdeel van artikel I,7: "De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israлl". Hoewel het woord `onopgeefbaar' in de Grote Van Dale niet voorkomt, heeft dit woord kennelijk een belangrijke snaar geraakt en is deze belijdende theologische uitspraak over de verhouding tussen de gemeente van Christus en het volk Israлl in korte tijd vrij algemeen in de kerken aanvaard.
De nieuwe christelijke uitspraken worden door joodse gesprekspartners enerzijds verwelkomd, anderzijds met de nodige scepsis bejegend[2]. Zij wachten op een veranderde houding van kerken en christenen en niet zozeer op nieuwe formuleringen. De meeste joden zullen de verhouding tussen jodendom en christendom eerder typeren met de term `voorgoed verbroken' dan met de aanduiding `onopgeefbaar verbonden'. Er bestaat wat betreft de joods-christelijke relatie een fundamenteel verschil in benadering tussen joden en christenen. Joden zijn geneigd deze verhouding vooral vanuit historisch, maatschappelijk en politiek oogpunt te bezien. In tegenstelling tot christenen behandelen zij dit thema over het algemeen niet theologisch. Zij zien de relatie tot het christendom niet als specifiek en uniek maar brengen deze onder bij de algemene categorie van de verhouding tot niet-joden. Uiteraard hebben zij er moeite mee als het jodendom aan theologische faculteiten voornamelijk in een christelijk kader geplaatst wordt en niet in zijn eigenheid wordt erkend[3]. Christenen, met name protestanten, vertonen de neiging om gemakkelijk voorbij te zien aan 19 eeuwen christelijke geschiedenis, vol uitingen van jodenhaat, en naar aanknopingspunten te zoeken voor een nieuwe en bijzondere verhouding met het joodse volk in het oorsprongsdocument van de kerk, het zogenaamde `Nieuwe Testament'.
De verhouding tussen jodendom en christendom is dus asymmetrisch. Van christenen kan vanwege hun identiteit niet verwacht worden, dat zij de theologische bezinning op de joods-christelijke verhouding loslaten. Er dient daarbij gestreefd te worden naar een verbinding tussen de historische en de theologische benadering van deze thematiek. De verandering in opvattingen binnen de kerken ten aanzien van het jodendom is niet primair veroorzaakt door nieuwe theologische inzichten maar vooral door historische en politieke ontwikkelingen. Vууr de Tweede Wereldoorlog verdiepten slechts enkelingen in kerk en theologie zich in het thema van de verhouding tussen jodendom en christendom. De schok van de Sjoa en de indruk die de stichting van de staat Israлl in 1948 maakte, brachten de christelijke opvattingen in een stroomversnelling[4], overigens in de Hervormde Kerk enkele decennia eerder dan in de Gereformeerde Kerken[5]. De opeenvolgende naamsveranderingen van het orgaan in de Gereformeerde Kerken dat de betrekkingen met de joden behartigde, geven een illustratie bij deze ontwikkeling. In de Afgescheiden Kerken in de vorige eeuw was in 1875 een Commissie voor de zending onder Israлl ontstaan. Na de Vereniging in 1892 tussen Afgescheidenen en Dolerenden werd de naam in 1893: Deputaatschap voor de zending onder de joden, omdat men van mening was dat de naam `Israлl' voor de kerk gereserveerd diende te blijven. Pas in 1961 veranderde deze naam in Deputaatschap voor de verkondiging van het evangelie onder Israлl en tenslotte in 1976 werd de naam kortweg Deputaatschap voor Kerk en Israлl[6]. In aansluiting aan deze ontwikkelingen en in de lijn van de nieuwe formuleringen in de (concept)-kerkorden is in deze rede naast de historische begrippen jodendom en christendom vooral gekozen voor het gebruik van de theologische begrippen `de kerk' en `het volk Israлl'.
De keuze voor theologische begrippen betekent uiteraard niet, dat er geen historische en kritische vragen gesteld moeten worden. Zo dringt de vraag zich op, of in kerkorden en verklaringen van christelijke zijde de `onopgeefbare verbondenheid' eenvoudig geponeerd kan worden zonder rekening te houden met joodse opvattingen daarover? Daarom staat er een vraagteken achter de titel van deze rede. Is het moreel geoorloofd een theologische theorie over de verhouding tussen de kerk en het joodse volk vast te stellen, wanneer de historische praktijk daarmee eeuwenlang in strijd is geweest? Moet niet eerder verwacht worden, dat een nieuw denken uit een nieuw handelen geboren wordt? "Es sind die Tat-Orte, die Verstehen und Denken lehren", zo schrijft F.-W.Marquardt in zijn Prologomena[7] Zijn er na Auschwitz zoveel tekenen van een nieuw handelen en een nieuw denken in kerk en theologie, dat wat betreft de verhouding tussen de kerk en het volk Israel reeds van een nieuw theologisch paradigma gesproken kan worden?[8] Zal in de volgende eeuw de hernieuwde ontmoeting gedurende de tweede helft van de 20e eeuw met het volk Israлl aangeduid worden als oorzaak van een van de grootste veranderingen in kerk en theologie of zal deze ontmoeting te zijner tijd beschreven worden als een voorbijgegane fase na de indruk van de verschrikkingen van de Sjoa? Omdat de nieuwe ontmoeting tussen joden en christenen op het geheel van de geschiedenis nog zeer recent is, kunnen geen sluitende antwoorden op deze vragen verwacht worden. Slechts een voorlopige verkenning van deze thematiek is mogelijk.
Deze rede is op de volgende wijze opgebouwd:
I. Allereerst wordt het bekende feit nog eens onderstreept, dat de kerk in haar geschiedenis weinig blijk heeft gegeven van een onopgeefbare verbondenheid met het volk Israлl. Omdat veelal het tegendeel zichtbaar is geworden, is joodse argwaan ten aanzien van christelijke bedoelingen dan ook begrijpelijk. De vraag wordt onder ogen gezien, of de afkeer van joden wellicht onuitroeibaar is in het christendom, omdat deze verankerd zou zijn in het Nieuwe Testament zelf.
II. Naast de continue traditie van de theologische afkeer van joden en jodendom wil ik wijzen op enige uitzonderingen op de regel in de geschiedenis. Kunnen hier mogelijk aanknopingspunten gezocht worden voor een vernieuwing van de joods-christelijke verhouding?
III. Op zoek naar blijken van de genoemde onopgeefbare verbondenheid doet zich de vraag voor of er reeds gesproken kan worden van fundamentele veranderingen in het praktische handelen йn in de uitspraken van de kerken.
IV. Daarna wil ik ййn bijbels-theologisch begrip, namelijk het verbond, naar voren halen met het oog op de joods-christelijke verhouding. Heeft dit begrip voldoende draagkracht om zowel aan joodse als aan christelijke zijde te fungeren als verbindingswoord?
V. Tenslotte zal de vraag gesteld worden of, wellicht in de al of niet nabije toekomst, de verhouding tussen de kerk en het volk Israлl aangeduid zal kunnen worden als een dialogische relatie. Zal de vernieuwing van deze verhouding leiden tot een verandering van paradigma in de volle breedte van kerk en theologie?
[1] Onder deze titel hoop ik te zijner tijd een boek te publiceren, waarin de thematiek van deze oratie breder wordt uitgewerkt.
[2] Vgl. bijvoorbeeld: B.Levisson, `De J in OJEC staat voor joden...', in: T.Benima, Bedreiging of verrijking?, De ontmoeting van joden en christenen in Europa en Israël, Ojec-serie 10, Kampen 1992, 33-41; R.Evers, `De Tora en het orthodoxe jodendom', in: R.Evers e.a., Lezen joden en christenen dezelfde bijbel?, Ojec-serie 8, Kampen 1990, 12-26.
[3] Vgl. E.van Voolen, `Jodendom, anders', in: M.van den Berg e.a. (red.), Uit de sjoel geklapt, Christelijke belangstelling voor joodse traditie, Hilversum 1986, 111-121; P.Schäfer, `Judaica - joodse wetenschap in het huidige Duitsland, Historische identiteit en nationaal bewustzijn', in: Ter Herkenning 1/2 (1995), 81-99.
[4] In de Duitse situatie schrijft Hans-Joachim Kraus: "Die Ausrottung der Juden und die Entstehung des Staates Israel bedeuten die tiefste Krise, in die das Christentum je hineingekomen ist", in: H.-J.Kraus, Rückkehr zu Israel, Beiträge zum christlich-jüdischen Dialog, Neukirchen-Vluyn 1991, 6.
[5] Over de ontwikkelingen in de Hervormde Kerk vanaf 1939: H.Vreekamp, Zonder Israël niet volgroeid, Visie op de verhouding tussen kerk en joodse volk van Hervormde zijde, Kampen 1988 (tweede, herziene en bijgewerkte, druk 1992).
[6] In: H.L.van Stegeren-Keizer e.a., Een kerk op zoek naar Israël, Geschiedenis van het deputaatschap voor `Kerk en Israël' van de Gereformeerde Kerken in Nederland 1875 - 1995, Kampen 1995, 10, 32-34, 147-149, 210-212.
[7] F.-W.Marquardt, Von Elend und Heimsuchung der Theologie, Prologomena zur Dogmatik, München 1988, 243, in het gedeelte "Vom Erkenntniswert des Handels", 213-262.
[8] Vgl. voor deze term: T.S.Kuhn, De structuur van wetenschappelijke revoluties, Meppel/Amsterdam 19793, die over revolutionaire veranderingen in de natuurwetenschappen schrijft.
