Verslag van studieverlof 25 april – 25 juli 2003

                                                                                                                      Simon Schoon

Thema’s

  • Symbolen en rituelen.
  • Spreken en/of  zwijgen over God.

Inleiding
 Enkele punten:
1. Het hieronder volgende verslag is verre van volledig. Het is nu al lang, maar dan zou het zeker te lang geworden zijn. Het verslag heeft daarom een telegram-achtig karakter. Het is niet bedoeld als een samenhangend geheel met een ‘boodschap’, maar het is een verslag als een soort van collage - met gedachten, citaten, uitdagende stellingen, en vooral vragen.
2. De vragen zijn aan het verslag toegevoegd, niet alleen om aan te geven hoeveel vragen er nog open staan, maar ook voor mezelf (en wellicht anderen) als uitdaging tot verdere doordenking. 
3. Met deze twee thema’s heb ik mij buiten mijn vakgebied ‘verhouding jodendom-christendom’ begeven. Veel van het in dit verslag genoemde is daarom vragenderwijs.
4. Hier en daar is wellicht sprake van moeilijke vaktaal. Wie struikelt over een enkel citaat in het Engels, moet dat gewoon overslaan. Het verslag is inderdaad niet bedoeld als een populair verhaal, en niet geschikt gemaakt om te dienen als publicatie voor een groter publiek. Het is een studieverslag. En daarmee vormt het voor mijzelf de basis voor een vertaalslag in de gemeente op vele wijzen: in verkondiging, pastoraat, bezinning, leerhuis, jongerenwerk, enz. 
5. Dit verslag, met de daarin voorkomende vragen, kan materiaal leveren in het komende seizoen, in leerhuis en voor groothuisbezoeken e.d., wanneer ‘Symbolen voor het leven’ het jaarthema voor 2003-2004 zal zijn in de Veste. Ik zal er vooral zelf bij de voorbereiding van velerlei activiteiten van gebruik kunnen maken.
6. De meditatie aan het begin van deel I. en de gedichten aan het begin van deel II. willen aangeven, dat het niet gaat om een puur wetenschappelijk verslag. Er zijn ook heel andere manieren om de werkelijkheid te benaderen, zoals door middel van meditatie, gedichten, en vooral door de stilte.
7. Mijn studieverlof gold voor de 70% van mijn werktijd in de gereformeerde kerk van Gouda, wijk Noord. Aan de Theologische Universiteit (30%) had ik in deze periode geen studieverlof.

Symbolen en rituelen

Meditatie vooraf, geschreven op maandag 28 april 2003.

Dit verslag begin ik te schrijven op de veranda van het kleine klooster Lavra Netofa in Galilea, als gast van de abt Jacob Willebrands. Voor me ontvouwt zich een magnifiek uitzicht, met een landschap vol historische herinneringen en aansprekende symboliek. Eigenlijk moet je hier niet studeren, maar mediteren. Hier op deze plek kom ik al 30 jaar. Hier ben ik geworden wie ik nu ben. Het landschap voor me zingt van stilte. In de verte glinstert het Meer van Tiberias. De horens van Hittim zijn rechts te zien, de bergen waar Saladdin in 1291 de kruisvaarders versloeg. Aan de horizon zie ik, een beetje wazig, Karmiel en Nazaret-Illit, nieuwe joodse steden in het oude landschap. In de dalen beneden rijgen de Arabische dorpen zich aaneen, met een bevolking die in meerderheid moslim is, maar waar ook christelijke minderheden wonen. Hier leven christenen die hun wortels herleiden tot de eerste (joods)-christelijke gemeenten in dit land. Het Meer van Galilea heeft dit jaar een ongekende hoge waterstand; het heeft in geen 25 jaar in de wintertijd zoveel geregend. Dat is dan ook het enige positieve wat er op dit moment in dit land te melden valt.
Drie dagen geleden vloog ik naar Israël en sindsdien heb ik al weer vele hartverscheurende verhalen gehoord, van Joden en Palestijnen. Dan heb ik nog niet eens geluisterd naar de verhalen van mensen uit de bezette Palestijnse gebieden; dat komt volgende week wanneer ik in Jeruzalem ben. Eergisteren preekte ik de eerste keer van een reeks in Nes Ammim. Er is helaas nog maar een kleine schare overgebleven. Met grote plannen voor de komende tijd – dat wel. Maar of het zal lukken? In Israël kom je weinig of geen optimistische geluiden meer tegen.
Het dreigende lawaai van de vliegtuigen van het militaire vliegveld hoor ik op een paar kilometer afstand. Nog steeds is Israël tot de tanden toe bewapend. Nog steeds voelen de Palestijnse Arabieren zich hier in Galilea tweederangsburgers. Nog steeds ontploffen de bommen van zelfmoordenaars op de pleinen van Israël. De meeste mensen zijn angstig en gedeprimeerd. Nog geen week geleden was het Pesach, het feest van de bevrijding. Ook voor de zeer verdeelde christelijke gemeenschap in Israël is het Paasfeest nog maar net achter de rug. Gisteren viel het Oosters-orthodoxe Pasen. Zaterdagnacht om 12 uur werd het grote Paasvuur ontstoken in de Heilige Grafkerk in Jeruzalem. Ik hoorde het verslag van broeder Cees van de Lavra, die er bij was. Een extatische menigte jubelde het uit: ‘De Heer is waarlijk opgestaan’, terwijl vele aanwezige Israëlische politieagenten er voor moesten zorgen dat de christenen elkaar niet in brand staken.
Soms vraag je je af: Leeft dit land niet te zeer uit het verleden? Is de traumatische last van het verleden niet te zwaar om in het heden te torsen? Een kleine wandeling over de berg zonet  bracht me langs archeologische vondsten uit de Kanaänietische tijd en bezorgde me duizelingwekkende uitzichten over en door vele eeuwen geschiedenis. Het landschap is vol van symboliek, voor wie er oog voor heeft. Christenen zien het land dan ook als een soort ‘sacrament’, een teken dat verwijst naar wat God hier gedaan heeft met het oog op de hele wereld. Dit landschap lijkt te zingen van God. Maar er ook een schaduwzijde. De religieuze ijver van velen heeft telkens weer tot verschrikkelijk bloedvergieten geleid, een ijver die tot op de dag van vandaag zijn tol eist. Onontkoombaar dringt de vraag zich hier op: Leidt het geloof in de éne God niet veeleer tot verwarring en geweld in plaats van tot eenheid? Nog steeds staan mensen elkaar in de naam van JHWH (Adonai) en van Allah naar het leven. Zal dit land met zijn uiteenlopende bewoners ooit in staat zijn om al die trauma’s van het verleden te verwerken? Zal er ooit heling zijn voor dit geteisterde land, dat er nu voor mijn ogen zo vredig bij ligt. Dichtbij klingelt om 12 uur ’s middags het Angelus in het christelijke dorp Eilaboun; verderop hoor ik de minaretten schallen, dat Allah groot is en dat Mohammed zijn profeet is. Zijn dit geluiden die vrede aankondigen of die een nieuwe godsdienstoorlog symboliseren?
Morgen is het in Israël Jom ha Sjoa. De sirenes zullen loeien, het land zal als het ware bevriezen, iedereen zal twee minuten stil zijn, om de zes miljoen vermoorden van de Tweede Wereldoorlog te gedenken. Een paar dagen later beleven de Palestijnen hun gedenkdag van de Nakhbah, de herdenking van de grote ramp die hen getroffen heeft in 1948 toen de staat Israël ontstond. Zo koestert en herdenkt iedere bevolkingsgroep zijn eigen lijden. In dit land botst het trauma van het éne lijden met dat van het andere lijden. De dood van zo velen obsedeert de mensen en maakt hen gevangenen van het verleden. Wanneer zal de toekomst het winnen van het verleden? Wanneer zal het landschap vol worden van de heerlijkheid van de Heer, - een visioen dat profeten duizenden jaren geleden hier schouwden?
Het landschap om me heen zingt ook – voor wie in die verhalen is opgevoed – van die éne Jood, die hier rondwandelde bijna tweeduizend jaar geleden. Die op een berg hier vlakbij - in de verte te zien - zei: ‘Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het land beërven’. Vele zachtmoedige mensen hebben dit woord vertrouwd en leefden er uit. Ze hebben inderdaad het land beërfd, dat wil zeggen, ze zijn vermoord. Ze beërven het land, enkele voeten diep in hun graf in de aarde - om met de cynische woorden van Nietzsche te spreken. Zoals ook die Éne stierf, vermoord aan een Romeins kruis. Waarom blijft Hij me toch altijd weer fascineren? Waarom heb ik nooit niets met Hem?(om met Huub Oosterhuis te spreken).  Misschien omdat het verhaal gaat, dat Hij is opgestaan? En omdat een mens nu eenmaal zonder hoop niet kan leven?
Zo hoor ik dit landschap om me heen ook zingen van opstanding en toekomst. De hoop van miljoenen over heel de wereld is opgevlamd door wat in dit land is gebeurd. Ooit zullen de ‘zachte krachten het zeker winnen’ (Henriëtte Roland Holst-van der Schalk). Dat wil toch ook de bergrede van Jezus tot uitdrukking brengen? Om die hoop vast te houden hebben we symbolen nodig en rituelen. Woorden zijn niet genoeg. Woorden zijn soms ook te concreet. Want we weten het allemaal niet zo precies meer zoals vroeger. Dit landschap om me heen is één groot symbool, een teken met meerwaarde. En symbool vraagt om engagement en participatie. Wie op het symbool ingaat, brengt de beloofde toekomst een stapje dichterbij. Het begint in het klein. Zo ontvingen we vanmorgen vroeg om 5 uur in de prachtige grotkapel brood en wijn. Langzaam brak het licht van de nieuwe dag door. We deelden het brood tegen de wanhoop, de wijn tegen de nachtmerries. Het was alleen al hierom goed om mijn studieverlof op deze plek in dit landschap te beginnen.  

A. Basisverkenning

Literatuur:
- Nel Jongsma-Tieleman, Rituelen: speelruimte van de hoop. Wat rituelen (ons) doen, Kampen 2002
- Marcel Barnard & Paul Post, Ritueel Bestek. Anthropologische kernwoorden van de liturgie, Zoetermeer 2001

Enkele accenten:
- Tijdstypering: In de zestiger jaren van 20e eeuw vond een beeldenstorm tegen rituelen plaats. De leegloop van de kerken begon. Protestanten hadden zich uit anti-katholicisme altijd tegen rituelen verzet. Maar ook hun prediking en belijdenis begonnen slijtplekken te vertonen. Aan het begin van de 21e eeuw is een nieuwe interesse ontstaan in symbolen en rituelen. Ritueel Bestek is een gezamenlijke bundel van protestantse en katholieke wetenschappers. Rituelen: speelruimte van de hoop is de uitwerking van een dissertatie van een gereformeerde wetenschapper. 

- Enkele definities:
Een teken is ‘elke vorm, in taal of materie, een woord of een ding, die in ons bewustzijn een bepaalde inhoud oproept’.
Een symbool is ‘een teken met meerwaarde’. Het roept participatie op en wordt bepaald door culturele conventies. Er bestaat een overeenkomst tussen hetgeen in de verwijzing wordt opgeroepen en hetgeen waardoor dat gebeurt. 
Een rite is een handelen waardoor symbolen present worden gesteld, een geconcentreerde symboolhandeling. 
- De kwaliteiten van het ritueel:
1. Ritueel is geordend handelen volgens vaste patronen.
2. Er is een collectieve dimensie: Het ritueel wordt gedragen door een gemeenschap of groep mensen.
3. Er is altijd het beroep op een overlevering, op het verleden, vertolkt door een mythe.
4. Het handelen heeft een emotionele dimensie.
5. Het symboolhandelen heeft een verwijzende functie.
6. Ritueel en religie horen bijeen.
7. Ritueel is altijd ‘functioneel’.

- De functies van het ritueel:
1. Ontlastende functie: Kanaliseren van emoties.
2. Bezwerende functie: poging een greep te krijgen op toeval en onheil.
3. Ethische functie: ritueel is bron en norm van waarachtig menselijk handelen.
4. Sociale functie: identiteit versterkend (bijv. vlag en liederen).
5. Recreatieve functie: Pauze-tijd, tijd van een andere orde. Riten moeten mooi en esthetisch zijn, maar niet doel op zichzelf, niet zonder betekenis. 

- De context van het ritueel in de liturgie:
1. Liturgie is trans-cultureel: eenheid in één Heer, één geloof, één hoop, - over grenzen heen.
2. Liturgie is contextueel: vertaald in symbolische code van een bepaalde locale cultuur.
3. Liturgie is contra-cultureel: wijst aan wat in een cultuur in strijd is met het evangelie.
4. Liturgie is cross-cultureel: ze kan gedeeld worden door mensen van verschillende locale kerken.

- Twee voorbeelden van recente veranderingen van riten en tradities:
1. Plaats van de vrouw, - door de invloed van het feminisme. Nu grote gevoeligheid ontwikkeld voor gevaar van seksistisch taalgebruik in liturgie.
2. Plaats van het joodse volk. Einde van de vervangingstheorie, als zou de kerk in de plaats van het volk Israël gekomen zijn in Gods heilsplan.
- Riten hebben te maken met tijd en ruimte. Voor ‘tijd’ - denk bijv aan Pasen als feest van de opstanding in de lente, en aan de beleving van de Kerstnacht. Voor ‘ruimte’ - denk aan heilig land, heilige plaats, kerk als sacrale ruimte, bedevaarten, tochten naar de plek Taizé. 
- Zien en horen. Symbolen zijn verbonden met de lichamelijkheid van ons bestaan, bijvoorbeeld uitgedrukt in de dans. Ruimte nodig voor iconen en voor geuren (wierook!) in de kerk. Tevens ruimte voor symbolische en dichterlijke taal. Symbolen verraden niet het geheim van ons bestaan, maar omspelen het veel meer. Per definitie zijn symbolen niet eenduiding, maar er is ruimte voor pluriforme duiding. Symbool van handoplegging is combinatie van horen, zien en voelen. De zichtbare zegen heeft zijn plaats terug veroverd in de liturgie.
- Tenslotte, last but not least nog drie aandachtspunten:
a. De engel is terug van weggeweest in kerk en liturgie. Engelen zijn trans-confessioneel, trans-seksueel en trans-cultureel.
b. De muziek heeft een niet te overschatten waarde in liturgie en religie.
c. Ruimte en tijd voor stilte is een diepe religieuze behoefte in onze moderne tijd.

- Goed symboliseren kan een mens alleen, wanneer hij/zij de eigen emotionele binnenwereld én de buitenwereld van de realiteit serieus neemt en daarnaar luistert. Het spelkarakter van rituelen leert een kind al in de eerste levensjaren. Holding van baby, huid op huid, is daartoe essentieel. Kinderen leren al heel jong bezwerende rituelen bij het naar bed gaan vanwege de ‘wolven’ onder het bed en de ‘spoken’ in de nacht.
- Jongsma-Tieleman hecht sterk aan de theorie van de ‘knuffelbeer’ van psycholoog Winnicott, waardoor een ‘transitionele ruimte’ wordt gecreëerd [bijvoorbeeld bij afwezigheid van ouders vormt een knuffelbeer een transitioneel object, dat plaatsvervangend troost biedt]. Daardoor ontstaat later ruimte voor religie en mogelijkheid tot symboliseren. God licht dáár op in de werkelijkheid van het leven, waar in de transitionele sfeer de subjectieve beleving én het verhaal van de traditie elkaar overlappen. 
- Protestanten kennen twee sacramenten, doop en avondmaal. Sacramentum is niet allereerst een theologische, maar een juridische en militaire term. De dogmatische term ‘sacrament’ isoleert doop en avondmaal van andere symbolen, en laat weinig ruimte voor de ‘natuurlijke’ achtergrond van deze ‘tekenen’. Vele kerkgangers beleven er weinig aan, omdat ze geblokkeerd zijn door de naar hun gevoel vastgelegde betekenis van doop en avondmaal in een specifieke opvatting over de verzoening. Denk aan de geijkte terminologie in de gereformeerde avondmaalsliturgie: ‘Het bloed van Christus vergoten tot een volkomen verzoening van al onze zonden’. Er is in de liturgie doorgaans weinig ruimte voor een ritueel spel rond de tekenen van water, brood en wijn. De oorspronkelijke maaltijd is vervangen door een symbool van een maaltijd, wat de beleving in de weg staat. Hetzelfde geldt voor de paar druppels van de doop in plaats van een onderdompeling. Vele Tafelgebeden van het nieuwe Dienstboek zijn te moeilijk en belemmeren de participatie.

Enkele vragen bij deze verkenning:
1. Is het gevoel voor symbolen en symboliseren sterker in onze tijd? Stuiten protestanten hier niet telkens weer op problemen door het volstrekt letterlijk nemen van bijbelverhalen? Is het gevoel dat symbolen ‘rooms’ zijn overwonnen of nog steeds aanwezig?
2. Schuilen er niet grote gevaren in symboliseren? Denk aan magie, maar ook aan politieke bewegingen als nazisme en fascisme.
3. Wat wordt in liturgie en pastoraat beleefd aan het symbool van de handoplegging? Kan het gezien worden als een soort van ‘sacrament’, waarvan heling uitgaat?
4. Staat het ‘geestelijke’ voor vele christenen niet hoger dan het ‘lichamelijke’, waardoor we afgesloten kunnen raken van de mogelijkheid om te symboliseren?Kunnen gelovigen hun lijf nog vieren en de sacraliteit van de lichamelijkheid beleven?
5. Kennen we nog de stilte, waarin Gods stem verstaan kan worden?’De stilte zingt U toe’.
6. Hoe worden doop en avondmaal weer een ritueel spel, met ruimte voor een eigen invulling van de symboliek?

B. Verdieping

Zoveel mogelijk op deze wijze: a. Literatuur. b. Zeer korte samenvatting. c. Vra(a)gen.

- Henk Kuindersma, ‘Over dinosaurussen staat niets in de bijbel. Van onderzoek naar geloofsopvoeding’, in: Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 102/1 (2003), 17-27.
Samenvatting: Ouders hebben veel meer dan kerk en school invloed op de godsdienstige socialisatie van kinderen en jongeren. De geloofsopvoeding zou veel meer moeten plaatsvinden door symbolen, verbeelding, narrativiteit en ritualisering dan door de weg van cognitieve reflectie.
Vraag: Ook als we met deze stelling zouden instemmen, blijft de vraag of ouders in onze tijd daartoe in staat en toegerust zijn?  

- Bernard J. Cooke, The Distancing of God. The Ambiguity of Symbol in History and Theology, Minneapolis 1990.
Ervaring is symbolisch, het leven zelf is sacramenteel. P. 366: ‘People must learn increasingly to celebrate the experienced sacredness of every day’.
Vraag: Idem zie hierboven. Kan dit zonder training, zonder in-oefening?

- Clifford Geertz, Anthropological Approaches to the Study of Religion, Methuen 1968.
Een zeer grondig antropologische studie, cursorisch doorgenomen.
Citaat: ‘Religious symbols function to synthesize a people’s ethos- the tone, character and quality of their life, its moral and aesthetic style and mood – and their world view – , the picture they have of the ways things in sheer actuality are, their most comprehensive ideas of order’…. ‘Religious symbols synthesize and integrate the world as lived and the world as imagined and they serve to produce and strengthen religious conviction’. 

- Abraham Joshua Heschel, In het Licht van zijn Aangezicht. De betekenis van het gebed in de joodse gedachtenwereld, oorspr. New York 1954, Utrecht 19942, met name hoofdstuk V over ‘Symboliek’.
Samenvatting: Een zeer kritisch joods geluid. Heschel, een groot mystiek denker in de 20e eeuw, verzet zich massief tegen opmars van symbolen en rituelen in religie. Symboliek is namaak-religie. Gods wil is geen beeldspraak en geen eufemisme. Religieuze symboliek is zoeken naar God, geboden (mitswot) vormen antwoord aan God. Maar toch ook: ‘Gevoel voor onzegbare kan beschouwd worden als wortel van de menselijke creativiteit op het gebied van kunst, denken en leven’(129). 
Vragen: 1. Onderschat Heschel niet de invloed van symboliek in het jodendom? 2. welk waarheidselement kan erkend worden in zijn felle weerstand?

-  Tjeu van der Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn, Zoetermeer 19993.
Samenvatting: Een baanbrekende studie die veel stof heeft doen opwaaien. Diametraal tegenover opvatting van Heschel. Veel heeft Van den Berk, een r.-kath. deskundige in godsdienstige opvoeding, ontleend aan de psycholoog Carl Gustav Jung. Hij schrijft over de ‘ondergang’ en ‘de opgang’ van de ziel in onze moderne tijd. Citaten: ‘Rituelen maken voelbaar dat het eigen mysterie veel verder reikt dan het eigen ervaren’ (p. 17). ‘Catechese moet initiatie zijn, geen informatie’ (p. 23). ‘Wie de ziel wil bereiken ten koste van het lichaam, is “zielig” bezig!’ (p. 38). ‘Willen godsdienst en kerk nog enigszins leven verwekkend zijn, dan moeten ze uit de greep komen van het begrip en gegrepen worden door het symbool’ (p. 62). De kerk kende vanouds de disciplina arcana, inwijding in de geheimen van de kerk, met name de doop in de paasnacht en de viering van de eucharistie. In navolging van Jung zegt van de Berk: Het symbolisch bewustzijn van de mens berust op archetypen, die eeuwenlang zijn gevormd en doorgegeven. Symboliseren is een gezonde wijze van compenseren en projecteren. Vgl. de hierboven genoemde theorie van Winnicott.
Er zijn drie wijzen van omgaan met symbolen:
1. Symbool is ‘letterlijk’ en ‘concreet’. Vgl in r.-kath. leer de transsubstantiatie van brood en wijn.
2. Symbolen zijn rationeel te ontmythologiseren. Dit is de weg van rationalisme en Verlichting.
3. Symbolen zijn verbonden met onbewuste, archetypische innerlijk van de mens en behelzen vermogen om animale energie te humaniseren en te spiritualiseren. Van de Berk stelt de spelende mens centraal, de homo ludens.
Vragen: 1. Verwaarloost Van de Berk niet totaal de joodse bedding van de christelijke traditie, en kiest hij niet vrijwel uitsluitend voor een gnostische lijn?
2. Wat kunnen we leren als protestanten in onze catechese van de grote nadruk op initiatie? 3. Is er een symbolisch bewustzijn ‘ingeschapen’ in het mens-zijn en verwijst dit naar een werkelijkheid van andere orde, of is het puur illusie?
4. Wat gebeurt er eigenlijk precies met en in ons, wanneer we symboliseren?   

- Gerd Thiessen, De godsdienst van de eerste christenen. Een theorie van het oerchristendom, Kampen 2001, vooral hfst. 7 en 8, p. 169-222, over ‘Het ontstaan van de oerchristelijke sacramenten uit symbolische handelingen’ en ‘De interpretatie van de dood van Jezus als offer en het einde van de offers’.
Samenvatting: In de nu reeds als een standaardwerk geprezen studie van Theissen wordt de groei weergegeven in de eerste eeuw van de joodse maaltijdpraktijk tot het Avondmaal, van de joodse onderdompeling tot de sacramentele christelijke doop. Johannes de Doper en Jezus zijn de historische, charismatische personen, die aan de wieg stonden van de transformatie van deze symbolische tekenen. ‘Een singuliere boodschap ontwikkelde zich tot een institutie’. De verbinding van deze tekenen met de dood van Jezus wordt door Theissen sterk in verband gebracht met heidense inwijdingsriten, zoals in de Isiscultus.     
Over deze thematiek is nog een heftige theologische discussie gaande. Ik heb een eerder boek er nog eens op nageslagen: C.J. den Heyer, De maaltijd van de Heer. Exegetische en bijbeltheologische studie over Pascha en Avondmaal, Kampen 1990. De joodse achtergrond en context van doop en avondmaal lijken mij evident en overtuigend. Toch zal ook bij de overgang van de vroegchristelijke gemeente naar een voornamelijk niet-joodse context, de invloed van de mysterie-religies een grote rol hebben gespeeld.
Vraag: 1. Wordt de samenhang gezien en ervaren in de christelijke gemeente tussen het joodse Pascha en het christelijke avondmaal? 2. Hoe kan het doopritueel versterkt beleefd worden in de gemeente?Kan de doop herhaald worden of misschien beter ‘bevestigd’ worden (zoals in de paasnacht), of moet er gezocht worden naar een concreet ritueel rond ‘de doop met de heilige Geest’? (Vgl.  confirmatie of vormsel in R.-Kath. Kerk). 

- Jacques De Visscher, Een te voltooien leven. Over rituelen van de moderne mens, Kapellen/Kampen 1998.
Een knappe poging van een Belgische hoogleraar filosofie om het ritueel van de kerk zó te beschrijven, dat het geseculariseerd beschikbaar komt voor een ontkerkelijkte maatschappij. Een pleidooi tegen de doorgaande rationalisering van het moderne leven.

- Louis Bakker, Loek Boer, Alma Lanser, Rituelen delen. Een verzameling ideeën om geloven vorm te geven, 19942.
Een praktisch boek met talrijke voorbeelden voor religieuze en symbolische vormgeving, in het gezin en in de kerk. Een schat aan voorbeelden van rituelen bij de maaltijd, bij het ritme van de dag, bij het beginnen en eindigen van de week; verder gedenk-, jaar- en overgangs-rituelen. Een boek dat zijn waarde al ruimschoots bewezen heeft.

- G. Lukken, Geen leven zonder rituelen. Anthropologische beschouwingen met het oog op de christelijke liturgie, Hilversum 1986.
Een ‘vroeg’ boekje over rituelen uit r.-kath. kring. Belangrijk voor onderscheid tussen ‘teken’ en ‘symbool’. Samenhang tussen overgangsrituelen en sacramenten.

- G. Lukken en J. de Wit (red.), Gebroken bestaan. (Deel 1). Rituelen rond vergeving en verzoening, Baarn 1998, waarin o.a. J. Kronenburg, ‘Het ritueel van vergeving en verzoening in de reformatie – een verhaal uit de praktijk’, 48-59. 
Samenvatting: R.-kath. studie over het sacrament van de verzoening en de biecht. Nieuwe vormen in ‘boetevieringen’. Ook boeiend voor protestanten die in Reformatie met het badwater ook het kind hebben weggegooid. Overigens tegen de opvattingen van Luther en Calvijn, die biecht wilden behouden. Terugkeer van biechtgesprek in nieuwe praktijk van Thomasvieringen. Mogelijkheid van vieringen van verzoening en berouw, naar aanleiding van gebeurtenissen in kerk en wereld. Aangrijpend voorbeeld wordt genoemd in een bijdrage van ds. Kronenburg, van viering bij gedwongen ’afscheid’ na breuk tussen predikant en gemeente.

- C.J. den Heyer en P. Schelling, Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis, Zoetermeer 2000.
Grondig naslagwerk. Veel in gebladerd en geneusd. Zeer goed te gebruiken in praktijk.

Spreken en/of zwijgen over God

 Bij wijze van inleiding,
enkele citaten uit gedichten:

            Ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer,
            maar hiermee houdt het groeten aan, zozeer,
            dat ik wel moet geloven dat gij luistert,
            zoals ik, omgekeerd, uw stilte in mij hoor.

(Gerrit Achterberg, Verzamelde Gedichten, Amsterdam 19633, p. 409)

Gij wacht op ons
Totdat wij opengaan voor U.
Wij wachten op uw woord
dat ons ontvankelijk maakt.
Stem ons af op uw stem.
Stem ons af op uw stem,
op uw stilte.

(Huub Oosterhuis, Gezongen Liedboek, Kampen 1993, nr. 144)

Ik zal mijn mond niet houden tegen u
- waarom zou ik?
            Onrustig droef opstandig schamper
            is mijn hart in mij.

            Wie zijt gij dat ik u belangrijk vind
            dat ik aan u denk iedere dag
            dat ik mij toets aan u?

            Draai toch eindelijk je ogen
            van hem af, zeggen ze tegen mij
            - maar dan heb ik geen antwoord.
            Nooit heb ik niets met u.

            Tegen beter weten in
            stel ik mijn hoop op u.
            Mijn lot is levenslang
            wachten op u.

(Huub Oosterhuis, Dan zal ik leven. Teksten voor uren alleen, Baarn 1976, p. 24)

 

Literatuur
(met samenvatting en vragen)

- Kune Biezeveld e.a., Wie God zegt…Spreken over God in een wereld zonder God, Kampen 2001. Een bundel met opstellen van de Leidse Lezingen 2001 over de Godsvraag.

Eigen overweging naar aanleiding van deze artikelen - een soort van tijdsanalyse:
In onze tijd is er een diepe crisis van het geloof in God. Het gaat niet meer om de vraag hoe God er is, maar om de vraag of God er is. Het gaat om de relevantie van het Godsgeloof. Zonder zich dit alles bewust te zijn, komt dit tot uiting in het gedrag van jongeren, die wegblijven uit de kerk en vaak zelfs totaal afscheid nemen van de kerk. Dit is ook, maar niet alleen, weerstand tegen het instituut kerk en haar pretenties. Dit is ook, maar zeker niet voornamelijk, afkeer van de huidige vorm van kerkdienst-vieren. Het is het relevantieverlies van geloof en kerk. Bewust of onbewust speelt op de achtergrond de vraag een grote rol naar God in en na Auschwitz. Heeft God nog iets te maken met de geschiedenis? Deze crisis is onderhuids ingezet met de Renaissance en de Verlichting maar is in onze moderne tijd algemeen geworden. In Nederland is reeds 62% niet-kerkelijk, wat nog niet wil zeggen a-religieus. De respons van de kerk op deze ontwikkeling is doorgaans puur restauratief , het herstellen en continueren van het oude. Angst is daarbij het eigenlijke Leitmotiv. Dit is een angst die het onmogelijk maakt te erkennen, dat dezelfde twijfels en vragen, als die hedendaagse jongeren bezighouden, diep in het hart leven van oudere, meelevende kerkgangers.
De ontwikkeling is al weer verder. Niet de rationeel-wetenschappelijke crisis voorbij, maar daarnaast is er een nieuw fenomeen. Een nieuwe golf van religiositeit heeft zich aangediend. Enerzijds fundamentalistisch-radicaal, soms zelf extremistisch-gewelddadig, anderzijds ook diffuus in vele vormen van New Age. De wortel van deze uiteenlopende bewegingen is dezelfde: Protest tegen de alleenheerschappij van het verstand en de wetenschap. ‘Er is meer tussen hemel en aarde’, zo luidt de New Age-variant. De evangelischen zeggen precies hetzelfde; het enige verschil is dat zij exact menen te weten wat er omgaat tussen hemel en aarde. [Zie voor een analyse van beide stromingen: Anton van Harskamp, Het nieuw-religieuze verlangen, Kampen 2000].
Wat hebben kerk en theologie ten aanzien van deze tijdgeest en in deze context te zeggen? Helaas in de praktijk bitter weinig! Verwarring en verlegenheid, onmacht en defaitisme heersen alom. Terwijl de kerk vanuit haar rijke traditie én ervaring zoveel zou hebben te bieden, dat een ‘licht op het pad’ zou kunnen betekenen voor mensen vandaag. Tijd en energie worden gestoken in achterhoedegevechten over SOW, terwijl jongeren en masse de kerk verlaten. Toch zijn de richtingwijzers duidelijk. Enerzijds zullen de rationele en wetenschappelijke vragen serieus moeten worden genomen, anderzijds zal er een hernieuwde aandacht moeten komen voor spiritualiteit. Ruimte voor de Geest! Dat alles kan slechts waargemaakt worden in een warme, betrokken, solidaire gemeenschap, een zeldzaam artikel in onze tijd, een fenomeen dat haaks staat op de doorslaande individualiseringstendensen

Verschillende artikelen uit deze bundel laat ik kort de revue passeren. 
1. Kune Biezeveld, ‘Uitgedaagd tot nieuw spreken over God’.
Door het metaforisch karakter van de Godstaal zijn er vele beelden over God. Eén beeld kan het nooit helemaal zijn. Naar Ricoeur: Symbolen zijn onmisbare schakels in het zelfverstaan van de mens, omdat zij te denken geven.
Vraag: Op welke werkelijkheid slaat de metaforische taal over ‘God’?God: m/v? 

2. Theo de Boer, Zoek het Koninkrijk’.
Er is in de Joods-christelijke traditie geen plaats voor een autonoom denken over God, voor de vraag hoe God in elkaar steekt. God is Oneindige, maar ook de Nabije en Naaste. Naar de frans-joodse filosoof Levinas: Er is geen woord mogelijk over God zonder verbinding met de mens en de naaste. Nabijheid bij God betekent: verplichting jegens de naaste. Voor zinvol leven hebben we betrouwbare oriëntatie nodi+g = Tora, geen kennis van het einddoel. Naar Bonhoeffer: We hoeven het eindpunt van de weg niet te kennen, het kompas is voldoende.
Vraag: Klopt deze stelling: geloofservaring leidt tot theologisch denken, niet het omgekeerde?     

3. E. J. de Wijer, ‘Nu X dood is….Overwegingen bij de dood van god’.
Citaat van Miskotte: ‘X, die dood is, werkelijk, die is harstikke dood’. Hij verheugde zich over de dood van de alomtegenwoordige god, de hoeder van de moraal, de pantheïstische god, de ontologische god, enz. Hij sloot zich aan bij het nihilisme van Nietzsche, zonder diens conclusies en consequenties te delen. De gemeente kan juichen, als goden sterven. Voor Miskotte is vanuit een Schriftuurlijk denken de God van Israël ‘grondeloos in het midden’. God is de Levende, onherleidbaar voor ons denken.
Vraag: Als de bijbelse God zo totaal anders is, is dan het gesprek met ongelovigen en anders-gelovigen nog mogelijk?

4. Heleen Zorgdrager, ‘Friedrich Schleiermacher (1768-1834): Spreken over God is spreken over de mens’.
Onze kennis over God is alleen symbolisch, dat wil zeggen, als wij iets uitdrukken over God, zeggen we in essentie iets over onszelf. Dat is geen negatie van de werkelijkheid of het anders-zijn van God. De theologie gaat niet op in de anthropologie.
Vraag: Is spreken met God (bidden) dan alleen een intern gesprek met ons zelf?

5. Wessel ten Boom, ‘Terug bij af. Der tolle Mensch Marquardt en het leven van God’.
Auschwitz betekent het absolute einde van alle theologische rationaliseringen over God. Omdat de theologie medeverantwoordelijk is geworden aan genocide. We kunnen alleen nog maar hopen op God, ‘zo God wil en leeft’. Wij kunnen alleen nog met joden over God spreken, nooit meer zonder joden. Niet God is in Auschwitz gestorven (wat een vermetelheid om dat te beweren!), maar het getuigenis van God is vermoord, door de dood van zes miljoen joden. In de overlevenden van Auschwitz vecht God zelf om te overleven.
 Vraag: Durven we deze aangrijpende vragen van Marquardt aan?Zou daar niet het overleven van de kerk in West-Europa van afhangen?

6. Th. L. Hettema, ‘Het meervoud van de Naam. Paul Ricoeur en het spreken over God vanuit Exodus 3,14’.
De metaforische betekenis van literatuur en teksten houdt in, dat een directe verwijzing naar voorwerpen of gebeurtenissen wordt verlaten, en plaats maakt voor een bredere verwijzingskracht naar een leefwereld. Er zit in de teksten van de bijbel een betekenislaag, die niet in de directe woorden en bedoeling van de auteur aanwezig lijken te zijn, maar in een levende gemeenschap ‘geopenbaard’ worden. Zo is een meervoudig spreken over God mogelijk in de voortgaande tijd. De Naam van God (Ex 3,14) is onvervoegbaar,  onverbuigbaar, en onvertaalbaar, maar slaat de acte van het interpreteren en vertalen niet uit.
Vraag: Hoe zou de Naam van JHWH in onze tijd geïnterpreteerd moeten worden?

Een volgend boek:
- Bert Altena, Wolken gaan voorbij… Een homiletisch onderzoek naar mogelijkheden voor de preek in een postmodern klimaat, Zoetermeer 2003 (dissertatie).
Een boeiende dissertatie over hoe er vandaag (nog) gepreekt kan worden. Een meeslepende analyse van de (post-)moderne tijd.
Volgens de auteur Adriaan Morriën is een preek ‘één van de merkwaardigste gebruiken: het tweemaal zondags zich vrijwillig onderwerpen aan het geouwehoer van een kandidaat in de theologie’. [Dat kan een dominee in zijn zak steken!] 
Zal de preek overleven? Tenslotte zijn er vele andere manieren om Gods boodschap te bemiddelen, zoals dans, bibliodrama, kunst, ritueel, symboliek, enz. Máár: hoe zou er toch nog gepreekt kunnen worden? Is preken enkel alleen maar wat gestuntel, óf kan het ook een pastoraal en retorisch ‘kunstwerk’ zijn? Een spannende vraag, die geen enkele prediker alleen kan beantwoorden, maar alleen in samenspel met luisterende en kritische gemeenteleden behandeld kan worden. 
De meest bekende ‘kreet’ van Jean-Francois Lyotard, de belangrijkste post-moderne denker, luidt: Vandaag beleven we het einde van de geloofwaardigheid van de grote verhalen. Auschwitz heeft die ontmaskerd als ongeloofwaardig. Een andere post-moderne denker, Derrida, spreekt over de ‘deconstructie’van taal en begrippen, en vraagt aandacht voor de subjectieve context van onze taal.
Altena werkt zes motieven van het post-moderne denken uit, die relevant zijn voor de preek:  1. het motief van de terreurvrije ruimte.
2. het motief van de openheid.
3. het motief van de marge.
4. het motief van het geheim.
5. het motief van de verbeelding.
6. het motief van de onderbreking.       
Prachtige analyses en hints voor een eigentijdse verkondiging!
Eén citaat op p. 52: ‘Misschien moeten we wel een stap verder gaan en afzien van het spreken “over” God en zwijgen. De paradox lijkt dat alleen langs de weg van het zwijgen, “God” in onze postmoderne cultuur ter sprake kan komen, waarbij “zwijgen” een bepaalde wijze van spreken inhoudt’.
Postmodern denken ontregelt; daarom moet een preek uitdagen.
Over het ‘geheim’ is niet op verhoogde toon te spreken, maar alleen in een bescheiden zoeken en tasten. Een preek moet niet krikkemikkig zijn, maar een kunstwerk. Een prediker is daarbij een ensceneur en taalkunstenaar. Poëzie en symboolgevoeligheid zijn centrale momenten.
Vragen:
1. Wie is tot zulk een taak bekwaam?
2. Moeten preken niet veel meer uit samenspel met de gemeente geboren worden?
3. Beslist niet slechts de gemeente  of de preek overleeft, en niet de prediker?

- Bij verschijning heb ik de laatste twee boeken van Kuitert cursorisch gelezen; nu vond ik eindelijk tijd om ze uitvoeriger te bestuderen.  Het gaat om:
- H.M. Kuitert, Over religie. Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars, Baarn 2000.
- H.M. Kuitert, Voor een tijd een plaats van God. Een karakteristiek van de mens, Baarn 2002.
In de loop van de jaren heb ik alle boeken van Kuitert gelezen en ben zijn theologische gang kritisch – vaak ook met instemming – gevolgd, vanaf zijn publicaties ‘De spelers en het spel’ in 1964, en ‘In de kring’ met G.P. Hartvelt in 1965. Langzamerhand is hij een aantal bochten omgegaan, die ik theologisch niet meer kan meemaken. Sommige van zijn huidige standpunten staan diametraal tegenover zijn oorspronkelijke uitgangsposities. Dat is natuurlijk het goed recht van een nadenkend theoloog. ‘Daar is niets mis mee’, zou Kuitert zelf zeggen. Voor vele gereformeerde vijftig-plussers fungeert Kuitert echter als een soort leidsman-therapeut, aan wiens hand ze de revolutionaire en pijnlijke veranderingen in hun kerk en denken verwerken. Dat gebeurt op een puur rationalistische wijze, die weinig ruimte laat voor enig alternatief. In zijn laatste boeken lijkt de ‘deconstructie’ van het christelijk geloof in zijn gereformeerde variant, die Kuitert heeft voltrokken,  finaal geworden.
De volgende artikelen hielpen me op weg om de boeken van Kuitert kritisch te lezen:

  • Kees Kok, ‘Het buitenspel van Kuitert’, Werkschrift 15/1 (1995), 50-66.
  • Kees Kok, ‘De neoliberale katechismus van Harry Kuitert’, Roodkoper december 2002, 50-52.

Op het gevaar af dat het eenzijdig wordt, wil ik in dit verslag slechts enkele kritische notities weergeven. Dat doet niet af aan de erkenning, dat Kuitert meeslepend schrijft, vele deuren opent, uiterst knap theologische ontwikkelingen kan samenvatten, en vragen stelt die het verdienen niet genegeerd te worden. Een paar jaar geleden heb ik al eens een leerhuis in ‘de Veste’ in Gouda aan zijn Algemeen betwijfeld christelijk geloof gewijd. Op dit moment vind ik een Kuitert-leerhuis teveel eer voor één mening, maar ben er wel van overtuigd dat zijn vragen meegenomen moeten worden, omdat velen in gereformeerde kring met deze vragen worstelen.
Er is inmiddels een boeiend en eigentijds alternatief voor het ‘zoekontwerp’ van Kuitert verschenen: G.D.J. Dingemans, De stem van de Roepende. Een pneumatheologie, Kampen 2000. [ Reeds eerder door mij gelezen, maar in deze studieperiode grondiger bestudeerd].   

Enkele kritische notities in plaats van vragen bij de boeken van Kuitert. De notities behelzen echter voor een goed verstaander ook indringende vragen:
a. De rationele, afstandelijke manier waarop Kuitert omgaat met het (christelijk) geloof lijkt doodgelopen, nu hij G/god niet meer met een hoofdletter kan schrijven, maar het persoonachtige van ‘god’ heeft afgeschreven. ‘God voorbij God’ (Tillich) bleek via de weg van de Kuitertiaanse ‘zoekontwerpen’ te vervluchtigen. Een teloorgang!
b. Met het centrale begrip ‘zoekontwerp’ heeft Kuitert de God van Israël losgemaakt uit zijn verhaal en verbond met Israël. Dat is een rationele reductie van een doorleefde geschiedenis. Met een dergelijk positivistisch taalgebruik gebruik je een oneigenlijk instrumentarium voor  ‘religie’ en ‘geloof’, en houd je uiteindelijk niets over dan wat ‘geest’ van de mens. Niet niks (om met K. te spreken), maar wel erg weinig!
c. Kuiterts meest centrale uitspraak ‘Alle spreken van boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van boven komt’ lijkt een eye-opener en is door velen als zodanig ervaren, maar is feitelijk een dooddoener. Natuurlijk is de bijbel ‘een levend boek van mensen over mensen’(Huub Oosterhuis), maar het is tegelijk een profetisch spreken van een andere orde, van ‘boven’ dus (als metaforische aanduiding). Cees van der Kooi over de slogan van Kuitert: ‘Het is zo waar, dat het uiteindelijk niets meer zegt en alle leven, geloof en ontroering doodslaat’ (Als in een spiegel. God kennen volgens Calvijn en Barth, Kampen 2002, p. 378). 
d. Wat bij Kuitert rest is een op individualistische maat gesneden ‘mager restantje’ voor de moderne mens, die ‘zich aangesproken weet’ door ‘transcendentie’. Met de ‘mythische wereld’ van de bijbel (ongetwijfeld terecht zo genoemd!) heeft Kuitert zeer veel, te veel, bij het oud vuil gezet, - van de ‘realiteit’ van opstanding van Jezus tot en met de verwachting van het Koninkrijk.
e. Kuitert gebruikt het jodendom meermalen voor zijn stellingen, maar weet weinig af van de joodse stromingen ten tijde van Jezus, en doet het hedendaagse jodendom onrecht. Zo is zijn  vergelijking van Goede Vrijdag met de Grote Verzoendag historisch en bijbels onmogelijk.
f. Kuitert moet sinds zijn boek ‘Alles is politiek maar politiek is niet alles’niets meer hebben van de bevrijdingstheologie en omarmt feitelijk de vrije markteconomie. Het ‘aangesproken worden door de behoeftige’ wordt bij Kuitert een louter privé aangelegenheid. Het visioen van het Koninkrijk is geheel en al achter de horizon verdwenen, en in zijn laatste boek is ook de dood is ‘over en uit’ geworden.
g. Kuitert heeft weinig op met sacramenten, ambten en symbolen; de kerk is voor hem alleen soort ‘overslagbedrijf’ van geestelijke goederen. Hij heeft zich neergelegd bij de kerkverlating van zijn (klein)kinderen en troost zich met de doorwerking van het christendom in de cultuur van Europa. Dat laatste lijkt me een uiterst schrale troost in de verloedering van de westerse maatschappij. Kuitert pronkt hier met de kleren van de keizer (naar Hans Andersen).
h. Even werd Kuitert een beetje meer mystiek, aan het eind van zijn boek ‘Zeker weten’, maar in het geheel van zijn oeuvre beklijft dit niet. Waar Kuitert zich toen nog ‘in Zijn handen’ (p. 187) wist, blijft er nu slechts een beetje ‘geest’ over en de stelling ‘de dood is over en uit’.
i. Hoe weet Kuitert in zijn laatste boek eigenlijk zo zeker, dat wij niet door Iemand, door ‘zoiets als God’, aangesproken weten? Is het niet theologisch hautain om de geloofservaring van zo velen in de loop der eeuwen eenvoudigweg als rationeel achterhaald te benoemen?
j. In ‘De spelers en het spel’ (1964) was Kuiterts theologie nog een tijd een plaats voor God: ‘De Naam is God in zijn openbaring, in zijn toekeer tot de mens, zoals we gewoonlijk zeggen. …In de toekeer van de Naam ontmoeten we God naar zijn wezen’.

Evenals het boek van Dingemans heb ik ook het volgende boek als een antwoord op en alternatief voor de benadering van Kuitert ervaren:

  • Henk Burggraaff, De hemel wagen. Spiritualiteit en christendom, Zoetermeer 2002.

Burggraaff is docent godsdienst– en contemplatieve psychologie aan de Katholieke Theologische Universiteit in Utrecht. Als katholiek verwacht hij het niet uitsluitend van het w/Woord, zoals vele protestanten, inclusief Kuitert, maar vertrouwt op de scheppende kracht van symbolen. Eén van zijn stellingen luidt, spelenderwijs jegens de hoofdstelling van Kuitert: ‘Al het spreken over beneden komt van boven, ook het spreken dat van beneden komt’. Overigens wil Burggraaff vanwege zijn inzicht in het symbolisch-realisme beide uitspreken verenigen. Mensen gebruiken immers symbolen om het goddelijke tot uitdrukking te brengen en in die symbolen kan – omgekeerd – het goddelijke zich openbaren. Even ben je dan hemelbewoner en besef je wie je op verborgen wijze bent. Nooit is God rationeel te doorgronden of te analyseren. Hij is de Verborgen Aanwezige, door wie mensen soms even ervaren ‘Hij is het weer!’ (naar het beroemde boek over de Godsnaam van C.A. van Peursen, aan wie Burggraaff veel ontleent). Zo kan ook de mens een symbool zijn voor een ander mens, en zelfs een symbool van God. De mens zelf en de relatie tussen mensen kan gezien worden als beeldspraak van God. ‘De mensen als verhaal van God’, zo luidt de titel van een boek van Schillebeeckx. Ook verhalen en woorden van de bijbel kunnen een beeld oproepen en symbool worden. [Vergelijk ook mijn eigen ‘Doortocht’-verhaal, als preek gehouden in ‘de Veste’ op paaszondag 20 april 2003, - te verschijnen begin 2004 in een bundel ‘Spiritueel bijbellezen’.]
Gedachten en woorden over God verwijzen naar God maar zijn niet God zelf. De ervaring van het goddelijke en van God is iets anders dan theologie bedrijven over God. Gereformeerden zouden nog veel van andere religieuze tradities kunnen leren, zoals de joodse, en de rooms-katholieke, en de oosters-orthodoxe, om op die manier hun eigen identiteitscrisis door te kunnen worstelen. Ontdekt zou dan kunnen worden, o.a. via oosters-orthodoxe iconen en meditatie, dat symbolen werkelijkheidsscheppende kracht hebben. Het is, om met de titel van het beroemde boek van de cultuurpsycholoog Han Fortmann te spreken, ‘Als ziende de Onzienlijke’ (Hilversum/Antwerpen 1964-1968), naar Hebreeën 11: 27.

Vanwege het uitdijen van dit verslag noem ik nog een aantal artikelen en bijdragen in boeken, die ik in verband met het thema ‘Spreken en/of zwijgen over God’ bestudeerde, zonder deze hier samen te vatten:
- J. Baers, ‘Evoluerend westers denken over mystiek in de twintigste eeuw’, in: J. Baers, G. Brinkman e.a. (red.), Encyclopedie van de mystiek. Fundamenten, tradities, perpectieven, Kampen/Tielt 2003, 137-238.
- H.M. Vroom, ‘God en leegte: persoonlijk of onpersoonlijk? Nishida – Tillich – Barth’, Nederlands Theologisch Tijdschrift 4 (2002), 299-312. 
- G. W. Neven (red.), Levenslang wachten op U. Teksten over de Godsvraag in deze tijd, Kampen 1988.
In dit laatste boek een prachtig opstel van de te vroeg gestorven Kampense hoogleraar ethiek, Gerard Rothuizen, die een wijze van spreken over God aanbeveelt, die ‘kuiser, inniger, woedender ook’ is.

Tenslotte twee gedichten van Hans Andreus, de grote dichter van het licht:

Of hoe dat heet

Gelukkig dat
het licht bestaat
           
en dat het met
me doet en praat

en dat ik weet
dat ik er vandaan

kom, van het licht
of hoe dat heet.

Levensboom

Ik heb geen wortels
dan in het licht.

Van mijn donkere jonge jaren
de bezoeker incognito,
parelgrijze vader,
hij werd een doodgetrapte
stem: Sjema Israël …

En laf bemoederd ben ik
door twintig gekruisigde eeuwen.

 Maar ik ben m’n eigen
levensboom: de bladeren

raken de aarde en ik
wortel in het licht.
 
(Hans Andreus, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1993, p. 918 en 932).