POLENREIS 16 – 24 oktober 2003

Doelstelling

De uitdrukking ‘theologie na Auschwitz’ wordt soms te gemakkelijk gebezigd als een modieuze slogan. Maar de grote vragen van Auschwitz gaan kerken en theologie in de 21e eeuw onverminderd aan. In Polen willen we ons op de gedenkplaatsen van de Shoah indringend laten confronteren met deze vragen, met name in het voormalige concentratiekamp bij de stad Oświęciem.
Bij het bezoeken van de voormalige joodse wijk Kazimierz in Krakau, bij het reizen naar plaatsen in Galicië waar grote groepen – met name chassidische - Joden woonden, en in de ontmoeting met Poolse wetenschappers, geestelijken en studenten, willen we op zoek gaan naar antwoorden op vragen als de volgende:

  1. Hoe verwerkt het land Polen, waar vóór 1940 drie miljoen Joden woonden, de herinnering aan de Shoah?
  2. Hoe geven de kerken, zowel de grote rooms-katholieke kerk als de veel kleinere protestantse kerken, vorm aan het gedenken en hoe trekken ze theologische consequenties uit de confrontatie met het verleden?
  3. Is dit proces na de omwenteling in 1989 in een stroomversnelling gekomen? Wat betekent dit voor de verhouding van christendom en jodendom, niet alleen in Polen? (bijv. de jarenlange discussie over het Karmelitessen-klooster in Auschwitz).
  4. Wat zijn de ervaringen van Joodse overlevenden die nog in Polen wonen?

Bij de evaluatie zal de uitdaging onontwijkbaar zijn om vergelijkingen te trekken naar de Nederlandse situatie en om te trachten onze eigen theologische reacties onder woorden te brengen.
 
Begeleiding vanuit Kampen: prof.dr. Simon Schoon en dr. G.J. van Klinken.
In samenwerking met de Judaica Foundation – Center for Jewish Culture in Krakau is het  programma (zie hieronder) ingevuld. Lezingen zullen voornamelijk in het Engels plaatsvinden.

 PROGRAM

JEWS AND CHRISTIANS
IN POLAND AND EUROPE AFTER SHOAH

Vertrek op donderdag 16 oktober om 17.42 uur vanuit Utrecht. Aankomst vrijdag 17 oktober om 11.22 uur in Krakau. Slaaptrein, met couchettes.

Friday, October 17th

11.22 a.m.                              arrival in Cracow, transfer to the ROYAL hotel
3.00 p.m.                                departure from the Hotel to the Center for Jewish Culture
3.15 p.m. – 3.45 p.m.             briefing
3.45 p.m. – 4.30 p.m.             film showings at the Center
Jewish Life in Cracow, documentary, 1939
The Unexpected Guest, documentary 1991
4.45 p.m. – 6.15 p.m.             Introduction to Poland
Lecture by Prof. Hieronim Kubiak, Jagiellonian University, Cracow
6.30 p.m. – 7.00 p.m.             Understanding Memory by Małgorzata Imielska
                                               documentary film showing about Jewish Galicia
7.00 p.m.                                Di Galitzyaner Klezmorim
concert of Jewish music, Center for Jewish Culture
8.30 p.m.                                dinner

Saturday, October 18th

8.00 am                                  breakfast in the hotel
9.00 a.m. – 9.45 a.m.              service in the synagogue (optional)
10.00 am                                sightseeing of the Old Town in Cracow
Wawel Castle – Grodzka Street – Jagiellonian University - Collegium Maius  – Main Square – Cloth Hall – St. Mary’s Church - Florianska Street - Florian Gate
2.00 p.m. – 3.30 p.m.             lunch break
4.30 p.m. – 6:00 p.m.             Polish Memory – Jewish Memory
                                               Lecture by Prof. Sławomir Kapralski,
Central European University, Warsaw
                                   free time
Sunday, October 19th

8.30 am                                  breakfast
9.00 a.m. – 11.30 a.m.            free time / religious services
12.00 – 2.00 p.m.                   Sightseeing tour of Kazimierz
Szeroka Street, the Old Synagogue, Izaak Synagogue, Tempel
Synagogue, Corpus Christi Church, Wolnica Square,
St Catherine’s Church
2.00 p.m. – 3.15 p.m.             lunch
3.30 p.m. – 5.00 p.m.             How Polish–Jewish Relations Have Been (mis-) Represented
in the Landscapes of Galicia - lecture by Prof. Sławomir
Kapralski, Central European University, Warsaw
5.30 p.m. – 7.00 p.m.             The Catholic Church in Poland and the Shoah
lecture by Rev. Stanisław Musiał SJ

Monday, October 20th

8.00 am                       breakfast
8.30 am                       departure from Cracow (by bus)

11.00 am                     arrival in Nowy Sącz
                                   visit to the Regional Museum of Nowy Sącz in former synagogue
                                   visit to the Jewish Cemetery
12.30 pm                    lunch (pre-arranged) in the Panorama Hotel
1.30 pm                      departure to Bobowa
2.15 pm                      arrival to Bobowa
                                   visit to the Jewish cemetery and the synagogue
of Bobove Tzadik from the Halbersztam family
3.45 pm                      departure to Tarnów
5.00 pm                      arrival in Tarnów
The History of Jews in Tarnów
lecture by Dr. Adam Bartosz, Director of the Regional Museum in Tarnów
Unfinished Talk - film presentation about Poles and Jews in Tarnów
7.30 pm                      check-in Tarnovia hotel in Tarnów
8.00 pm                      dinner (pre-arranged) in the hotel Restaurant

Tuesday, October 21st

8.00 am                                  breakfast
8.45 a.m.                                walk to the Roma and Sinti Museum
9.00 am                                  Visit to Roma and Sinti Museum with Dr. Adam Bartosz
10.00 am – 12.00 am              sightseeing of Tarnów with Dr. Adam Bartosz
12.00                                      lunch (pre-arranged) –Restaurant at the Market Square
1.30 pm                                  departure to Dąbrowa Tarnowska
2.30 pm                                  visit to Mr. Samuel Roth’s prayer room
visit to the ruins of the synagogue and Jewish cemetery in Dąbrowa Tarnowska
4.00 pm                                  meeting with Mr. Marceli Wajsbard,
the only Jewish survivor in Dąbrowa Tarnowska
5.00 pm                                  departure to Cracow
7.00 pm                                  dinner (pre-arranged) in the Castle Restaurant in Wieliczka
9.00 pm                                  arrival to Cracow

 

Wednesday, October 22nd

7.30 am                                  breakfast
8.30 am                                  departure to Oświęcim
10.00 am – 3.00 pm               visit to former KL Auschwitz – Birkenau with Museum’s guide
3.30 pm                                  late lunch (pre-arranged) in the International Youth Meeting Center
4.30 pm                                  visit to the synagogue – Jewish Educational Center in Oświęcim
                                   Meeting with Tomasz Kuncewicz, Director of the Center
                                   The Jews of Oświęcim – film showing
                                   Meeting with Rev. Manfred Deselaers
                                               from the Center for Prayers and Dialogue in Oświęcim
6.30 pm                                  departure from Oświęcim
7.00 pm                                  dinner (pre-arranged) in Lipowiec Inn

9.30 pm                                  arrival to Cracow

Thursday, October 23rd

8.00 am                                  breakfast
9.00 a.m. – 10.30 a.m.            The Polish Catholic Church in the New Polish Reality
                                    lecture by Father Stanisław Obirek SJ
10.45 a.m. – 12.15 pm           meeting with Prof. Edward Dąbrowa and students
of the Jewish Studies Chair at the Jagiellonian University
12.15 p.m. – 1.30 p.m.           break
1.30 p.m. – 3.00 p.m.                         The Polish Protestant Churches in Poland
lecture by Pastor Roman Mikler, Cracow
3.15 p.m. – 4 45 p.m.             State and Church in Poland
lecture by Adam Szostkiewicz, POLITYKA weekly
break
5.30 p.m. – 7.00 p.m.             Jews in Poland and Christian – Jewish Dialogue
lecture by Dr. Stanisław Krajewski

Friday, October 24th

8.00 a.m.                                breakfast
9.00 a.m. – 11.30 a.m.            evaluation session and the farewell reception
11.30 a.m. – 3.00 p.m.           free time
3.45 p.m.                                transfer to the train station in Cracow
4.45 p.m.                                departure to Utrecht
Treinreis terug: vertrek 16.45 uur uit Krakau. Aankomst zaterdag 25 oktober om 10.21 uur in Utrecht.

Oogst aan theologische vragen,
geformuleerd in de voorbereidingsbijeenkomst in Kampen op 2 oktober 2003,
en opnieuw overwogen in de slotevaluatie in Krakau op 24 oktober 2003.

1. Naar aanleiding van het boek van Jan Oegema, Een vreemd geluk. De publieke religie rond Auschwitz, Bussum 2003: Is het gedenken van Auschwitz in Nederland tot een publieke religie geworden, waarbij bekende symbolen en rituelen van de christelijke godsdienst een grote rol spelen?

2. Betekende het bezoek aan het voormalig concentratiekamp Auschwitz-Birkenau voor ons ‘een vreemd geluk’? Hoe is het te verklaren dat voor vele deelnemers aan de reis de wens om eens Auschwitz te kunnen bezoeken de voornaamste motivatie was om mee te gaan?

3. Naar aanleiding van de publicaties van Marquardt: Is Auschwitz mede het resultaat van een lange kerk- en theologiegeschiedenis en betekent Auschwitz daarom voor ons de uitdaging om denkwerk te verrichten op zoek naar een theologie en kerk zonder anti-judaïsme?

4. Is het vaak gehoorde verwijt terecht, dat het gevaar niet denkbeeldig is, dat het betrokken zijn bij joden en jodendom een nieuw selectiecriterium wordt voor een ‘kosjere’ christelijke theologie na Auschwitz? Wordt Auschwitz daardoor niet een nieuwe openbaringsbron?

5. Is de vergelijking van Auschwitz en Golgotha voor christenen onontkoombaar? Vgl. het boek van A. v.d. Beek,  De kring om de Messias. Israël als volk van de lijdende Heer, Zoetermeer 2002.
Trachten we Auschwitz theologisch te zien in het perspectief van Golgotha of valt er juist door Auschwitz een ander en nieuw licht op het kruis van Golgotha?

6. Speelt in de confrontatie met het verdwijnen van het Oosteuropese jodendom en de massamoord op de joden schuld en schaamte bij ons een (grote) rol?

7. Hebben we begrip gekregen voor de gevoelens aan beide zijden in de voortgaande Pools-joodse discussie over antisemitisme in Polen vóór en na de Tweede Wereldoorlog?

8. Is Auschwitz tot een ‘mythe’ geworden, niet meer toegankelijk voor nuchter historisch onderzoek? Vgl. de Historikerstreit in Duitsland en het boek van Goldhagen.

9. Heeft de mythe van Auschwitz zijn eigen ‘heiligen’ gecreëerd, zoals Maximiliaan Kolbe, Edith Stein, Etty Hillesum, Anne Frank, en Titus Brandsma? Trachten volken en kerken door middel van deze ‘heiligen’ het algemene beeld van hun toeschouwershouding in de Tweede Wereldoorlog bewust of onbewust te corrigeren?

10. Wat betekent het besef, dat Jezus in de 20e eeuw waarschijnlijk als jood in één van de kampen vermoord zou zijn, voor onze christologie?

11. Betekent de confrontatie met Auschwitz het definitieve einde van het geloof in een persoonlijke God en maakt Auschwitz elke poging om een theodicee te formuleren tot blasfemie?
  
                                                                                                                      Simon Schoon

 
VERSLAG POLEN-EXCURSIE THEOLOGISCHE UNIVERSITEIT KAMPEN
I.S.M.
JUDAICA FOUNDATION/CENTER FOR JEWISH CULTURE, CRACOW
17-24 OKTOBER 2003

 

THEMA:
JEWS AND CHRISTIANS IN POLAND AND EUROPE AFTER THE SHOAH

 

16 oktober
De meeste leden van de groep stappen om 17.42 in de uit Amsterdam binnenkomende ICE-trein. Anderen voegen zich om 18.14 bij ons in Arnhem. Het blijft een aparte ervaring om Duitsland in te rijden zonder paspoortcontrole. In Duisburg stappen we over om 19.28. De schemering valt vroeg in. Boven het Ruhrgebied is het volkomen helder, nog vóór de sterren verschijnt Mars aan de hemel. Een gevolg van de ecologische veranderingen die zich hier voltrokken hebben: nog in de jaren zeventig hing boven het Ruhrgebied een permanente smog. Langs Dortmund en Braunschweig oostwaarts, in het noorden een oranje halve maan. Couchettes van het 2x3 principe.

Vrijdag 17 oktober
Om kwart voor vier paspoortcontrole bij de Poolse grens, die we aan Duitse zijde oversteken bij Frankfurt aan de Oder. De zon is nog lang niet op, het nachtelijk duister van het Poolse platteland is indrukwekkend. Om 6.00 overstap op een Poolse trein in Poznań (Posen). In de ochtendschemering zien we de industrie van Silezië, schoorstenen bij Koscian stuwen enorme pluimen de lucht in. De velden zijn berijpt. Om 8.00 bereiken we Wroclaw. Ooit heette dit Breslau en was het een centrum van de joodse Reform, met uitstraling naar het Nederlandsch Israëlietisch Seminarium van Amsterdam. Om 10.00 passeren we Gliewice (Gleiwitz). In 1939 strekte Duitsland zich uit tot hier! Een half uur later de energiecentrale van Katowice (Kattowitz), met kegelvormige koeltorens. Hier passeren we het punt waar in 1942-1944 de treinen vanuit Westerbork afsloegen naar hun eindbestemming Auschwitz-Birkenau. Veel leden van onze groepen blijken daaraan in deze, voor de meesten slapeloze nacht gedacht te hebben: wij volgen hetzelfde spoor als de mensen van toen.
            Om 11.40 bereiken we Krakau. Deze oude Poolse koningsstad behoorde van de 18e eeuw tot 1918 tot het Habsburgse Rijk, het station is gebouwd door de Oostenrijkers. Hier worden we opgewacht door Joachim Russek (directeur van de Judaica Foundation en het Jewish Center), diens zoon Gregory (rechtenstudent) en deelnemers Jaap en Emilie, die de 1100 kilometer vanuit Nederland per auto afgelegd hebben. Met een busje worden we naar het uit 1898 daterende Royal Hotel gebracht. We kijken onze ogen uit: het trappenhuis en de omvang van de (meeste) kamers zouden in een Sissi-film niet misstaan. Wanneer kamergenoot Bernard ons raam van kamer 224 openzwaait, verrijst daarachter de Wawelburcht. De aanblik brengt ons meteen bij een probleem dat veel van onze Poolse gesprekspartners in de komende dagen zullen aanroeren: het feit dat hun land door buitenlandse vooral en voortdurend geassocieerd wordt met de Tweede Wereldoorlog. Wij hebben Krakau nooit eerder bezocht, maar de eerste gedachte bij het zien van de Wawelburcht is: daar resideerde van 1939 tot 1944 Generalgouverneur Reichsleiter Hans Frank.
Na douchen en tandenpoetsen wandelen we om 2 uur naar de zuidelijke voorstad van Krakau, Kazimierz. Dit was de wijk waar de joodse Krakauers woonden. De aanblik vertoont een melancholieke overeenkomst met het naoorlogse Amsterdam: de gebouwen en synagogen zijn gebleven, het overgrote merendeel van de mensen die daar werkten en baden is nimmer teruggekeerd. Het Jewish Center (Centrum Kultury Zydowskiej) bevindt zich in een prachtig opgeknapt gebouw uit 1880: klassiek van buiten, modern en functioneel van binnen. Ooit was dit het verenigingsgebouw חדש בית (bajit chadasz, het nieuwe huis). Voor het naar binnengaan werp ik een blik op de lichtgroene buitenmuren, zo’n makkelijk doelwit over antisemitische graffiti. Ik zie ze niet en vat dat op als een goed teken.
            Joachim Russek ontvangt ons. Hij legt er de nadruk op dat het Center een publiek instituut is, niet gebonden aan een religieuze of etnische gemeenschap. Hoofddoel is het joodse aandeel in de Poolse cultuur terug te geven aan de Polen. Men hoopt dat dit een plaats wordt waar Polen en joden elkaar kunnen ontmoeten en wederzijdse stereotypen kunnen ‘ontmythologiseren’. Het instituut bestaat binnenkort tien jaar. De situatie die Joachim schetst, roept herinneringen op. Het project geschiedschrijving joodse gemeenten van het Rijksarchief Groningen had in de jaren tachtig exact dezelfde doelstelling. En exact dezelfde problematiek: joodse cultureel erfgoed in een streek waar nauwelijks meer joden woonden en dat dus beheerd werd door ‘vreemden’: niet-joden.
            In de bovenzaal wordt een door de zionistische voorman Vladimir Jabotinsky (1880-1940) vervaardigde film vertoond over het joodse leven in Krakau in 1939, met toelichting in het Jiddisj. De door Jabotinsky gefilmde huizen kunnen we buiten zien, de gemeenschap die er woonde is vernietigd. Aan prof. Hieronim Kubiak van de Jagiellonische Universiteit Krakau valt de delicate taak toe om een college te geven over de recente Poolse geschiedenis, tot op heden. Voor een gehoor dat de nacht in een 2x3 couchette heeft doorgebracht is zijn voordracht wellicht iets te monotoon. Niettemin is Kubiaks met statistieken onderbouwde referaat over de historische wijzigingen in de Poolse samenleving zeer informatief en interessant. De omvang van de joodse gemeenschap (al dan niet lid van een synagoge) in het land wordt geschat op 8 à 10.000 personen, een geringer aantal dan de opvallend goed geïntegreerde Vietnamezen. Opmerkelijk is de door Kubiak gesignaleerde immigratie van Nederlandse boeren in Noord-Polen. Sommige problemen liggen erg gevoelig: bijvoorbeeld het eigendomsrecht van het onroerend goed van families die in 1945 vermoord bleken of die in dat jaar over de grens gezet werden. Veel van dit bezit werd eenvoudig genationaliseerd en toegewezen aan mensen die op hun beurt van verdreven werden: bewoners van het oostelijke deel van het vooroorlogse Polen, dat thans werd toegewezen aan de Sovjet-Unie. Hier tikt een juridische tijdbom, zeker in een economisch steeds aantrekkelijker wordende stad als Krakau.
            De volgende voordracht wordt verzorgd door de Duitse priester Manfred Deselaers, een lange gestalte in het zwart, met boord. Deselaers werkt op enkele kilometers van het voormalige vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau in een Centrum voor Dialoog en Gebed. Uitgebreid en op persoonlijke wijze gaat hij in op de ervaring van de Shoa. Het Centrum voor Dialoog en Gebed probeert met name Polen, joden en Duitsers tot elkaar te brengen. Zoals de naam aangeeft is het einddoel dialoog en gebed. Maar om daar te komen moet eerst een weg afgelegd worden van stilte, van reflectie, van naar elkaar luisteren en zwijgen. Een voorbeeld voor Deselaers is de rooms-katholieke priester Maximilian Kolbe, die in Auschwitz zijn eigen leven gaf om dat van een ander te kunnen redden. Deselaers’ voordracht maakt veel indruk op onze groep. Gevraagd naar zijn Vlaamse achternaam blijkt dat zijn vader afkomstig was uit België en via Venlo in Duitsland terechtkwam. Ik voel geen vrijmoedigheid om op dat verhaal door te vragen.
            Om 19.00 vindt in de benedenzaal een optreden plaats van Di Galitzyaner Klezmorim: een jeugdig trio van contrabas, harmonica en fluit. Het applaus is zo overweldigend dat een toegift volgt. Schuin boven de foyer hangen tekeningen van Hetty Krist. Na afloop eten we in het joodse restaurant Klezmer Hois, een bekend adres voor joodse Amerikanen die een bezoek brengen aan Krakau. In dit gebouw bevond zich ooit een ritueel bad (mikwe).

Zaterdag 18 oktober

In ons programma is het bijwonen van een synagogedienst als ‘optional’ opgenomen. Vandaag zal Simchat Torah gevierd worden. In de eeuwenoude Remu-synagoge worden we met een beleefde zucht ontvangen: ‘toeristen…’ De joodse gemeente van Krakau, veelal bestaand uit mensen die met moeite hun brood verdienen, is klein en vergrijsd. Een minjan is in de sjoel nét aanwezig. De chazan gaat voor op asjkenasische wijze. De dames zitten nadrukkelijk afgezonderd, in een ruimte met aparte toegang. Vandaar kijken ze door ramen met vitrage de eigenlijke synagoge in. Lang voordat de dienst is afgelopen vertrekken we, met een knagende twijfel of het goed was hier binnen te vallen. Wordt een viering zo geen attractie?
            We verlaten Kazimierz. Aan de voet van de Wawelburcht staat Aleksandra Wottkiewicz ons op te wachten. Vanuit het groen laat de boomklever zijn bellende roep horen. De charmante Aleksandra loodst ons vervolgens in een onwaarschijnlijk hoog tempo door middeleeuws Krakau. In de kathedraal met de koningsgraven is een drukbezochte dienst gaande, met een bisschop en een kinderkoor. De voor de deur opgehangen kaak van een blauwe vinvis (!!) blijft een onopgelost raadsel. Het is in een oogwenk voorbij, even later draven langs de voormalige woning van Karol Woytila naar de markt met de Mariakerk. Daar weerklinkt het geluid van de beroemde trompetter van Krakau. Het wordt plotseling afgesneden – de oorspronkelijke trompetter werd in de Middeleeuwen getroffen door een pijl van de aanvallende Tartaren. Nauwelijks van onze indrukken bekomen staan we een oogwenk later in de bibliotheek van het Collegium Maius van de Jagiellonische Universiteit. Hier zien we een zeldzaam voorbeeld van contact met de geografisch toch nabije islamitische wereld: een Turkse verwarmingsstoof in de stuba communis, versierd met Iznik-tegels en in de vorm van een minaret. Onder de opschriften in de statige collegezaal is er eentje die we kennen uit de Taizé-liturgie:

Ubi caritas et amor
ibi Deus est

Veel versieringen in de stad hebben het 25-jarig pontificaat van Johannes Paulus II als onderwerp. Daarbij wordt nog vaker een lijdende dan een triomferende paus afgebeeld. Ty jesteś Piotr: gij zijt Petrus. Wonderlijke gedachtesprongen. Srebrny Jubileusz Pontyfikatu Jana Pawla II: in een andere Slavische taal betekent Srebrenica ‘Zilverstad’. Bij het zien van het overdadige interieur van de Mariakerk krijgt een protestant medelijden met de koster die dit allemaal moet afstoffen. Tal van gidsen praten door elkaar voor tal van verschillende groepen – het klinkt als litanieën en past wel in deze ruimte en akoestiek. Dan neemt Aleksandra ons mee naar het kunstenaarskoffiehuis Jama Michalika. Aleksandra is erg geïnteresseerd in het jodendom, maar ze betreurt dat joodse bezoekers haar land alleen associëren met de Shoa. ‘Het zou zo fijn zijn als ze ook de omstandigheden en de mensen van nú zouden leren kennen.’ Ze is moeder, getrouwd met een kunstenaar, zelf bezig met een moeizaam gefinancierde kunsthistorische dissertatie. Aan de voorboden van een multiculturele samenleving in Polen moet ze nog wat wennen. ‘Dát is geen Poolse cultuur’ zegt ze enigszins afkeurend, wanneer we in een parkje een heuse Indianencombo passeren.
            Om 14.15 zijn we terug in het Jewish Center, waar we worden ontvangen door Joachim Russek en Robert Gądek (spreek uit: Gondek). Daarna volgt een dubbele filmpresentatie over joodse geschiedenis in Polen, gemaakt in samenwerking met het Jewish Theological Seminary in Amerika (New York).
            Bij terugkeer in het Royal Hotel een verrassing. Schuin daartegenover staat een replica van een voor-christelijk Slavisch godenbeeld, een soort totempaal. En net als in de kerk voor een heiligenbeeld liggen daar offergaven voor, kaarsjes, briefjes en bloemen! Ik installeer mij op een strategisch punt om dit curieuze beeld in de gaten te kunnen houden, maar tot mijn teleurstelling komen de offerende Poolse heidenen niet opdagen. Simon en ik worden ’s avonds te eten uitgenodigd door Joachim Russek. Joachim is geboren in 1950, uit een Pools-Silezische familie met wat Duitse scheuten. Hij vertelt over zijn jeugd in wat toen een Russische satellietstaat was; de herontdekking van het joodse verleden van Polen; en de soms moeizame relatie tussen zijn instituut en de joodse gemeenschap. Dat het Jewish Center een openbare Poolse en niet een religieuze joodse instelling is, stuit aan joodse zijde vaak op kritiek.

Zondag 19 oktober

Om kwart over negen naar de dominicanenkerk. Zeer druk bezocht, ook veel jongeren. Velen staan, er zijn lang geen zitplaatsen genoeg. Een jongerenkoor in dagelijkse kleren zingt a capella meerstemmige hallelujaliederen. Het klinkt prachtig. Wij volgen het vanaf de bovengalerij, van beneden stijgen lezingen en wierook op. Voor de gebeden wordt massaal op de plavuizen geknield; wij houden het bij knielen. Innig is het moment waarop we elkaar de vredesgroet geven. Tijdens de mis (met drie heren) communiceren de mensen beneden op de tong. Bij het betreden en verlaten van de kerk wordt een kruisje geslagen.
     Dan snel door naar de lutherse kerk. In het opschrift boven de deur wordt de protestantse Weberthese op onvergetelijke wijze samengevat:

Vivit frustra
qui nemini prodest

Een predikant in toga met dubbele bef bedient het Woord. Boven zijn hoofd daalt in een fronton de Heilige Geest neer als een duif. We zingen in het Pools - in deze kerk mét orgelbegeleiding – een lied van de Duitse piëtist Christian Fürchtegott Gellert. De kansel is van het door Abraham Kuyper zo verfoeide model verhoogd eierdopje. Het klankbord wordt bekroond door een driehoek met daarin het alziend oog Gods. Achter het altaar (ook hier) een enorm schilderij van Christus en de discipelen tijdens de storm op het meer. Een spartelende Petrus ligt hulpeloos in het water, hij wordt hier aanzienlijk minder heldhaftig afgebeeld dan elders in deze stad. De kerk heeft een witgestuct classicistisch interieur. Blijkbaar heeft er net een onderhoudsbeurt plaatsgevonden, alles oogt als nieuw. Hier wordt onder gedaante van zowel wijn als brood gecommuniceerd. Betrekkelijk weinigen nemen deel, ook onze groep doet dat niet. Buiten zingt vanaf een dak een zwarte roodstaart.
            Tegen het middaguur zien we Aleksandra weer, ditmaal zal ze ons door Kazimierz leiden. Degenen die deze omgeving eerder bezocht hebben, verbazen zich erover hoeveel hier in de afgelopen jaren is opgeknapt. De Stara Boznica (Oude Synagoge) is nu een museum. Het gebouw is zelfs nog ouder dan de Remu-synagoge: uit de late Middeleeuwen, gothisch. Ook hier volgden de vrouwen de dienst vanuit een aparte ruimte, van achter een tralieraam. Op de bovenverdieping is een expositie ingericht over de Shoa in Krakau. Aansluitend lopen we andermaal naar de Remu-synagoge. Afgezien van een enkele (Amerikaanse) dienst in de Tempel van de liberale joden is dit de enige sjoel in Krakau die nog als zodanig functioneert. Naast de Remu-synagoge ligt de bijbehorende begraafplaats. Op de matseiwes liggen kleine steentjes. Blikvanger is het graf van de beroemde rabbijn, wetsgeleerde en kabbalist Mozes ben Israël Isserles (1525-1572). Voor de zerk staan maar liefst zes moderne brievenbussen voor aan Isserles geadresseerde post. Wie zou deze brievenbussen van tijd tot tijd legen?
            Op de bekende manier houdt Aleksandra het tempo erin, het gaat al weer door naar de Tempel van de Reform. Hier kunnen mannen en vrouwen ongescheiden de dienst meemaken. Architectonisch doet het wat donkere interieur denken aan een laat 19e eeuwse kerk. Schenkers van diverse onderdelen vermelden met een zekere nadruk hun academische titels, het levert een heel andere sfeer op dan in de Remu-synagoge. Dan gaat het voort naar een ruimte met een juist heel helder interieur: de augustijnenkerk, met rustieke beltoren en monument voor een ridder die in 1568 fere obiit. Posters herinneren aan het feit dat moeder Theresa vandaag in Rome zalig verklaard wordt.
            Alles ligt hier dicht bij elkaar. In het Center wordt soep geserveerd. Aleksandra zegt dat het ‘feminisme’ in Polen in opmars is, maar zelf voelt ze zich er niet zo toe aangetrokken. Zij zorgt thuis voor het kind en het huishouden, dat vindt ze ook de juiste gang van zaken. Terug in het Royal Hotel beluisteren we in de sala bankietowa een lezing van de socioloog Slawomir Kapralski. Hij is geïnteresseerd in inter-etnische relaties in het moderne Polen en gebruikt bij zijn onderzoek methoden van de moderne antropologie. Hij heeft de fysieke ruimte geanalyseerd van grote en kleine Poolse steden voor 1939: de synagoge mocht visueel niet concurreren met de kerk. Beide gebouwen bevonden zich diagonaal aan het tegenovergestelde uiteinden van het centrale plein. De komende dagen in Galicië zullen we hiervan voorbeelden zien. De joden werden letterlijk beschouwd als mensen ‘van de andere kant’, sociaal-economisch werden zij vanouds beschouwd als een appendix van de adel. Volgens Kapralski onderschrijft in 2003 nog 12% van de Poolse bevolking het oude antisemitische beeld van de joden als Christus-moordenaars. Hij maakt gebruik van interviews. Het antisemitisme wordt bestreden door de leiding van het Rooms-katholieke Kerk, maar handhaaft zich hardnekkig in de lagere strata daarvan. Het moderne antisemitisme is algemener dan het klassieke religieuze: volgens 30% van de bevolking hebben ‘de joden’ (een abstract begrip, dat geheel losstaat van ontmoetingen met concrete joden) ‘teveel geld en macht’. Kapralski is desondanks niet moedeloos. Over het algemeen geldt: hoe jonger, hoe minder antisemitisme. Hij maakt zich vooral zorgen om een fusie tussen antisemitisme en een bepaald Pools zelfbeeld: Polen als Christus onder de naties, geslachtofferd door anderen. Deze vorm van denken leidt soms tot xenofobie en onwil om pijnlijke kanten van het nationale verleden onder ogen te zien (‘laster tegen Polen’). Deze manier van denken heeft Kapralski’s opvoeding mede bepaald. Als schooljongen leerde hij Auschwitz kennen als toonbeeld van Pools lijden. Bij het invallen van de schemering neemt Kapralski afscheid – hij is speciaal voor ons uit Warschau gekomen en moet vanavond nog terug.
            Simon zit daarop het eerste evaluatiemoment van deze reis voor. Uit de groep komen vele reacties. Wat de mensen bijzonder getroffen blijkt te hebben is het contrast tussen de volle katholieke kerken en de, afgezien van hun museale functie,vrijwel lege synagogen. We beseffen het elke dag: gebouwen en zerken zijn hier nog, maar een levend jodendom bestaat in Krakau nauwelijks meer. We hebben al met velen gesproken, maar nog niet met een representant van het jodendom.

Maandag 20 oktober

Om 8.40 vertrekt de bus naar Galicië. Behalve door een forse chauffeur worden we begeleid door Robert en Gregory. Joachim neemt afscheid, hij vertrekt dadelijk naar Washington. Hij herhaalt nog eens: ‘Wanneer jullie terugkomen, hoop ik dat jullie meer tijd hebben.’ De bus steekt de Wisla (Weichsel) over, rijdt dan een 6-baans snelweg op. Daar komt na een kilometer al weer een eind aan. We rijden naar het oosten, links verheft zich het communistische monument boven het voormalige concentratiekamp Plaszow. Langs wat nu een tweebaans weg is, een geplette auto op paaltjes: waarschuwend symbool van wat een zekere rijstijl kan aanrichten. Op het platteland opvallend weinig vogels (afschot? agressieve pesticiden?), maar wel blijken van voorzichtige toename van de welvaart. Overal zijn huizen in aanbouw. Om half elf bereiken we Nowy Sącz (spreek ongeveer uit als: Nowy Sondzj). We drinken koffie in de kelders van het Ratusz. In de Habsburgse tijd was dit het Rathaus, en heette de stad Neu Sandez. Tijdens de grote Galicische veldslagen van 1914-1916 bevond het hoofdkwartier van het ongelukkige, voortdurend verslagen Oostenrijks-Hongaarse leger zich in dit gebouw. Tijdens de koffiepauze zien we tot onze verbazing het portret hangen van heel iemand anders: Jozef Stalin, met de toenmalige Poolse partijleider Bierut (ca. 1950). Was deze kelder toen in gebruik bij de NKVD? We vragen het de obers, die grijnzen maar wat.
            Verderop staat de Dawna Synagoga nog steeds overeind, het gebouw wordt nu gebruikt voor exposities. Ooit woonden in Nowy Sącz 10.000 joden, meest chassidim. Bekend is de talmudist rabbi Chaim Halberschtam (1793-1873). Iets verder de joodse begraafplaats. De matseiwes missen hun afgeronde bovenkant. In de oorlog werden ze gebruikt om straten te plaveien, met het Hebreeuwse opschrift naar boven. Men werd letterlijk geacht deze doden met voeten te treden. Dát ging het na-oorlogse Polen toch te ver: wat van de zerken resteerde werd zo en zo kwaad als het ging teruggeplaatst op de begraafplaats, zij het ook niet op de originele plaats. Er zijn ook enkele recente graven, het jongste uit 1996. De enige thans nog levende representant van de joodse gemeenschap van Nowy Sącz is de nu 84-jarige Jakub Müller. Hij woont in Zweden, maar brengt jaarlijks geruime tijd door in zijn geboorteplaats. Mede door zijn toedoen is het mausoleum voor de Halberschtam-familie herbouwd, een klein gebouwtje dat regelmatig wordt bezocht door chassidim. Net als bij het graf van Isserles ook hier een ‘brievenbus’ met handgeschreven Hebreeuwse verzoekschriften. Achter dit mausoleum een communistisch monument: de Duitsers gebruikten deze begraafplaats als executieplaats voor joden en tal van andere slachtoffers. Op het monument vallen zij allemaal onder de noemer ‘Polen’.
            We eten met uitzicht op de rivier de Dunajek. Bij de spoorbrug een oorlogsgraf. Wat heeft hier een bloed gestroomd. Naast wat putters en ringmussen eindelijk een roofvogel, een sperwer. Dan verder met de bus naar een landelijk gelegen doel: de joodse begraafplaats van Bobowa, bovenop een heuvel. Het laatste stuk leggen we te voet af. Door een gelukkig toeval komt de boer die de sleutel beheert, niet opdagen. Daardoor hebben we ruim de tijd om het grootse panorama op ons te laten indringen. Om ons heen de noordelijke uitlopers van de Karpaten, boven ons een staalblauwe hemel. Die hemel lijkt behoorlijk leeg, maar met wat wachten komt daar verandering in. Hoogtepunt is een vlucht fraters: kleine donkere zaadeters, verwant aan de kneu maar met een heel andere roep: tzwiet. Het bijzondere is dat ogenschijnlijk identieke fraters in Scandinavië een totaal verschillend trekgedrag vertonen: sommigen zetten koers op de Nederlandse kustgebieden, anderen komen hier in Polen terecht. Wanneer even later ook nog een forse appelvink passeert (met het typerende tsík) is de vreugde compleet.
            In het dorpje Bobowa was in 1939 het merendeel van de inwoners joods. Net als de begraafplaats is de sjoel dicht, de sleutel bevindt zich bij de plaatselijke kapper. We wachten even tot hij zijn klant geknipt heeft. Deze synagoge, nu leeg en stil, werd door de chassidim eens beschouwd als het ‘joodse Czestochowa’. We zetten onze tocht in noordelijke richting voort. Tal van oorlogskerkhoven uit 1914-1916. Reclames van de fundamentalistisch katholieke radiozender Maryja, ondermeer bekend van de agitatie voor het plaatsen van kruizen bij het voormalig kamp Auschwitz.
Ons einddoel van vandaag, Tarnów, wordt omzoomd door vervallen textielfabrieken. De plaats zelf ziet er redelijk welvarend uit. We stappen uit bij de lommerd. In het museum aan het raadhuisplein krijgen we een Poolse lezing van dhr. Adam Bartosz, vertaald door Robert. Bartosz gaat uitvoerig in op de geschiedenis van zijn stad, met nadruk op die van de joden. Na de lezing volgt een film, The unfinished talk. Daarop zien we Tarnówer joden in Tell Aviv en Adam Bartosz in Tarnów – 1988! De Adam Bartosz van 1988 bromt dat de joden een slachtoffercomplex hebben. Ondertussen is diezelfde Bartosz sindsdien de man geworden die een permanente expositie over het joodse leven georganiseerd heeft, zich heeft ingespannen voor behoud van de joodse begraafplaats en daarnaast - uniek voor Polen - een zigeunermuseum heeft ingericht.
Om 19.30 arriveren we in het Tarnovia-hotel, een welhaast hilarisch deprimerend oord in Sovjetstijl. We slapen onder roestbruine dekens, waar met grote gevangenisletters op gedrukt staat: HOTEL TARNOVIA. Beneden in de lounge zingt een dronken man.

Dinsdag 21 oktober

Een grijze ochtend, het heeft vannacht geregend. Om 9 uur ontvangt Bartosz ons in het Roma en Sinti-museum. In Krakau heeft prof. Kubiak ons gewaarschuwd om vooral de naam ‘zigeuners’ niet te gebruiken, die discriminerend over zou komen. Bartosz hecht juist aan die naam, die nadrukkelijk op de gevel staat: CYGANIE. Historia i Kultura. Aan de direct betrokkenen kunnen we het niet vragen: na zovele joodse plaatsen zonder joden is dit een Roma en Sinti-museum zonder zigeuners. Onderweg heb ik gekeken of we ergens een camping cygański passeerden, maar heb niets van die aard opgemerkt.
            Bartosz neemt ons mee de stad in. Veel wordt hier opgeknapt, zij het ook niet altijd oordeelkundig. Bartosz laat ons een deurpost zien waar de restaurateur duidelijk niet de plaats heeft herkend waar vroeger een mezoeza was aangebracht. De bebouwing van het door de Duitsers ingestelde ghetto is verdwenen: totaal verwoest na deportatie van de bewoners. Nu staan er flats. Slechts het mikwe, in moorse neo-stijl, overleefde omdat het door de Duitsers gebruikt werd als badhuis. Ook naar de joodse begraafplaats van Tarnów zijn als plaveisel gebruikte zerken teruggebracht. Vrouwengraven zijn vaak versierd met een kandelaar. Hier heeft na de oorlog wél schending plaatsgevonden. Bartosz zegt: uit economische motieven. Kostbare stenen, bijvoorbeeld die van marmer, werden hergebruikt op katholieke begraafplaatsen.
            Om twee uur vertrekt de bus naar Dąbrowa Tarnowska (het zwiepje onder de a betekent dat een n moet worden toegevoegd). De roem van het oord is vooral gebaseerd op de productie van honingwodka. Een bordje wijst naar Kielce, de plaats van de na-oorlogse pogrom van 1946. In Dąbrowa Tarnowska bezoeken we een zeer verrassende plek: de gebedskamer van de zeven jaar geleden overleden Samuel Roth. Het is er koud, spartaans: Roth was geen welgesteld man. Hij leefde van een mager oorlogspensioentje, sleet hier bij de heilige boeken en kaarslicht zijn dagen. Alleen. In een stadje waar de bevolking in Roths jeugd voor 80% uit joden bestond. Het plafond was tenslotte zwart van het roet. Op de een of andere manier straalt de ruimte een peilloze eenzaamheid uit. Een paar hoeken omgeslagen, en we zien de synagoge van het stadje. Ooit was het een wat protserig gebouw, met overdadige versieringen. Nu een troosteloze ruïne, in de vernielde ramen nog rafels van Hebreeuwse letters, daarachter slechts roest en rottend hout. Dan vertelt Robert dat er in 1945 nóg een joodse overlevende terugkwam naar Dąbrowa Tarnowska: meneer Wajsbard. Hem zullen we dadelijk ontmoeten. ‘Hadden Roth en hij veel aan elkaar?’, vraagt een van ons. ‘Nee’, zegt Robert. ‘Wajsbard huwde een niet-joodse vrouw. Voor Roth was een dergelijk huwelijk, met een shikse, onacceptabel. Het kwam niet meer goed. Ze woonden in ditzelfde stadje, maar hebben elkaar vele jaren zelfs niet gegroet.’
            We treffen de 85-jarige Wajsbard in zijn advocatenkantoor. Een bijdehandse man, kwiek ondanks zijn jaren, met een witte kuif. Op ernst laat hij veelvuldig een kakelend lachje horen, alsof hij dat nodig heeft als tegenwicht tegen zijn emoties. Zijn vrouw, de shikse, komt erbij zitten, even monter als haar man. Ze is een stuk jonger dan hij. Een dochter is hoogleraar in de neurologie in Kazan (Rusland). Wajsbard vocht in 1939 in het Poolse leger tegen de Duitsers. Na de nederlaag vluchtte hij naar Russisch gebied, werd daar gearresteerd door de NKVD. ‘Die hebben me gered’ grijnst hij, ‘ze bezorgden me een gratis kaartje naar Tomsk.’ Na de oorlog kon Wajsbard naar huis, de laatste 300 kilometer te voet. Toen hij terugkwam bleek dat op Roth na alle joden weg waren, en hun huizen ook: neergehaald in de hoop ‘schatten’ te vinden. Het huis van de familie Wajsbard stond er nog: geconfisceerd. Het zou nooit teruggegeven worden. Iemand van ons vraagt: ‘Maar waarom bleef u dan?’ Wajsbard: ‘Ik ben hier de vierde generatie van een gevestigd advocatengeslacht. Hier ken ik de mensen en de omstandigheden en de mensen kennen mij. Een aanbod om naar Wenen te komen heb ik afgeslagen. Israël heb ik bezocht in 1986. Ik bewonder het land, maar zou de gehaaste ‘Amerikaanse’ levensstijl niet aankunnen. De meeste indruk op mij maakte: de trotse sabra in plaats van zo menige verachte ghettojood in mijn jeugd, met wie iedereen alles maar meende te kunnen en mogen doen. Maar om er te wonen zou niets voor mij zijn.’ Alweer dat kakelende lachje: ‘Ik houd het graag gemütlich.’ Er komt nog een vraag uit onze groep: hoe liep het nu af met het contact met Roth? ‘Roth was een eenvoudige figuur uit een schoenlappersmilieu, eenzaam, veel ziek, zwaar onder de invloed van het beetje familie dat hij nog had. Later werd ons contact wel weer wat beter.’ Het verhaal over het einde van Roth is de klap op de vuurpijl: ‘Hij stierf zoals hij de tweede helft van leven geleefd had: alleen. Er was geen mens om hem af te leggen. Mijn vrouw heeft dat toen voor hem gedaan.’ Mevrouw Wajsbard zit erbij aan het andere uiteinde van de tafel, ze glimlacht bij de herinnering. ‘Tot ziens’ zeggen we, bij het afscheid. ‘Dan moet u wel snel zijn’, zegt Wajsbard, verwijzend naar zijn leeftijd.
            Het motregent wanneer we naar de bus lopen. Nog even achterom gezien: het licht achter de ramen van het kantoor… Hier komen de Poolse boeren om hun zaken te laten regelen door de joodse advocaat, net als hun vaders, grootvaders en overgrootouders. Vier generaties. Nog even en dit alles zal voorbij zijn.
            Na de maaltijd op de terugtocht, in het zoutwinningscentrum Wieliczka, houden we andermaal een tussentijdse evaluatie. Het gesprek met Wajsbard heeft ons aangegrepen. De meeste reacties hebben ditmaal betrekking op de onvoorstelbare omvang van misdrijven die in deze streek door de ene mens bedreven zijn tegen de andere. Sommigen zijn bang om af te stompen door een overdaad aan gruwelijke herinneringen. Zien op tegen het programma van morgen.
Laat in de avond keren we terug in het Royal Hotel in Krakau, ditmaal aan de kant met één ster.

Woensdag 22 oktober

Vertrek om 8.30. Gregory begeleidt ons, hij is met de fiets van huis gekomen in een van de voorsteden (17 minuten; zou per bus 45 geweest zijn). De route naar het beruchte Auschwitz is verrassend mooi, met veel bos. Een sigaarvormige groene specht. Een laat groepje boerenzwaluwen boven de Wisla, het is ’s nachts zo fris dat ze nu echt moeten voortmaken naar het zuiden.
            Na een uur rijden arriveren we in Oświęcim. Een spoorlijn, goederentreinen, een station. En dan is het alsof we figureren in de IKON-documentaire die we vlak voor ons vertrek bekeken hebben in Nederland. Auschwitz I, anno 2003. Parkeren naast een lange rij toeristenbussen. Grote groepen bezoekers, vooral scholieren. Voorlopig is er afgezien van enige zwarte informatiepanelen niets onheilspellends te zien. Hier treffen we onze gids Dorota Zak. Zij coacht ons langs allerlei bebouwing in westelijke richting, naar het immense terrein van Auschwitz II-Birkenau. Er staat er een schrale koude wind. Eerst beklimmen we de toren boven de ingangspoort. Dan beginnen we een lange wandeling. De omvang van het gebied is nauwelijks te bevatten. Bakstenen schoorstenen op de plaats van verdwenen barakken. Betonnen palen in eindeloze rijen, prikkeldraad, stroomknoppen. Een paar mensen zijn bezig met onderhoud. In de barakken die er nog staan de britsen, de latrines. De hygiënische omstandigheden waren verschrikkelijk. De mensen bevochten elkaar een plek bovenaan in de kotten (onder waren de ratten), een hap voedsel. Dan de ‘selectieplaats’ bij de plaats waar de treinen werden uitgelopen. Het vrouwenwerkkamp. Maar het ergste moet nog komen: de ruïnes van de crematoria, de kuilen vol as. Je ziet in het puin wat je eigenlijk niet zien wilt: de trap naar beneden, de uitkleedruimte, de gaskamers.
            Een contradictie: de door de UNESCO ingestelde beschermde zone rond deze plaats, waar niet veranderd mag worden, trekt vogels aan. Uitgerekend op deze verschrikkelijke plaats komen grote groepen lijsters over, kramsvogels vooral. Onwetend van de misdrijven der mensen zit een paartje gekraagde roodstaart op het prikkeldraad. In de verte klinken kerkklokken. Aan de einder van dit surrealistische landschap een gebouw met daarboven een groot kruis. Onder een raster aan onze voeten een grote berg lepels en vorken. Nóg meer asputten. Nóg meer gaskamers. De coulissen worden gevormd door bos. Over de grond vol doden springt een ree weg.
            Een gebouw voor de registratie van gevangenen (degenen die niet geselecteerd werden voor onmiddellijke dood, maar voor een uitstel van slavenarbeid). Hier werden ze ontkleed, kregen ze zebrapakken aan en werden ze getatoeëerd. Een wand vol foto’s van slachtoffers, allemaal gekiekt in gelukkige dagen, voordat ze in dit oord van vernietiging belandden. Dan weer naar buiten, over die grote vlakte. Over de Rampe lopen drie orthodoxe joden uit Brooklyn, hun peijes wapperen in de wind.
            Bij het museum eten we iets, bedremmeld, dan neemt Dorota ons mee naar Auschwitz I. Ze formuleert heel precies, zoals en rechter of een oncoloog zou doen. Hier passeren we de poort die ieder van ons kent van plaatjes en die ik me groter voorgesteld had: Arbeit macht frei. Daarachter oude kazerneblokken van het Oostenrijks-Hongaarse leger met bomen ervoor. De geruststelling van deze ogenschijnlijke normaliteit verdwijnt vrijwel meteen daarna. Een galg. Een executiemuur. Block 11, de kampgevangenis. In de kelders cellen, ondermeer die van de door Deselaers bewonderde Maximilian Kolbe. Verschrikkelijke toelichtingen over wat zich hier heeft afgespeeld. Even verderop in Block 5: een stapel brillen, een berg pannen. Dan stapels schoenen, de koffers, de kinderkleertjes, de tandenborstels. Overal zie je voor deze vitrines de scholierengroepen, vooral uit Duitsland, Polen en Amerika. Ik zou wel eens een gekwalificeerde psycholoog of pedagoog wilen horen over de effecten van een dergelijke aanblik op een 15-jarige. Aan het uiteinde van de Lagerstrasse, achter een dubbele prikkeldraadversperring, het pand waar in de jaren tachtig de karmelitessen gevestigd waren. In de kale zone tussen de stroomdraden hadden ze hun thans verwijderde kruizen opgesteld.
            Aan de wandeling lijkt geen einde te komen. In een volgend Block gebruikte blikken Zyklon B, gefabriceerd door de gerespecteerde firma Degesch in Frankfurt am Main. Haar van vergaste mensen. Balen verstevigingsstof voor uniformen, uit dat haar gefabriceerd. Als voetnoot wéér een galg, ditmaal degene waaraan kampcommandant Rudolf Höss in 1947 zijn einde vond. Daarachter een gaskamer met crematorium, anders dan die in Auschwitz II geheel bewaard gebleven. Verbrandingsovens voor de lichamen van de vermoorde mensen. Tegen deze tijd heb ik een kloppende hoofdpijn, snak naar het einde van deze tocht. Het is vooral de omvang van de catastrofe ‘Auschwitz’, die frappeert: dat de plaats zo mateloos groot is, dat het functioneren ervan zo ondragelijk lang geduurd moet hebben, dat zóvelen hier gestorven zijn. Maar ook: dat zóveel duizenden hier jarenlang doelbewust hun naasten gedood en vernederd hebben, dat tot in Frankfurt en Amsterdam toe nog weer zóveel andere keurige burgers er actief bij betrokken waren.
            Elk geboorteland van de slachtoffers heeft een eigen expositie. Die van Nederland, in het met Italië gedeelde Block 21, is zeer traditioneel. In de zin van: vóór Chris van der Heijden of zelfs Jacques Presser. Alle nadruk valt op het nationale verzet en op het leed dat álle Nederlanders is aangedaan. Het valt op hoe nauw de parallel is met de Poolse manier van gedenken tot in de jaren negentig. De relevantie van Kapralski’s opmerking over de opvoeding in zijn jeugd is bepaald niet beperkt tot Polen alleen. De Nederlandse expositie wordt afgesloten met een kiekje van een lachend meisje op een schoolplein. Er spelen weer joodse kinderen in Amsterdam, zegt het bijschrift. En zo lijkt alles goed gekomen … althans in deze verbeelding op karton.

Na Auschwitz I verlaten te hebben, gaan we aan in het nabijgelegen ‘huis van stilte’ van de Internationale Jugendbegegnungsstätte (IJBS). Velen van onze groep hopen op een weerzien met Deselaers. Dit is echter niet diens Centrum voor Dialoog en Gebed, maar een Pools-Duits centrum voor jeugdeducatie. Het doel daarvan is om ‘aus der Geschichte (…) für die Zukunft von uns allen Lehren zu ziehen’. We blijven hier niet lang. Over de rivier de Sola (spreek uit: Sowa) bereiken we het oude stadje Oświęcim. Het ziet er vredig uit. Gregory vertelt dat het de 30 à 40.000 inwoners niet licht valt om voortdurend te moeten leven over de schaduw van het nabijgelegen vernietigingskamp. We geloven dat graag. In het museum kwam ik een loket van de plaatselijke VVV tegen, de uitbaatster klaagde bitter over de onmogelijkheid om bezoekers te interesseren voor de - ze had de folders bij de hand - plaatselijke braderie en bloemenmarkt.
Net zoals zoveel plattelandsplaatsen had Oświęcim vroeger een Ulica Zydowska (Judengasse) en een bóznica (synagoge). De laatste is verdwenen. Wat er nog staat is een kleinere sjoel, die gebruikt werd in combinatie met een leerhuis, beit ha midrasj. Hier is thans het Auschwitz Jewish Center (Centrum Zydowskie W Oświęcimiu) gevestigd, dat veel informatie geeft over het joodse leven vóór de Shoa. Het leerhuis (tafel, banken, welvoorziene boekenkast) en de synagoge vormen één geheel. De ruimte dateert van 1928 en is na de oorlog op aanwijzing van overlevenden gereconstrueerd. Het was een privésynagoge, uitgaand van een genootschap. Veel van de leden verdienden de kost als likeurstokers. Een van hen vermeldde zijn woonplaats trots op de etiketten van zijn product: Haberfeldlikeur: אשוויענצים. Na de val van het communisme is de ruimte onder de ‘restitution laws’ toegewezen aan de kleine joodse gemeenschap van Bielsko-Biala (60). Op de bovenverdieping is er een verrassing: tekeningen van scholieren uit de omgeving van Oświęcim over het thema ‘joden in Polen’. Er zitten prachtige werkstukken bij, waar liefde en aandacht aan besteed is. Hier is ook een seculiere bibliotheek, als aanvulling op de religieuze beneden. Publicaties over thema’s als Jedwabne: het plaatsje waar de lokale joden werden gedood door hun eigen katholieke buren (juli 1941). Waar, zoals historicus Jan Tomasz Gross formuleerde, ‘de ene helft van de bevolking de andere vermoordde’ (Neighbors).
Na een korte wandeling onder aanvoering van Gregory weer in de bus. We eten op de terugweg naar Krakau in een rustiek restaurant in 19e eeuwse boerenstijl. Aan tafel komende veel verschillende, maar allemaal sterk persoonlijke indrukken van deze dag los. Gesprekken daarover. Het is hier warm, intiem. Borrelpraat. Een herinnering uit begin jaren negentig komt bovendwarrelen: excursie van de classicale werkgroep Kerk en Israël naar voormalig kamp Westerbork, pannekoeken eten in Dwingeloo na afloop.

Donderdag 23 oktober

Door de motregen van het Royal Hotel naar Kazimierz. Sfeervolle belichting voor menige fotograaf. Een van de leden van onze groep heeft een onwaarschijnlijk talent om de mimiek en intonatie van de directeur van het Jewish Center te imiteren. Telkens meen ik dat Joachim Russek achter mij loopt, maar deze bevindt zich toch heus in het verre Washington. Het is Robert die ons ontvangt in het Center. Hij stelt ons voor aan de eerste spreker: de jezuïet pater Stanislaw Obirek SJ, geboren in 1956. Obirek is historicus, gespecialiseerd in de Contrareformatie. Bovendien is hij een collega van onze Volker Küster, hij doceert interreligieuze dialoog in Krakau en in Lwów (Lemberg) in de Oekraïne. De jezuïeten gelden in Polen als een bij uitstek intellectuele orde. Obirek meent dat zij daardoor in het land een bijzondere positie innemen: in de top van het theologische leven. Daar worden ideeën uitgewisseld die aan de basis nog als ongehoord beschouwd worden. Obirek wordt geïnspireerd door de bevrijdingstheologie. Toch is in zijn beschrijving van de katholieke massa een vleugje dédain hoorbaar. Wat die massa wil, valt te beluisteren via radio Maryja: een roomse variant op de homo sovieticus, compleet met alle xenofobie en narrowmindedness die daarbij horen. In de kerk zijn veel functionarissen vroom maar middelmatig. Een niet al te opvallende corruptie wordt voor lief genomen, pijnlijke zaken als pedofilie in pastorale relaties worden verdoezeld, de positie van geestelijken met een vriendin is niet geregeld, de prediking weet niets zinnigs te zeggen over economische verhoudingen. Van de paus, hoe eerbiedwaardig ook, valt op deze terreinen weinig meer te verwachten. Het ideaalbeeld dat Johannes Paulus II van zijn moederland koestert, dateert van 25 jaar geleden. De nieuwe kerkgebouwen, waarvan we er zoveel hebben gezien, vindt Obirek ‘awful’: grootheidswaanzin, kolossen waarin niet te bidden valt. Het past niet in een land waar zoveel mensen met moeite rondkomen. Obirek kan scherp uit de hoek komen, heeft zich de nodige problemen op de hals gehaald toen hij de paus ‘het gouden kalf van Polen’ noemde. ‘De therapie van onze kerk kan pas beginnen wanneer we de ziekte durven te diagnosticeren’, zegt hij droogjes, ‘en dat zal niet gebeuren vóór de dood van deze paus’.
            De volgende spreker is de classicus professor Edward Dąbrowa, docent Jewish Studies en speciaal Second Temple Period aan de Jagiellonische Universiteit. Iets stemt mij dankbaar dat ik bij professor Dąbrowa nooit tentamen heb hoeven afleggen. Maar wat hij tot stand heeft gebracht, is zondermeer imposant: niet alleen het opbouwen van een vakgroep met verschillende competenties (waaronder bestudering van het Jiddisj), daarnaast ook het coördineren van onderzoeksprojecten. De onder supervisie van Dąbrowa tot stand gekomen publicaties, zoals tekstedities van joodse zerken in Hebreeuws en Pools, zijn een lust voor het oog. Dąbrowa’s hoogste ideaal is het voldoen aan academische standaarden. De ontmoeting met het jodendom is voor hem, zoals hij met enige nadruk opmerkt, een universitaire en niet een sociale aangelegenheid. ‘Ik doe niet aan een ideologisch debat’ zegt prof. Dąbrowa, daarmee expliciet een verschil aangevend tussen Obirek en hemzelf. Het lijkt erop alsof hij een universitaire modus vivendi uit de communistische tijd heeft volgehouden tot op heden.
            Buiten motregent het nog steeds, zelfs vallen de eerste minieme vlokjes sneeuw. ’s Middags wordt het programma voortgezet door de jonge lutherse theologe Agnieszka Godfrejów, die gestudeerd heeft in Warschau. Ze geeft een overzicht van de protestantse geschiedenis van Krakau. Het door ons bezochte Frustra vivit, een voormalige kloosterkerk, werd in 1816 door de autoriteiten aan de lutheranen afgestaan. Origine is voor Agnieszka een gevoelig thema. Haar familie behoort tot de Teschen-Duitsers. Doordat Teschen-Silezië in 1918 aan Polen toeviel en ze toen tot Polen genaturaliseerd werden, mochten ze na 1945 blijven. ‘Maar we hebben onze naam wel verpoolst’ zegt ze. Ik realiseer me plotseling dat de oude Wajsbard dat ook gedaan moet hebben: in correspondentie met Wenen noemde hij zich magister Marzell Weisbart. ‘Voel je je Pools?’ is de voor de hand liggende vraag uit onze groep aan Agnieszka. Ze glimlacht voorzichtig: ‘Ik voel me in Polen niet helemaal Pools, in Duitsland zeker niet Duits. Silezisch zou misschien de beste omschrijving zijn.’ Haar grote probleem in haar eigen kerk is dat deze geen vrouw in het ambt erkent. De volgende vraag, over de betrekkingen tussen haar familie en de joden in de Tweede Wereldoorlog, vindt ze pijnlijk: ‘Ik wéét het niet. Wat ik wéét is dat Luther in menig opzicht een antisemiet was en dat we in de relatie met het jodendom nieuwe wegen moeten zoeken.’ Het blijkt dat Agnieszka’s lutherse gemeente verbonden is met de gereformeerde kerk in het Drentse Roden. Er is zelfs een gezamenlijk leerhuisprogramma, waarin het werk van Drewermann gelezen wordt. Via Nederland zou Agnieszka graag meer aan de weet komen over theologische vrouwenstudies.
            Na de koffiepauze ontmoeten we een journalist van het blad Polityka. Zo voorzichtig als Agnieszka formuleert, zo extrovert en communicatief is Adam Szostkiewicz. Hij zou het in de westerse media uitstekend doen in een life uitgezonden televisieprogramma. Hij heeft een r.k. achtergrond, maar prefereert inmiddels het boeddhisme, zonder ermee te koop te lopen. Zijn karakterisering van het Poolse episcopaat sluit aan bij de beschrijving van Obirek: 50% komt van het platteland, 30% uit het stedelijk proletariaat, 20% uit intellectuele kringen. De echt trouwe kerkgangers vormen volgens hem een aanzienlijk geringer percentage dan wij in Krakau menen waar te nemen: slechts 30%. De kerk biedt volgens hem vooral een gemeenschapsgevoel, meer dan spiritualiteit. ‘We zijn culturele in plaats van religieuze katholieken geworden. Over sex beslissen de mensen zelf, wat de kerk ook zegt over een thema als abortus. Al moet de meerderheid niets van homo-organisaties hebben. De paus is the boss. We moeten niet vergeten dat hij ook vernieuwingen heft geïntroduceerd: met name de strijd tegen jodenhaat. Maar ook dat zegt niet alles: radio Maryja is en blijft reactionair, soms zelfs antisemitisch. Wat de overhand heeft zullen we zien zodra de paus sterft.’ Veel zal daarbij afhangen van de interactie met de Pools-Amerikanen. Dan plotseling een persoonlijk slot: het blijkt dat de vader van Szostkiewicz in een Duits concentratiekamp heeft gezeten. Een oom werd als krijgsgevangene door de Russen doodgeschoten in Katyn.
            De slotlezing wordt verzorgd door mw. Helena Datner van de joodse gemeente in Warschau. Volgens haar zijn er bemoedigende aanwijzingen dat deze gemeente zich begint te verjongen. Joods onderwijs aan de jeugd is beter en intensiever dan vroeger, mede door Amerikaanse inzet. In Wroclaw (Breslau) ontstaat zelfs weer een joodse-liberale richting, met gevoel voor de tradities van die plaats. Zelf noemt mevrouw Datner zich niet ‘hyper-religieus’, ze heeft een joods-seculiere achtergrond. Verdedigt dat ook: de orthodoxie van de Remu-synagoge in Krakau trekt volgens haar slechts een fractie aan van de Polen die joods zijn. Velen daarvan hebben hun identiteit na 1945 verborgen, zelfs nog bij de laatst gehouden census. Over zichzelf zegt ze: ‘I am a Polish woman with a strong Jewish consciousness.’ Haar vader was religious, haar moeder communist. Mw. Datner is de eerste die op een dergelijke wijze het na-oorlogse communisme aanroert. Haar vader wilde tijdens de anti-joodse hetze van 1968 naar Israël, haar moeder en zij wilden blijven en zetten dat ook door. Momenteel ziet ze het antisemitisme weer toenemen, soms in de vorm van een pro-Palestijns standpunt. Ze komt sterk maar ook kwetsbaar over, het onderwerp is voor haar duidelijk geen academische aangelegenheid zoals voor Dąbrowa. Net als Kapralski afgelopen zondag is ze speciaal voor ons helemaal uit Warschau gekomen.

 Vrijdag 24 oktober 2003

Inpakken in het Royal Hotel. Daarna zit Simon een bezinningsmoment voor in het Jewish Center. De theologische vragen, die hij geïnventariseerd had vanuit het groepsgesprek op de voorbereidingsbijeenkomst in Kampen, worden bij deze bij deze gelegenheid nog eens aan ons voorgelegd:

  1. Naar aanleiding van het boek van Jan Oegema, Een vreemd geluk. De publieke religie rond Auschwitz, Bussum 2003: is het gedenken van Auschwitz in Nederland tot een publieke religie geworden, waarin symbolen en rituelen van de christelijke godsdienst een rol spelen?
  2. Betekent een bezoek aan Auschwitz-Birkenau een ‘vreemd geluk’? Hoe valt te verklaren dat dit bezoek voor menigeen in onze groep een doorslaggevende reden is geweest om mee te gaan?
  3. Marquardt en anderen stellen dat de Shoa mede het resultaat is van een lange kerk- en theologiegeschiedenis. Welke uitdaging ligt er voor ons in de zoektocht naar een theologie en kerk zonder anti-judaïsme?
  4. Is betrokkenheid op het jodendom een bruikbaar criterium voor een ‘kosjere’ christelijke theologie? Wordt Auschwitz daardoor niet een nieuwe openbaringsbron?
  5. Is een vergelijking van Auschwitz en Golgotha acceptabel? Vgl. A. v.d. Beek, De kring om de Messias. Israël als volk van de lijdende Heer, Zoetermeer 2002.
  6. Welke rol spelen schuld en schaamte bij ons, in het Europa van na de Shoa?
  7. Hebben we begrip gekregen voor de gevoeligheden aan beide zijden in de pools-joodse discussie over dit thema?
  8. Is Auschwitz een mythe geworden, ontheven aan nuchter historisch onderzoek? Vgl. de Historikerstreit in Duitsland en het boek van Goldhagen, Hitler’s willing executioners.
  9. Heeft de Shoa ‘heiligen’ gecreëerd, zoals Maximilian Kolbe, Edith Stein, Etty Hillesum, Anne Frank en Titus Brandsma? Trachten volken en religies door middel van deze ‘heiligen’ het beeld van hun (passieve) houding in de oorlog bewust of onbewust te corrigeren?
  10. Wat betekent het besef dat Jezus in de 20e eeuw waarschijnlijk als jood vermoord zou zijn, voor onze christologie?
  11. Betekent Auschwitz wel of niet het einde van het geloof in een persoonlijke God? Zijn pogingen om een theodicee te formuleren tot een blasfemie geworden?

We praten over het ‘vreemd geluk’ (een uitdrukking van de existentialist Camus). Sommigen van ons menen dat we eerder met een ongeluk geconfronteerd zijn: namelijk dat we zelf ook beul hadden kunnen worden. Anderen sluiten aan bij Deselaers: geconfronteerd met Auschwitz moet er eerst stilte, zwijgen, reflectie zijn. Voor een gesprek daarover is het misschien te vroeg. Nog weer anderen worstelen met een juridisch dilemma: de gewenste vergeving en de na zoveel misdaden noodzakelijke straf. Het blijkt dat ook in families van deelnemers indringende oorlogsverhalen voorkomen. Al met al zijn de reacties betrokken maar voorzichtig, we willen ons niet overhaasten, niet met grote woorden komen. Eerst zwijgen. Als Deselaers ons had kunnen zien, zou hij instemmend geglimlachd hebben.
      Daarna wordt het programma geëvalueerd samen met Robert. Op slechts enkele detailpunten na (maak het niet te overladen!) zijn de reacties zeer positief. De organisatie was voortreffelijk, de gedachtewisseling met de verschillende sprekers was buitengewoon stimulerend. Robert zegt te hopen dat de gelegde contacten zullen blijven bestaan.
      Wat volgt is een laatste ommetje door de stad. Twee zuster clarissen (siostry klaryski) zingen een duet in hun kerk, van hun bezoekers gescheiden door een smeedijzeren hek. Om half vier vertrek naar het station, langs een vegetarisch restaurant dat we al die tijd niet hebben weten te ontdekken. Langs het vroegere communistische partijgebouw en het vroegere Sovjetconsulaat. Zouden ze echt door een tunnel verbonden zijn geweest? De trein vertrekt om 16.45, de ondergaande zon tegemoet. Morgen zullen we even na het middaguur in Arnhem zijn, maar dat voelt nu nog heel ver weg.

Kampen 4 november 2003,

Gert van Klinken