1996-1997

Onopgeefbaar verbonden?


Over de huidige stand van zaken in de verhouding jodendom-christendom

In de concept-kerkorde van de VPKN-in-oprichting staat in art.1,7: "De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël...". Waar haalt de kerk het recht en de moed vandaan om tegen de evidentie van 1900 jaar kerkgeschiedenis zonder meer uit te gaan van deze verbondenheid? Het grootste deel van haar geschiedenis getuigt immers van het opgeven van die verbondenheid.
Hoe reageert de joodse gemeenschap op dit nieuwe kerkelijke uitgangspunt? Is er onder joden belangstelling voor het joods-christelijk gesprek? Zou er zoiets denkbaar kunnen zijn als een `joodse theologie van het christendom'? Zijn joden niet terecht argwanend over de motieven van goedbedoelende christenen in de dialoog? Op twee van de onderstaande data zullen joodse gesprekspartners op deze en andere vragen ingaan.
Er is nog maar een heel klein begin gemaakt met het nadenken over een `christelijke theologie van het jodendom'. Kan er in de christelijke visie op het joodse volk al gesproken worden van een theologische omkeer na Auschwitz? Enkele theologen aan christelijke zijde verrichten pionierswerk op dit gebied.  Gedacht kan worden aan het boek van Darrell Fasching, Vreemde­ling na Auschwitz, Een nieuwe narratieve inzet in de christelijke ethiek, Zoetermeer 1995. Maar vooral de Duitse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt is in een aantal dogmatische studies een eenzame tocht begonnen in een poging de joodse vragen serieus te nemen. Tot dusver zijn vijf delen van zijn dogmatiek verschenen: één deel prologomena, twee delen over de christologie, twee delen over de eschatologie (1988; 1990 en 1991; 1993 en 1994). Het eerste deel (de prologomena) draagt de treffende titel: Von Elend und Heimsuchung der Theologie, (München 1988). Wij willen een voorzichtige poging wagen om zijn denkweg te verkennen.

docent              : prof.dr.S.Schoon.
plaats              : één serie van vier maandagen in Kampen en één serie van vier  dinsda­gen in Bussum
data                 : (de maandagen 7 oktober, 18 november, 20 januari en 17 februari in Kampen);
  de dinsdagen 24 september, 5 november, 28 januari en 4 maart  in de Wilhelminakerk in Bussum.
gastsprekers    : op 5 november Mevr.Prof.dr.J.Frishman, op 28 januari
                (gevraagd) Rabbijn M.ten Brink en op 4 maart Dr.M.Poorthuis.
aanmelding     : via THUK. Bij opgave vermelden Kampen of Bussum.
tijd                  : 10.30 - 15.30 uur

 

PAO 1997-1998,
tevens specialisatiecollege:

THUK

Joodse vragen aan het christendom

In 1934 schreef K.H.Miskotte al in 'Het jodendom als vraag aan de kerk': "Israël vraagt. Dat blijft het meest kenmerkende van zijn geestesleven, ook in de talmudische periode...Israël vraagt, omdat 't leven opvat als daad, als daad in een open werkelijkheid". 
Nog steeds is het van groot belang die joodse vragen te horen. De vragen van Martin Buber in 1933 aan Karl Ludwig Schmidt, de vragen van Levinas aan het christendom, maar ook recente­re vragen zoals die van de rabbijnen Rodrigues Pereira en Van Voolen in 1986  aan de Gere­formeerde Synode en de vragen van rabbijn David Lilienthal aan ds.Nico ter Linden in 1996.  Joodse vragen bezorgen de christelijke theologie steeds opnieuw een geduchte portie intern huiswerk. Te lang heeft de theologie dat huiswerk laten liggen.
Een paar joodse inleiders hebben toegezegd hun vragen aan ons te zullen voorleggen. We willen open laten waarheen die vragen ons zullen leiden. Maar er is geen helderziendheid voor nodig om te kunnen vermoeden, dat die vragen een uitdaging zullen bevatten aan onze christo­logische opvattingen. We hopen daarom ook de lezing en doordenking van de christologische reflectie van Friedrich-Wilhelm Marquardt te kunnen voortzetten. Na de Prologomena zal de aandacht nu uitgaan naar zijn delen over de christologie: Das christliche Bekenntnis zu Jesus, dem Juden, Eine Christologie, Band 1 en 2, München 1990 en 1991.

docent:          prof.dr.S.Schoon
gastsprekers:   rabbijn dr.Tswi Marx, voorheen verbonden aan Shalom Hartman Institute                        for Judaic Studies in Jeruzalem,
en mevr.prof.dr.J.Frishman, bijzonder hoogleraar 'geschiedenis van de verhou ding jodendom - christendom' te Leiden,
data:                de maandagen  6 oktober en 17 november 1997, 9 februari en 9 maart 1998
tijd:                 10.45 - 15.30 uur
    

PROGRAMMA PAO-groep en specialisatie-college, 1997-1998
Verhouding Jodendom – Christendom,  Kampen

1. Maandag 6 oktober 1997, 10.45 - 15.30 uur
Morgen:
 - Kennismaking, verkenning van thema
- Inleiding S.Schoon:
Een paar voorbeelden van joodse kritiek en vragen:
* Nizzachon Vetus,  een anoniem joods geschrift uit het einde van de 13e eeuw
* 1933: Dialoog Martin Buber en Karl Ludwig Schmidt
(bijgevoegd tekst in Nederlandse vertaling van laatste repliek van Martin Buber) 
* K.H. Miskotte: 'Het jodendom als vraag aan de kerk' (1934), in een door hemzelf bijgewerkte versie uit 1970                                     
(tekst bijgevoegd)
 
Middag:
- Inleiding in het denken van F.-W. Marquardt, met name van zijn twee delen christologie.
- Bespreking.

2. Maandag 17 november 1997
Morgen:
- Prof. dr. J. Frishman, Leiden, over 'Joodse vragen aan het christendom'.

Middag:
- Polemische vragen van Emmanuel Levinas aan het christendom,
n.a.v. Marcel Poorthuis, Het gelaat van de messias. Messiaanse Talmoedlezingen van Emma­nuel Levinas, Folkertsma Stichting voor Talmudica, Hilversum 1992.
- Bespreking tekst van Marquardt uit deel II Christologie: S. 21-32 over "Die an Jesus und die von Jesus gestellte Frage der Christologie" .

3. Maandag 9 februari 1998
Morgen:
- Rabbijn dr. Tswi Marx over 'Joodse vragen aan het christendom'.

Middag:
- F.-W. Marquardt, Das christliche Bekenntnis zu Jesus, dem Juden, Eine Christologie, Band 2, München 1991, waarschijnlijk S. 383-390 over "Warten auf Jesus" .

4. Maandag 9 maart 1998
Evaluatie. 

PAO 1998-1999

Joodse hoop en christelijke hoop

'Was dürften wir hoffen, wenn wir hoffen dürften?' - zo luidt de titel van drie banden over eschatologie van de Duitse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt. Band 1 (Gütersloh 1993) heeft als inzet de intrigerende vraag: Valt er na Auschwitz nog iets te hopen en is die hoop dan misschien te vinden in de ontmoeting met het concrete jodendom? Met hulp van joodse inlei­ders én aan de hand van teksten van Marquardt willen we deze thematiek verkennen: Kan de kerk van Israël leren wat 'hoop' inhoudt? Het is te verwachten dat vanuit deze invalshoek vele theologische vragen in het vizier komen, zoals de volgende: Wat zijn de verschillen en over­eenkomsten tussen de joodse hoop en de christelijke hoop? Is de komst van de/een messias wezenlijk voor de joodse hoop? Betekent zo'n messias het einde/de voleinding van de geschie­denis of bewerkstelligt zijn komst 'alleen' een verandering van de geschiedenis? Leidt messiaans heimwee onherroepelijk tot ongeduld en geweld zowel bij joden als christenen? Zouden christenen kunnen leren van het jodendom om kleine (halachische) stappen te nemen in de richting van een wereld van vrede en gerechtigheid of worden ze steeds weer onvermijdelijk meegesleept door grootse en daarom gevaarlijke visioenen? Zouden de Noachidische geboden een concrete joodse code voor niet-joden - en daarom een baken van hoop - kunnen zijn?

leiding                      : prof.dr. S. Schoon
data                          : de maandagen 12 oktober en 30 november 1998, 8 februari en 8 maart                                    1999.
twee gastsprekers     : op 30 nov. rabbijn dr. Tswi Marx en op 8 febr. dr. Marcus van Loopik. tijd                           : 10.45 - 15.30 uur.

PAO 1999-2000
tevens specialisatiecollege

Het einde is het einde niet

Aan het einde van een millennium houden apocalyptische vragen naar het mogelijke einde van de geschiedenis velen in de ban. Het jodendom leeft - naar een dichtregel van Geert Boogaard - uit het geheim: "Het einde is het einde niet". Op 1 januari 2000 bevindt het joodse volk zich 'gewoon' in het jaar 5760. Het kan theologisch spannend worden om de door de millennium-wending opgeroepen vragen te toetsen aan het denkwerk van Friedrich-Wilhelm Marquardt, met name in zijn: Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 2, Gütersloh 1994. Voor hem is eschatologie niet 'de leer van de laatste dingen', maar het zoeken naar de grond van onze hoop, in een levende verhouding tot het joodse volk. We gaan dan ook in gesprek met joodse dialoogpartners over apocalyptiek en messianisme zowel in de joodse als in de christelijke traditie. Met hulp van hun kritische inbreng én aan de hand van teksten van Marquardt willen we de vragen verkennen rond uiteenlopende eschatologische thema's, zoals 'toekomst en dood', 'tekenen der tijden en chiliasme', 'landbelofte voor Israël en Palestijnse bevrijdingstheologie'.   

leiding                      : prof.dr. S.Schoon
data                          : de maandagen 4 oktober en 15 november 1999,
  7 februari en 6 maart 2000.
gastsprekers              : op 15 november rabbijn dr. Tswi Marx en
  op 7 februari dr. Marcus van Loopik
tijd                            : 10.45 - 15.30 uur

PROGRAMMA
PAO 1999 - 2000
en keuzecollege (blz. 118 studiegids)

Het einde is het einde niet
Aan het einde van een millennium houden apocalyptische vragen naar het mogelijke einde van de geschiedenis velen in de ban. Het jodendom leeft - naar een dichtregel van Geert Boogaard - uit het geheim: "Het einde is het einde niet". Op 1 januari 2000 bevindt het joodse volk zich 'gewoon' in het jaar 5760. Het kan theologisch spannend worden om de door de millennium-wending opgeroepen vragen te toetsen aan het denkwerk van Friedrich-Wilhelm Marquardt, met name in zijn: Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 2, Gütersloh 1994. Voor hem is eschatologie niet 'de leer van de laatste dingen', maar het zoeken naar de grond van onze hoop, in een levende verhouding tot het joodse volk. We gaan dan ook in gesprek met joodse dialoogpartners over apocalyptiek en messianisme zowel in de joodse als in de christelijke traditie. Met hulp van hun kritische inbreng én aan de hand van teksten van Marquardt willen we de vragen verkennen rond uiteenlopende eschatologische thema's, zoals 'toekomst en dood', 'tekenen der tijden en chiliasme', 'landbelofte voor Israël en Palestijnse bevrijdingstheologie'.   

1. Maandag 4 oktober 1999
- Opening met gedicht van Geert Boogaard,
waarin dichtregel: 'Het einde is het einde niet'.
- Kennismaking
- Eerste ronde: Wat zijn onze associaties bij de term 'tekenen der tijden'?
- Korte inleiding in het denken van Friedrich-Wilhelm Marquardt
- F.-W. Marquardt, Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band    2, Gütersloh 1994: Vorwort, S. 15-16; Einleiting, S. 17-29; Ekklesiologische Vorbemer kung, S. 155-164.
 
2. Maandag 15 november 1999
- Morgen: Rabbijn dr. Tswi Marx over "Messiaanse en apocalyptische visies in het jodendom     op het land Israël".
- Middag: Naar aanleiding van Marquardt, Eschatologie, Band 2,
Wegbereitung und Wehen II, Der Unruheherd Israel, S. 177-285.
Kopieën worden gestuurd van S. 266-285: Die fragliche Wahrheit der biblischen Land    theologie.

3. Maandag 7 februari 2000
- Morgen: Dr. Marcus van Loopik over "Individuele dood en opstanding in de joodse traditie".
- Middag: Naar aanleiding van Marquardt, Eschatologie, Band 2,
§4. Zukunft und Tod, S. 30-132.
Kopieën worden gestuurd van S. 105-132.

4. Maandag 6 maart 2000
- Hoofdlijn van Marquardts gang door het boek Handelingen:
S. 286-371: Wegbereitung und Wehen III: Der Unruheherd Kirche.
- Aan de hand van kopieën bespreking van Wegbereitung und Wehen IV: das Reich für Israel     (S. 372-392): Jezus - 'Goël' voor Israël; staat Israël en 'dagen van de messias'; duizendjarig vredesrijk.

 

PAO 2000-2001

Theologische consequenties van een nieuwe verhouding kerk-Israël

Is er grond voor de hoop dat in de 21e eeuw een totaal nieuwe verhouding tussen de kerk en het volk Israël gestalte zal krijgen? Heeft argwaan aan joodse zijde, gegroeid in een lange en bittere geschiedenis, reeds plaatsgemaakt voor vertrouwen? En worden aan christelijke zijde de theologische consequenties van een totaal andere verhouding met het volk Israël onder ogen gezien? Wat vervangt bijvoorbeeld in de verhouding kerk-Israël de eeuwenoude vervangings­leer? Gestimuleerd door het denkwerk van Friedrich-Wilhelm Marquardt willen we deze vragen verkennen. Enkele keren zullen joodse inleiders worden uitgenodigd om ons te helpen onze vragen scherper te formuleren en tevens om een wederkerige dialoog op gang te brengen.      Dit seizoen nemen we het derde deel van Marquardts eschatologie als uitgangspunt: Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften?, Gütersloh 1996. De theologische drang tot het volledig kennen van de waarheid moet volgens Marquardt worden opgeschort. Pas in het kader van de eschatologie gaat hij spreken over het gericht als levenscrisis, het gericht waarbij God op tegenspraak wacht, maar ook over het eeuwige Zoonschap van Jezus, over de triniteit als heidenchristelijke spreekwijze over God en over de werkelijkheid van de de opwekking van de  doden. Op uitdagende en originele wijze wordt de christelijke identiteit eschatologisch in de waagschaal gesteld. Ook de beantwoording van de vraag of Jezus de messias en de mensen­zoon is, moet volgens Marquardt worden uitgesteld tot het eschaton. Want na Auschwitz staan alle christelijke zekerheden onder eschatologisch voorbehoud: 'zo God wil en Hij leeft'.

leiding:            prof.dr. S.Schoon
data:                de maandagen 2 oktober en 20 november 2000, 5 februari en 12 maart 2001.
gastsprekers:   op 20 nov. rabbijn dr. Tswi Marx; op 5 febr. dr. Marcus van Loopik.
tijd:                 10.45 uur - 15.30 uur.

 

PAO 2000-2001
Kerk en Israël
tevens keuzecollege (zie blz. 132-133 Studiegids)

Aankondiging in PAO-brochure:
Theologische consequenties van een nieuwe verhouding kerk-Israël

Is er grond voor de hoop dat in de 21e eeuw een totaal nieuwe verhouding tussen de kerk en het volk Israël gestalte zal krijgen? Heeft argwaan aan joodse zijde, gegroeid in een lange en bittere geschiedenis, reeds plaatsgemaakt voor vertrouwen? En worden aan christelijke zijde de theologische consequenties van een totaal andere verhouding met het volk Israël onder ogen gezien? Wat vervangt bijvoorbeeld in de verhouding kerk-Israël de eeuwenoude vervangings­leer? Gestimuleerd door het denkwerk van Friedrich-Wilhelm Marquardt willen we deze vragen verkennen. Enkele keren zullen joodse inleiders worden uitgenodigd om ons te helpen onze vragen scherper te formuleren en tevens om een wederkerige dialoog op gang te brengen.      Dit seizoen nemen we het derde deel van Marquardts eschatologie als uitgangspunt: Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften?, Gütersloh 1996. De theologische drang tot het volledig kennen van de waarheid moet volgens Marquardt worden opgeschort. Pas in het kader van de eschatologie gaat hij spreken over het gericht als levenscrisis, het gericht waarbij God op tegenspraak wacht, maar ook over het eeuwige Zoonschap van Jezus, over de triniteit als heidenchristelijke spreekwijze over God en over de werkelijkheid van de de opwekking van de  doden. Op uitdagende en originele wijze wordt de christelijke identiteit eschatologisch in de waagschaal gesteld. Ook de beantwoording van de vraag of Jezus de messias en de mensen­zoon is, moet volgens Marquardt worden uitgesteld tot het eschaton. Want na Auschwitz staan alle christelijke zekerheden onder eschatologisch voorbehoud: 'zo God wil en Hij leeft'.
Data: de maandagen 2 oktober en 20 november 2000, 5 februari en 12 maart 2001, telkens van 10.45 uur - 15.30 uur.
Plaats: Theologische Universiteit, Koornmarkt 1, Kampen.

Indeling van de studiedagen:

1. Maandag 2 oktober 2000
- Opening en kennismaking
- Eerste gespreksronde: Kunnen we aan het begin van de 21e eeuw spreken over een nieuwe verhouding tussen de kerk en het volk Israël? Is er - terugblikkend en vooruitblikkend - iets meer te zeggen dan het weergeven van een momentopname? Wat zijn onze eigen ervaringen?
- Korte gang - als herhalingsoefening - door het denkwerk van Friedrich-Wilhelm Marquardt (Prologomena tot en met Eschatologie, Band 2).
- Beginvragen n.a.v. Marquardt, Eschatologie, Band 3: Wat zijn voor ons de belangrijkste theologische consequenties vanuit de vernieuwde ontmoeting met het volk Israël? Spreken we anders over God? Is onze christologie wezenlijk veranderd?
- Methodische vraag over de opzet van de komende PAO-studiedagen: Zou het mogelijk zijn op grond van de (ruim op tijd) toegezonden kopieën van Marquardt, Eschatologie Band 3, tevoren reeds enkele vragen te formuleren, die dan mede richting zouden kunnen geven aan de diskussie?
- Bespreking van Eschatologie, Band 3, Teil 3 Was dürfen wir hoffen?, § 6 Vom Kommen Jesu und dem Entgegenkommen der Toten und Lebenden, S. 19-163, met name  (toegezonden kopieën):
* S. 51-56, over het komen van Jezus ten gericht.
* S. 103-109, over de verhouding Jezus - de Mensenzoon.
* S. 144-163, over Weite und Wirklichkeit der Erweckung.

 2. Maandag 20 november 2000
- Morgen: Rabbijn dr. Tswi Marx: "Hoe kunnen we spreken over God?"
- Middag: Naar aanleiding van Marquardt, Eschatologie, Band 3, § 7A1, Het gericht als Lebenskrise en de rechtvaardiging van God, S. 164-212,  met name over (toe te zenden kopieën):
* S. 164-166 Vorsätze.
* S. 194-212.
Vragen o.a.:    - Heeft God in het gericht de rechtvaardiging van de mens nodig?
- Is God nog onderweg in de geschiedenis naar Zichzelf, naar de volledige                      eenheid van zijn eigenschappen en namen?                 
- Wat betekent dit voor de christelijke leer van de triniteit?

 3. Maandag 5 februari 2001
- Naar aanleiding van Marquardt, Eschatologie, Band 3, § 7A2-4, S. 236-371.
Toegezonden worden:
* S. 307-316 over Jom Kippoer, sjofar en gericht.
* S. 322-331 "Jesus tritt herein".
Wordt Jezus als 'eschatologische kracht' evident in het gericht als 'de eeuwige Zoon van de Vader'? Of is dit een verhulde vorm van christelijk eschatologisch triomfalisme?
* S. 361-371: Is er verwerping door God in het gericht? Kunnen mensen voorgoed beiseite gestellt worden?
[Misschien nog: * S. 424-446 Dort-Sein, o.a. over God als Makom.]

 
4. Maandag 12 maart 2001
- Morgen: Dr. Marcus van Loopik, waarschijnlijk over: "Jom Kippoer: de mens voor het gericht van God".
- Middag: Bespreking van Marquardt, Eschatologie, Band 3, § 7B, S. 372-528, over 'Freies Dort-Sein (de vita aeterna)'.
- Kopieën van:
* S. 468-488 Gemeinschaft der Heiligen, over de verhouding Israël - kerk - mensheid. Hopen we op 'het einde' of op de 'apotheose' van de kerk? Dit brengt ons terug bij de beginvraag van 2 oktober 2000: Wat zijn de theologische consequenties van een vernieuwde verhouding tussen de kerk en het volk Israël?
- Evaluatie.

PAO 2001-2002
Het christendom door joodse ogen

Vaak wordt gevraagd, soms met enig ongeduld, of en hoe er van joodse zijde gereageerd wordt op de grote veranderingen, die bij kerken en christenen in de laatste decennia hebben plaatsgevonden op het gebied van de verhouding jodendom-christendom. Het is natuurlijk de vraag of die veranderingen wel zo diepgaand en blijvend zijn, maar niet ontkend kan worden dat er inderdaad vele gezaghebbende uitspraken aan christelijke zijde zijn gedaan over joden en joden­dom. Nu is er onlangs ook een 'Een joodse verklaring over christenen en christen­dom' verschenen, ondertekend door meer dan 150 rabbijnen en joodse geleerden uit de Verenigde Staten, Canada, Engeland en Israël. De verklaring heet 'Dabru Emet' ('Spreek de waarheid', naar Zacharia 8: 16) en werd in september 2000 gepubliceerd in de New York Times en de Baltimore Sun
Dit seizoen willen we de Marquardt-serie onderbreken en deze belangrijke recen­te verklaring als uitgangspunt nemen voor onze reflectie en dialoog. Er is inmid­dels ook een wetenschappelijke publicatie verschenen van joodse zijde over deze verklaring, met reacties van christelijke zijde: Tikva Frymer-Kensky, Michael Signer e.a. (eds.), Christianity in Jewish Terms, Westview Press, Colora­do/London 2000. Gestimuleerd door het gesprek met enkele joodse inleiders willen we achtereenvolgens uit dit boek de thema's 'God', 'de Schriften', 'de Gebo­den' en 'Israël' bespreken. Enkele joodse auteurs van het genoemde boek zijn: Irving Greenberg, David Novak en Leora Batnitzky. Respondenten aan christelij­ke zijde zijn o.a. David Tracy, Stanley Hauerwas en George Lindbeck. De in deze publicatie gevoerde dialogen zijn theologisch uitdagend en grensverleggend. 

leiding:            prof.dr. S.Schoon
data:                         de maandagen 8 oktober en 26 november 2001, 4 februari en 4                               maart 2002.
gastsprekers:   op 26 nov. rabbijn dr. Tswi Marx; op 4 febr. dr. Marcus van                            Loopik.
tijd:                           10.45 uur - 15.30 uur.

PAO-studiedag 4 maart 2002

Thema: ISRAEL
Hoofdstuk 7, in: T. Frymer-Kensky e.a., Christianity in Jewish Terms, Colorado/Oxford 2000, 141-174.

Enkele vragen(om na de laatste evaluatie enigszins ‘aan te tonen’ dat er nog vele theologische haken en ogen zijn):
1. Spreekt het ‘zoekontwerp’ van Irving Greenberg ons aan? Is dat te typeren als ‘God  werkt van klein naar groot’, van ‘particulier naar universeel’? Is de ‘werkwijze’ van “covenanting with smaller groupings of humanity” (p. 144) Gods weg naar universaliteit? Is die weg van God met Israël exclusief als avant garde of veel meer paradigmatisch voor zijn omgang met andere volken en groepen?
2. Citaat p. 147: “The promise implies that the soul of Abraham’s children is bound to this land in a special way and that the land is uniquely responsive to them”. Is dit geen pure ‘bloed en bodem-theologie?
Zien wij kans om deze zin te verdedigen tegenover Palestijnse christenen en bevrijdingstheologen?
3. Kan een zin als “the family of Abraham is elected to be the pacesetters for humanity” (p. 144) zich niet keren tegen het joodse volk en tegen de staat Israël? Geldt met name voor het volk Israël de roeping om “a coworker for redemption” (p. 148) te zijn?
4. Naar aanleiding van p. 150: Is het christelijk geloof op geen enkele wijze bestemd voor joden? Zijn de enkele honderdduizenden messiasbelijdende joden vandaag een ‘vergissing’?
5. Hoe reageren wij op wat Greenberg verwoordt op p. 151: Het verbond van God met de christelijke gemeenschap is ontsproten aan een “activating signal: an empty tomb”. Is het voor ons ook irrelevant of dat signaal na drie dagen is begrepen of na dertig jaar?

6. Over ‘verbond na de Sjoa’ (p. 155): Greenberg schetst jodendom en christendom als complementair. Is dat niet te romantisch, te mooi om waar te zijn?
 
7. Op p. 156 noemt Greenberg  Jezus ‘a failed messiah’. Is dat voor ons een aanvaardbare aanduiding? Wil de orthodox-christelijke verwachting van de wederkomst van Christus zo ongeveer dezelfde gedachte tot uitdrukking brengen?

8. Naar aanleiding van de bijdrage van Sandmel, pp. 169-167: Zijn door christenen de theologische consequenties doordacht van de veranderde opvatting, die door vele kerken en christenen is aanvaard, dat de kerk niet in plaats van Israël gekomen is en ook niet Israël is? Wat is de kerk dan eigenlijk wel? Een ecclesiologisch vacuüm? ‘Ingelijfd’bij Israël zonder Israël te zijn?

9. Naar aanleiding van de bijdrage van Soulen, pp. 167-174:  Hij zet een vraagteken bij de stelling van Greenberg, dat de kerk weliswaar joods begonnen is maar uiteindelijk naar Gods bedoeling puur ‘Gentile’ moest worden. Is de kerk principieel ‘alleen voor heidenen’?

10. Theologisch zeer intrigerend acht ik deze zin van Soulen: “If Jesus inaugurates a new creation by his victory over death, then again he does so for all”(p. 169). Soulen bedoelt: dus ook voor joden. Is dit christelijk triomfalisme of een onontkoombare consequentie van het paasevangelie?

11. De joodse denker Michael Wyschogrod schreef een bijzonder boek over ‘carnal Israel’, dat Soulen enkele malen citeert. Is bij deze joodse visie van Gods verkiezing van ‘het vlees’ van Israël het gevaar van joods superioriteitsgevoel niet levensgroot aanwezig? Manifesteert zich dat bijvoorbeeld vandaag niet sterk in de zogenaamde de Groot-Israël-visie, zoals die door het merendeel van de huidige Israëlische regering én door ‘Christenen voor Israël’ wordt aangehangen? Zouden wij daartegen niet openlijker stelling moeten nemen en maakt zwijgen uit gemakzucht of schuldbesef niet medeplichtig?

12. Kunnen we het woord ‘verbond’ met Friedrich-Wilhelm Marquardt ook als ‘beloftewoord’ voor christenen  verstaan? En dan onder de voorwaarden die Marquardt opsomt?
Zie: F.-W. Marquardt, ‘Entwurf zu einer christlichen Theologie des Bundes’, in: M. Stöhr (Hg.), Lernen in Jerusalem – Lernen Israel. Anstösse zur Erneuerung in Theologie und Kirche, VIKJ Band 20, Berlin 1993, 93-109.                                                                                 

PAO 2001-2002

Christendom door joodse ogen

In het jaar 2000 is ‘A Jewish Statement on Christians and Christianity’ verschenen, inmiddels ondertekend door meer dan 200 rabbijnen en joodse geleerden uit de Verenigde Staten, Canada, Engeland en Israël. Deze verklaring is bedoeld als een antwoord van joodse zijde op de vele officiële, kerkelijke uitspraken in de afgelopen decennia, die blijk hebben gegeven van veranderde opvattingen in de christelijke wereld over joden en jodendom. Onder de naam 'Dabru Emet' ('Spreek de waarheid') werd de verklaring in september 2000 gepubliceerd in de New York Times en de Baltimore Sun. Sindsdien is er zowel in de joodse als christelijke gemeenschap een levendige discussie door ontketend. Er is tevens naar aanleiding van de verklaring een wetenschappelijke studie gepubliceerd, met bijdragen van joodse auteurs en responsen van christelijke zijde: Tikva Frymer-Kensky, David Novak, Peter Ochs, David F. Sandmel, Michael Signer (eds.), Christianity in Jewish Terms, Westview Press, Colora­do/London 2000.
     Voor christenen is het een nieuwe ervaring om te ontdekken hoe joodse geleerden binnen hun eigen traditie ruimte proberen te ontdekken of te creëren voor typisch christelijke begrippen als ‘incarnatie’en ‘verlossing’. Binnen de joodse gemeenschap heeft deze publicatie een nieuwe impuls gegeven aan de discussie over de vraag, of er reeds gesproken kan worden van een fundamentele en definitieve wijziging in christelijke opvattingen ten aanzien van joden, jodendom en Israël.
     In dit seizoen willen we een aantal onderwerpen uit deze baanbrekende publicatie bestuderen. De keuze is gevallen op vier voor de dialoog uitdagende en controversiële thema’s: Liturgie/Eredienst, Lijden, Incarnatie (‘Embodiment’) en Verlossing. Kopieën van de desbetreffende hoofdstukken uit het bovengenoemde boek zullen aan de deelnemers beschikbaar worden gesteld. Nog meer dan in het voorgaande jaar willen wij de thematiek bespreken in een levende dialoog met joodse gesprekspartners. Tevens zal getracht worden het eigen theologisch huiswerk op te pakken door genoemde thema’s in verbinding te brengen met het denken van Friedrich Wilhelm Marquardt over Umkehr in de verhouding van de kerk tot het volk Israël. 

Leiding:                    prof.dr. Simon Schoon
Data:                        vier maandagen: 7 oktober en 25 november 2002, 3 februari en 10                                   maart 2003
Gastsprekers:            op 7 oktober drs. René Süss, op 25 nov. rabbijn dr. Tswi Marx, en op 3 februari dr. Marcus van Loopik.
tijd:                           10.45 uur - 15.30 uur.

 

Eerste – langere – ontwerp:
 
2003-2004

Een theologische utopie

 In 2002 overleed de Duitse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt. Het ingaan op de uitdaging van zijn theologie ligt nog voor ons. De titel van het laatste deel van zijn dogmatiek luidt: Eia wärn wir da – eine theologische Utopie (Gütersloh 1997). Dit boek is een uniek experiment in de geschiedenis van de theologie. Marquardt spreekt over God en de toekomst niet meer onder het gezichtspunt van de tijd maar onder dat van de ruimte. Het bijbelse utopie-denken is voor hem geen idee, maar historisch en revolutionair-politiek van inhoud. Het verwijst naar de plaats waarvoor geen plaats is, en zo naar God voor wie geen plaats is in de wereld. Het komt tot uiting in het verhaal van Jezus, voor wie ‘geen plaats was in de herberg’. En het heeft alles te maken met het volk van de joden waarvoor nooit echt plaats was in de wereld, het volk dat vandaag verwikkeld is in een dodelijk conflict met het Palestijnse volk om één en dezelfde plek in het Midden-Oosten.
Tegenover de waarheidsaanspraken van de kerk stelt Marquardt de roeping van christenen om een hoger doel te bereiken, dat in de bijbel tot uitdrukking gebracht is in utopische beelden als die van de tuin van het paradijs, van Jeruzalem, en van de nieuwe stad. Uiteindelijk blijkt voor hem de allesbeheersende vraag te zijn: Is God een utopische ruimte? Aan het eind van zijn dogmatiek ontwikkelt Marquardt zijn Godsleer en zijn visie op de triniteit, waarbij hij voortdurend in gesprek blijft met de joodse geleerden Yeshajahoe  Leibowitz en Emanuel Levinas.
Ook de tegenspraak die Marquardt in theologenland oproept, zal ter sprake moeten komen, zoals die bijvoorbeeld verwoord is in het boek van A.v.d. Beek, De kring om de messias. Israël als volk van de lijdende Heer, Zoetermeer 2002. Van de Beek denkt vanuit het definitieve ‘einde’, dat reeds bereikt is in het kruis van Christus, een uitgangspunt dat diametraal staat tegenover dat van Marquardt. In deze serie studiedagen zullen we opnieuw in gesprek gaan met joodse dialoogpartners. Voor Marquardt zouden deze thema’s immers niet anders aan de orde kunnen komen dan in een levende dialoog met joden.    

Leiding: prof.dr. Simon Schoon, bijzonder hoogleraar inzake de verhouding Jodendom-Christendom
Data    : vier maandagen: 6 oktober en 24 november 2003, 2 februari en 15 maart 2004
Gastsprekers: ……
Tijd     : 10.45 – 15.30 uur

Definitief:

PAO 2003-2004

Een theologische utopie

Heeft God te maken met een bepaalde plek grond, met een concreet land? Is over God en de toekomst te spreken onder het gezichtspunt van ruimte in plaats van tijd? Is God zelf misschien utopische ruimte? Deze uitdagende vragen staan centraal in het laatste boek van de in 2002 overleden Duitse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt, onder de titel: Eia wärn wir da – eine theologische Utopie (Gütersloh 1997). Het bijbelse utopie-denken is voor hem geen idee, maar een historisch en revolutionair-politiek program. 
Tegenover de waarheidsaanspraken van de kerk stelt Marquardt de roeping van christenen om op weg te gaan naar een plaats, die in de bijbel wordt aangeduid met utopische beelden, zoals het paradijs, Jeruzalem, en de nieuwe stad. Helemaal aan het eind van zijn dogmatiek ontwikkelt hij zijn Godsleer en zijn visie op de Triniteit, waarbij hij voortdurend in gesprek blijft met twee joodse geleerden, Yeshajahoe  Leibowitz en Emanuel Levinas.
Marquardt heeft ook felle tegenspraak opgeroepen, in Nederland verwoord in het boek van A.v.d. Beek, De kring om de messias. Israël als volk van de lijdende Heer, Zoetermeer 2002. Van de Beek denkt, in tegenstelling tot Marquardt, vanuit het definitieve ‘einde’ dat reeds is bereikt in het kruis van Christus. In deze serie studiedagen zullen we over deze beide boeken een levendige dialoog aangaan met joodse gesprekspartners.

Leiding: prof.dr. Simon Schoon, bijzonder hoogleraar Verhouding Jodendom-Christendom
Data    : vier maandagen: 6 oktober en 24 november 2003, 19 januari en 16 februari 2004
Gastsprekers: O.a. 24 november rabbijn dr. Tsvi Marx; op 19 januari dr. Marcus van Loopik.
Op 16 febr is dr. Henk Vreekamp gastspreker.
Tijd     : 10.45 – 15.30 uur
Kosten            : 100,- €

 

Studiedag 2 februari 2003
Thema: Embodiment and Incarnation

Vragen

1. Herkennen we bij onszelf of anderen in de dialoog de behoefte aan harmonisering en het verkleinen van verschillen tussen jodendom en christendom, zoals Jon Levenson die meent waar te nemen in A Jewish Statement on Christians and Christianity?

2. Naar aanleiding van de artikelen van Wolfson en Rashkover:
Voelen we ons door joodse gesprekspartners in de dialoog vaak niet tegen onze zin gedrongen in de richting van een identificatie met orthodoxe en traditioneel-dogmatische voorstellingen inzake incarnatie en triniteit, voorstellingen die we soms al lang achter ons hebben gelaten?
Of zou de joods-christelijke dialoog juist een dergelijke identificatie vergen met de hoofdstromingen en centrale leerstellingen van de eigen groep? En zou alleen deze identificatie een weg kunnen banen naar een mogelijke vernieuwing van de christelijke identiteit?

3. Hoe verstaan wij het antropomorfe spreken van de bijbel over God? Leidt het verstaan van dit spreken als louter metaforisch niet onherroepelijk tot het uiteindelijk loslaten van de voorstelling van het Persoon-zijn of tenminste persoonachtig-zijn van God?

4. Hoe is het ‘Woord vlees geworden’ in de existentie van het volk Israël (vgl. Michael Wyschogrod, The Body of Faith)?
Wat zou dit moeten/kunnen betekenen voor onze houding vandaag jegens het volk Israël, de Staat Israël en de Israëlische politiek?

5. Wat zien wij als het diepste verschil tussen het joodse en het christelijke spreken over ‘incarnatie’?

6. In welke is Jezus ‘incarnatie’ van God en in welke zin de Tora?
Staat Jezus in de christelijke traditie voor datgene waar Tora voor staat in de joodse traditie?

7. Als ‘God wonend te midden van zijn volk Israël’ de formele categorie is om te denken over de verhouding van God en Jezus (Marquardt), wat betekent dit dan voor de key differences die Randi Rashkover aanwijst tussen het joodse en christelijke spreken over de incarnatie? (p. 258-260)

8. Hoe preken we over Johannes 1 op het Kerstfeest? Hoe interpreteren wij het begrip ‘incarnatie’ met het oog op Jezus? Is Johannes 1:14 de eerste stap in de richting van het christologisch dogma van Chalcedon? Leidt het één onherroepelijk naar het ander?

9. Is het mogelijk om terug te gaan achter Chalcedon? Om bijvoorbeeld – in de lijn van Marquardt, Eine theologische Utopie -  het johanneïsche één-zijn van Jezus met de Vader als eschatologisch is en radicaal-utopisch te denken?

10. Is ‘God in Israël’ vergelijkbaar met ‘God in Christus’en met ‘God in het Lichaam van Christus’?  En hoe staat het met de verhouding tussen de verkiezing van Israël en het gaan op de weg van de Tora? Heeft ook deze verhouding een analogie in het leven van de gemeente?
                                                                                                                                 Simon Schoon

2004-2005

PAO 1   God als utopische ruimte

(Serie: Christendom en Jodendom)

Is theo-logie als spreken over God mogelijk? Is God immanent en/of transcendent? Of is H/Zij aan te duiden als utopische ruimte? Deze thematiek komt aan de orde in de Godsleer van Marquardt’s dogmatiek. Hij doet verslag van zijn diepgaande ontmoeting met het denken van twee joodse geleerden, Yeshajahoe  Leibowitz en Emanuel Levinas, en speurt van daaruit naar momenten van transcendentie in de christelijke triniteitsleer. Kunnen we voor het christelijk denken over God misschien aansluiting zoeken bij de rabbijnse benaming van God als maqom?
In deze cursus treden we in dialoog met joodse gesprekspartners en met kenners van het werk van Leibowitz en Levinas. De fundamentele theologische vragen komen op tafel terwijl de gemeentepraktijk steeds in het vizier blijft. Het gesprek wordt verlevendigd, wanneer zowel nieuwkomers als ‘Marquardt-recidivisten’ aan de groep deelnemen.
Aanbevolen literatuur: Friedrich-Wilhelm Marquardt, Eia wärn wir da – eine theologische Utopie, Gütersloh 1997 (met name §9 ‘Lobet Gott in seinen Reichen’).
Leiding:          Prof.dr. S. Schoon (bijzonder hoogleraar Verhouding Jodendom-Christendom)
docenten:        4 oktober: dr. R.D.N. van Riessen; 22 november rabbijn: dr. Tsvi Marx; 24 januari prof.dr. Victor Kal (UvA)
Data:               4 oktober en 22 november 2004, 24 januari en 28 februari 2005.
Tijd:                10.45 – 15.30 uur

 

PAO 2005-2006

1. Titel: Marquardt: Verwerking en kritiek

(Serie: Christendom en Jodendom)

2. Ondertitel

3. Beschrijving: De theologie van Friedrich-Wilhelm Marquardt heeft in Nederland zowel bijval gekregen als weerstand opgeroepen. Onlangs verschenen twee Nederlandstalige boeken met opstellen van én over deze theoloog: F.-W. Marquardt, Bij de slip van zijn kleed…, Baarn 2003, en D. Stegeman, I. Kooistra, D. Boer (red.), Marquardt lezen, Baarn 2003. Aan de hand van deze publicaties willen we twee thema’s van Marquardt kritisch bespreken. Het eerste thema is ‘Het omstreden land’, waarbij ook geluisterd zal worden naar de stemmen van Israëlische ‘nieuwe historici’ en Palestijnse bevrijdingstheologen. Het tweede thema is ‘Tora, Jezus, en de gemeente’, toegespitst op de vraag: Zijn christenen geroepen in de navolging van Jezus tot ‘evangelische halacha’? Enkele gastinleiders zullen er voor zorgen, dat de werkwijze dialogisch zal zijn.

4. Doelstelling: U maakt zich de thematiek theologisch zo eigen dat u er in de gemeente praktisch mee aan de slag kunt.
Competenties: hermeneutisch, dialogisch

5. Voorwaarden

6. Aanbevolen literatuur:  Genoemde twee boeken.

7. Bestemd voor: predikanten, academici en kerkelijk werkers

8. Leiding: prof.dr. S. Schoon (bijzonder hoogleraar Verhouding Jodendom-Christendom),
Gastdocenten: dr. Rinse Reeling Brouwer op 21 november, dr. Victor Kal (UvA) op 23 januari, en rabbijn dr. Tsvi Marx op 20 maart

9. Data            : de maandagen 10 oktober en 21 november 2005, 23 januari en 20 maart 2006, van 10.45 – 15.30 uur

Het programma van het afsluitende  symposium op 20 maart 2006 ziet er als volgt uit:

9.30 uur Ontvangst en koffie
10.00 uur Opening van de studiedag.
Dagvoorzitter: Drs. Marieke den Hartog.
10.15-10.45 uur Lezing van dr. Rinse Reeling Brouwer over ‘De uitdaging van de christologie
van Friedrich-Wilhelm Marquardt’.
10.45-11.15 uur Koffiepauze.
11.15-11.45 uur Lezing van rabbijn dr. Tsvi Marx over ‘Jezus de Jood: Joodse vragen aan
 christenen’.
12.00-13.00 uur Workshops naar aanleiding van de lezingen, en als voorbereiding op het forum. Workshopleiders zijn de leden van de OJEC-groep Sja’ar, o.a. dr. Eric Ottenheym, drs. Rachel Reedijk, drs. Kees Kok, dr. Bloeme Evers, drs. Tineke de Lange, drs. Jaap van der Meij. 
13.00-14.00 uur Middagpauze.
14.00-14.40 uur Twee korte inleidingen van dr. Rieuwerd Buitenwerf en prof. dr. Simon
Schoon over ‘Hoe J(j)oods is Jezus?’
[Naar aanleiding van het debat, gevoerd in het tijdschrift: Theologisch Debat 1/3 (2004), 4-20].
14.40-15.00 uur Theepauze
15.00-15.45 uur Afsluitend forum, met dr. Rinse Reeling Brouwer, dr. Tsvi Marx, dr. Rieuwerd Buitenwerf en prof.dr. Simon Schoon. Gespreksleider: drs. Marieke den Hartog. 
15.45-16.00 uur Sluiting.