Pasen
Zondag 16 april 2006
in ‘de Veste’, Gouda
Voorganger: dr. Simon Schoon
Begeleiding: Muziekgroep
Schriftlezingen:
Hooglied 3: 1-5
Johannes 20: 1- 2, 11 - 18
1 Korintiërs 15: 3 - 8
Thema: In de tuin van de liefde
Gemeente van Jezus Christus,
Op deze paasmorgen zien we Maria Magdalena. Zij is de weg kwijt. Ze loopt in het donker, weggedoken in haar verdriet. Zij doet ons denken aan de geliefde uit het Hooglied, aan het meisje dat haar minnaar is kwijtgeraakt. Telkens klinkt het refrein in het gedeelte dat we lazen uit Hooglied: ‘Ik zoek hem maar ik vind hem niet’. Zo loopt Maria in de graftuin. Wij herkennen ons in haar. Twijfelend en opgesloten in onszelf. Wat voor een onwaarschijnlijk verhaal krijgen we te horen op Pasen! We kunnen onszelf niet opwerken tot de echte paasvreugde. Verwant voelen we ons met Maria: Het huilen staat ons nader dan het lachen.
De komende weken zullen we van Pasen tot Pinksteren lezen uit het Lied der Liederen, zoals de naam luidt van het Hooglied in de Hebreeuwse Bijbel. Door de Joden wordt op het Pesachfeest de feestrol van Hooglied gelezen. Afgelopen woensdagavond is dat feest op de Sederavond begonnen. Met het eten van matzes en het heffen van de beker van de bevrijding.
Het is bepaald niet onwaarschijnlijk dat de auteur van het evangelie van Johannes bij het vertellen van het verhaal van Maria Magdalena gedacht heeft aan de poëtische woorden uit Hooglied 3, die we lazen. Laten we haar maar bij haar Hebreeuwse naam noemen: Mirjam van Migdal. Evenals dat meisje uit het Hooglied is Mirjam op zoek naar haar verloren vriend. Wat Mirjam zegt is een echo van wat in het Hooglied staat: ‘Laat ik opstaan, rondgaan in de stad, laat ik op de straten, op de pleinen, zoeken naar mijn allerliefste. Ik zoek hem maar ik vind hem niet’. Levensgevaarlijk was het voor een meisje om zich in die tijd alleen ‘s nachts op straat te wagen. Radeloos klampt ze de wachters aan met de vraag: ‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’ Uiteindelijk vindt ze haar geliefde en wil hem niet meer loslaten.
Het Hooglied is een lied over de verrukking van de liefde, over het genieten van de liefde. Vaak is dit lied louter vergeestelijkt. Het zou dan uitsluitend gaan over de liefde tussen God en Israël; en in de christelijke uitleg natuurlijk over de liefde tussen Christus en de kerk.
Maar gelukkig hebben we in onze tijd herontdekt dat het in het Hooglied allereerst gaat over de vreugde van de erotiek en de lichamelijkheid. Genieten mag! Die uitleg van het Hooglied komt dan ook op de eerste plaats in de komende weken.
Het gaat in dat lied niet alleen over de vreugde van de nabijheid van de geliefde, maar ook over het verdriet door het gemis van de geliefde. Uit de mond van het verliefde meisje horen we de vertwijfeling: ‘Ik zoek hem maar ik vind hem niet. Waar is mijn lief heengegaan?’
Zowel de joodse als de christelijke traditie hebben - naast de lichamelijke verrukking van twee gelieven - ook altijd een andere dimensie ontdekt in de liefdespoëzie van het Hooglied. Een geestelijke dimensie! Het één sluit het ander niet uit. Het lichamelijke en het geestelijke zijn in de liefde immers geen tegenpolen! De mens is als persoon een eenheid. Ook op deze wijze mag het Lied der liederen gelezen worden: Als het zoeken van God naar de mens en van de mens naar God. God is nabij, maar soms lijkt Hij ver af. Soms zijn we jubelend vanwege Zijn nabijheid, soms diep verdrietig vanwege het gemis van God als de Geliefde.
Zo mogen we de woorden van het Hooglied herkennen in het radeloze zoeken van Mirjam van Migdal. Ze vindt haar vriend, haar Meester niet. Alleen de dood heerst in de tuin van het graf. De schepping spreekt niet meer tot haar. De lentepoëzie van het Hooglied kan niet tot haar doordringen: ‘Kijk! De winter is voorbij, voorbij zijn de regens, weggegaan. De bloemen zijn verschenen op het veld, nu breekt de zangtijd aan, het koeren van de duif klinkt op het land’ (Hooglied 2: 11-12).
Mirjam heeft geen oog voor de natuur, voor de opgaande zon. Zelfs een verschijning van engelen kan haar niet op een nieuw spoor brengen. Het zal je toch gebeuren, dat je engelen tegenkomt! Maar kennelijk is een engelverschijning ook niet doorslaggevend. Mirjam komt er in ieder geval niet door op een nieuw spoor. Ze blijft vragen, steeds maar herhalen: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naar toe gebracht hebben.’
Mirjam zoekt in de tuin naar haar verloren geliefde. In de tuin van het gemis, van de duisternis, in de tuin van de dood. Ze is alleen met haar verdriet, alleen met haar pijn. De wereld is voor haar voorgoed een verloren paradijs geworden.
Is dat niet óns aller verhaal? Het had zo mooi kunnen zijn! Maar de klad is er in gekomen. Bij wie niet? Er loopt een scheur door ons leven. Het Hooglied van de liefde is verstomd. De paradijs van de liefde is voorgoed gesloten. ‘Paradise lost’! De tuin is op slot en de sleutel is gebroken. Kinderen zingen het liedje: ‘Is er dan geen timmerman die de sleutel maken kan?’ - met een verwijzing naar timmerman Jezus. Misschien kunnen we vanmorgen beter zingen: ‘Is er dan geen tuinman, die de hof weer openen kan?’
Wat is er gebeurd op die vroege morgen in de tuin van het graf? Is dat historisch te reconstrueren? In het verhaal van Johannes 20 horen we over de schrik van Mirjam bij het lege graf: ‘Zij hebben de Heer weggehaald’. Zijn lichaam is geroofd. Ontzetting: dat is de oorspronkelijke kleur van alle Paasverhalen. Over schrik en verbijstering horen we in alle evangeliën.
Wat op die vroege morgen gebeurd is, ontsnapt aan onze waarneming. Hier valt niets wetenschappelijk te bewijzen. Tegen die achtergrond is de moderne discussie, of Pasen nu echt gebeurd is, eigenlijk zinloos. Want: natuurlijk kan dit niet! Dat weet toch iedereen?! Dit is gewoonweg buiten alle normale orde. Hier zijn dan ook geen woorden voor te vinden. Dit verslaat immers alles. Pasen doorbreekt al onze bekende kaders. Het kan ons alleen maar worden verkondigd. Pasen komt volgens het evangelie als een geschenk van de andere kant. Het is ons overkomen. Zo trachten de evangelisten dit ongehoorde ter sprake te brengen. Hun Paasverhalen stamelen er over. Hoe zou je voor zoiets taal kunnen vinden? Dit is in geen mensenhart opgekomen. In het oudste Paasgetuigenis van 1 Korintiërs 15 lazen we bij Paulus, dat hij dit ongehoorde nieuws al bij overlevering heeft ontvangen. Van Petrus en ook van wel meer dan 500 getuigen.
Vanmorgen horen we over de allereerste getuige. En we mogen ons in haar herkennen, in deze vrouw, Mirjam van Migdal. Ze heeft dezelfde naam als die vrouw uit het verhaal van de exodus, Mirjam de zuster van Mozes, die haar volk voorging in de dans, met muziek en tamboerijn.
Hoe is haar naamgenote uit Migdal, deze nieuwe Mirjam, eigenlijk terechtgekomen, in de tuin bij het graf van Jezus, vroeg in de morgen terwijl het nog donker is? Daar is een hele geschiedenis aan voorafgegaan. Een levensverhaal. Mirjam is op haar eigen verhaal gekomen door Jezus.
Dat verhaal luidt anders dan wat de bekende auteur Dan Brown in zijn Da Vinci Code vertelt. Hoe spannend dat boek ook is, eigenlijk is het bijbelse verhaal veel spannender dan zijn roman. Dan Brown beroept zich op gnostieke geschriften, die honderden jaren later geschreven zijn dan de evangeliën, geschriften dus uit dezelfde kring als het pas ontdekte Judas-evangelie..
Maar: wat weten wij eigenlijk écht van Mirjam van Migdal?
Was zij misschien de geliefde van Jezus? Je zou kunnen denken aan die beroemde song uit Jesus Christ Superstar: ‘I don’t know how to love him’.
Was zij misschien zelfs zijn vrouw?
Laten we voor alle duidelijkheid voorop stellen: Er zou vanuit het hart van het christelijk geloof helemaal niets op tegen zijn, als Jezus getrouwd was geweest. De joodse bijbel en het Nieuwe Testament propageren echt niet het celibaat. Maar historisch heeft de bewering dat Jezus getrouwd geweest zou zijn, geen been om op te staan. Hij wordt ons getekend als een rondreizende rabbi die leerlingen om zich heen verzamelde.
Maar wat weten we dan wel van Mirjam van Migdal?
In elk geval was ze geen slechte vrouw of zelfs een prostituee. De mannenkerk heeft haar rol in de oergemeente zoveel mogelijk proberen terug te dringen en haar vooral als een zondares getekend. Wat we echt weten, is dat Mirjam een leerlinge van Jezus is geworden, van die wonderlijke rabbi. Daarom noemde ze hem stilletjes voor zichzelf Rabboeni, mijn meester. Want er ging iets heel bijzonders van Hem uit. Door Hem beleefde ze haar opstanding. Zij was door hem mens geworden. Zijn woorden en vooral zijn daden hebben haar geraakt. Hij heeft haar een gezicht gegeven, een naam.
Het verhaal van Mirjam uit het evangelie is zó geschreven dat we ons zelf er in kunnen herkennen. Alles is donker. Alle hoop is weggevaagd. Mirjam had aan de voet van het kruis gestaan. Haar hele wereld was ingestort. En nu - zondagmorgen vroeg - is ze naar het graf gegaan. De zon is nog niet opgekomen. Bij het graf ontdekt ze dat ook het laatste wat ze had haar nog is ontnomen: Het lichaam van haar geliefde Meester is gestolen. Maar door wie? Snikkend loopt ze rond in de tuin van het graf.
Dan komt de verrassende wending in het verhaal van de evangelist. Voor hem is dat alleen maar vergelijkbaar met de eerste scheppingsdaad, toen God zei: ‘Er zij licht’, en er was licht.
We krijgen te horen dat Mirjam zich omkeert en de tuinman tegenkomt. Althans ze denkt dat hij de tuinman is. Ze klampt hem direct aan: ‘O meneer, als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen’. Dan krijgt ze één woord te horen als antwoord van de tuinman. Hij spreekt haar naam uit: Mirjam.
Nu gaat voor Mirjam van Migdal de zon op. In een flits weet ze het: Hij is het weer, Jezus haar Meester. Ze is bij name gekend. Ze is geraakt tot in het diepst van haar bestaan. In de tuin van de liefde ontmoet ze de Levende. Het is alsof de nieuwe schepping is aangebroken. In haar duisternis wordt een licht ontstoken dat nooit meer zal worden gedoofd.
Kijk eens naar de prachtige voorplaat van de liturgie: Een levensboom, en vlammen van liefde! Mirjam wordt door de Levende ten dans gevraagd in de tuin van het leven. Nu mag ze lachen door haar tranen heen.
Mirjam kan maar één antwoord geven. Met woorden diep uit haar hart, vanuit de diepste plek van haar bestaan. Daar kan ze alleen maar haar moedertaal spreken. Het komt uit haar diepste wezen: "Rabboeni" - in het Aramees, de taal van haar jeugd. Die lievelingsnaam had ze in haar hart bewaard: "Mijn meester". Dat is wat Jezus voor haar betekent: haar rabbi, haar leraar. Door Hem heeft ze geleerd wie ze is en wie ze mag zijn. Misschien hadden we een ander woord uit haar mond verwacht. Iets als ‘Zaligmaker’ of ‘Heiland’of zo. Maar voor Mirjam is Jezus bovenal haar Leraar. Voorgoed is ze leerling geworden in het Leerhuis van Jezus. Óók wij mogen onze eigen lievelingsnaam voor Jezus fluisteren vanmorgen.En óók wij raken nooit op Jezus uitgekeken en mogen aan de hand van Hem leren hoe te leven.
Na de herkenning wil Mirjam Jezus vastgrijpen. Ze wil alles weer terug bij af, ze wil de dode terughebben. Ze wil de absolute grens overschrijden. Zoals Orpheus zijn Euridyce ging terughalen uit de dood. Mirjam wil haar Meester terughebben in de aardse werkelijkheid. Het moet allemaal zo blijven zoals het vroeger was.
Maar dan zegt Jezus: ‘Houd Mij niet vast!’
Mirjam moet leren loslaten.
Loslaten is oneindig moeilijk. Vooral als we geliefden moeten loslaten in de dood.
Voor ons mensen is dat een onmenselijk zware taak.
Loslaten doet pijn. Het wordt nooit meer zoals het vroeger was.
Maar misschien wordt het mooier, dieper, anders.
Door Pasen is immers alles anders geworden.
Mirjam van Migdal krijgt een nieuwe taak. Zij wordt de eerste apostel van Jezus. Zij mag het nieuws gaan vertellen aan de kring van Jezus' leerlingen, aan die ongelovige mannen: ‘Ik heb de Heer gezien en Hij heeft mij gezonden’. En dezen mogen het op hun beurt wereldwijd gaan vertellen: De God en Vader van Jezus is er voor allen.
‘Ik ga naar mijn Vader en uw Vader’, zegt Jezus. Daar in het huis van Vader zijn vele woningen; daar is ruimte voor iedereen.
‘Houd mij niet vast’, zegt Jezus. Het is alsof hij door dit woord van zichzelf afwijst, en heen wijst naar God, de Vader van allen.
Ook ónze Vader. In Mirjam van Migdal herkennen wij ons zelf. Zo zijn wij gekend. Geliefd door God. Met Jezus de Levende als Vriend. We worden allen genodigd te lachen en te juichen op het feest van het Licht. Dit is ons verhaal! Het gaat over onze opwekking uit de doden, nu al, in dit leven al. De tuinman treedt ook op ons toe. Hij noemt onze naam. We zijn gekend door God. De Goede Herder kent ons allen bij name. We worden door de Levende ten dans genodigd in de tuin van de liefde. Wij mogen antwoorden op onze eigen manier. Zoals Mirjam deed tegenover haar ‘Rabboeni’. Dan mogen we lachen en zingen: ‘Keerde de Heer der schepping der schepping weer, dan is het tevergeefs niet meer, te bloeien en te minnen’.
Amen.
| << Preken |
