Pinksteren Zondag 4 juni 2006 in ‘de Veste’ te Gouda.
Lezingen: Hooglied 4: 12 – 5: 1
Handelingen 2: 1 – 11
Thema: VLAMMEN VAN LIEFDE
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In Hooglied slaan de vlammen er uit. Vlammen van liefde.
De gelieven raken niet over elkaar uitgezongen.
In alle toonaarden gaat het over de verrukkingen van de liefde.
Over zoeken en vinden, over gemis en vervulling.
In het laatste hoofdstuk van het Lied der liederen staat deze tekst:
‘Sterk als de dood is de liefde …..
De liefde is een vlammend vuur, een vuurgloed van de HEER’ (8: 6).
De liefde is alle eeuwen door het meest bezongen thema geweest.
Tot op de dag van vandaag.
Wie onlangs naar het Eurovisiesongfestival in Athene heeft gekeken, heeft opnieuw kunnen constateren, dat het in bijna alle liedjes ging over de liefde.
Maar waar is de liefde ooit zo groots bezongen als in het Hooglied in de bijbel? Wanneer is ooit de liefde bejubeld als een vuurgloed van God zelf? Waar is het ooit zó vertolkt, dat het beleven van de liefde gelijk is gesteld met de vlammen van de HEER? In de lied in de bijbel worden liefde en hartstocht niet tegenover elkaar gesteld – het éne mooi, het andere gevaarlijk Nee, in het Hooglied worden liefde en hartstocht vereenzelvigd.
De christelijke traditie heeft ons doorgaans anders geleerd. Liefde is goed, maar dan wel in de geëigende institutionele kaders, en – zoals vele eeuwen door de kerk werd geleerd - : alleen om voor nageslacht te zorgen.
Lust is verdacht. Hartstocht is gevaarlijk. Genieten is aards en ongeestelijk.
We zingen het zelfs vaak in de kerk met één van de meest geliefde gezangen uit het Liedboek, Gez. 463 ‘O Heer, die onze vader zijt’. Eén couplet is een gebed tot God: ‘Neem van ons hart de vrees, de lust, en maak ons innerlijk bewust hoe schoon uw vrede is’. Innerlijke vrede is kennelijk alleen te ervaren als we de lust loslaten.
Het laatste couplet begint zó: ‘Dat ons geen drift en pijn verblindt, geen hartstocht ons verwart’.
Natuurlijk kan ‘lust’ op een dwaalspoor leiden en natuurlijk heeft ‘hartstocht ook gevaarlijke kanten.
Maar eeuwen van christelijke traditie heeft ons wel erg argwanend tegen lust gemaakt en daardoor ook vaak met verdringingen en trauma’s opgezadeld.
Niets van dat alles in het Hooglied. Onbekommerd en onbevangen wordt de extase van de hartstocht bezongen.
Anselm Grün, notabene zelf monnik, wil de last van die lange neerdrukkende christelijke erfenis van zich afschudden. Hij voert vanuit het geloof een pleidooi voor een eerherstel van de lust, voor de voorrang van het genieten. Ik citeer hem uit zijn ‘Kleine boek Vreugde: ‘In de seksuele lust ervaart het lichaam een onuitsprekelijk geluksgevoel. Ook de verlangens van de ziel worden op dat ogenblik vervuld. …. God heeft de mens lust geschonken om te kunnen genieten van de goede gaven van Hem. God heeft alles goed gemaakt.’ (blz. 22).
In deze geest is het Hooglied gedicht. We hoorden dat de meisjes van Jeruzalem in koor de twee gelieven aansporen om de vruchten van de liefde te plukken. In een refrein hebben ze telkens herhaald: ‘Wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken, voordat zij het wil’. Maar voor de verliefden in het Hooglied is het moment nu aangebroken dat de vruchten geplukt gaan worden.
De jongen heeft het meisje bezongen als ‘een besloten hof, een gesloten tuin, een verzegelde bron’, maar hij weet: voor hem staat die tuin open. Hij is er zeker van dat hij mag drinken uit de bron met helder water, die in die tuin ontspringt. En het meisje gaat er op in en zingt: ‘Ontwaak noordenwind! Kom zuidenwind! Waai door mijn hof, laat zijn balsems geuren. Mijn lief moet in zijn hof komen, laat hij daar zijn zoete vruchten proeven’.
In de bewerking van het Hooglied door Judith Herzberg klinkt het als volgt:
Als straks dan mijn liefste komt
dan geef ik hem fruit
myrrhe, balsem, wierookboom
dan zegt hij wat heerlijk
alles is fijn bij mijn zusje mijn bruid.
En in de tekst die wij lazen bevestigt het meisjeskoor dit alles met de aansporing: ‘Eet, vriend en vriendin! Drink, en word dronken van liefde!’ (5: 1).
Ja, we hebben het goed gehoord: ‘Drink, en word dronken van liefde’.
Het kan natuurlijk niet anders dan dat we op Pinksteren denken aan de leerlingen van Jezus, die dronken waren van vreugde. Maar die door de omstanders verdacht werden van openbare dronkenschap op straat.
Kennelijk waren ze zo overrompeld door de vlammen van de liefde van God, dat het hun niks kon schelen voor gek versleten te worden. De mensen om hen heen wisten niet wat ze er mee aan moesten en probeerden zich er met schampere opmerkingen van af te maken. Ja, zo gaat dat. Zo probeert men ook vandaag nog een oprecht gelovig enthousiasme onderuit te halen. Maar zo gemakkelijk lukte dat op het Wekenfeest in Jeruzalem niet. Petrus weerlegt het onzinnige argument van dronkenschap en legt uit wat er aan de hand is.
‘Dit is niet het werk van ons zelf. We hebben niet zo vroeg op de dag al te diep in het glaasje gekeken. Dit overkomt ons van boven. Dit lijkt op wat ooit gebeurde op Sinaï, toen God kwam met zijn geboden in storm en vuur. Nu komt Hij opnieuw. De profeet Joël sprak er ook al over. Dit is Gods kracht van boven, zijn Geest op alle vlees, over alle mensen.’
Hij had misschien ook kunnen zeggen: We zijn op een andere manier dronken. Namelijk op de wijze van het Hooglied. We zijn dronken van liefde. We zijn overweldigd door de liefde van Boven.
Pinksteren in Handelingen 2 kan verbonden worden met wat we hoorden uit het Hooglied,
In het Hooglied gaat het om de beleving van het totale mens-zijn, naar lichaam en geest. Niet het één zonder het ander. Erotiek is niet alleen een lichamelijke belevenis. Het is een spel voor lichaam en geest. Zó is het ook met het geloof. Dat gebeurt ook wanneer de Geest van God ons overkomt. Want zo wordt het beschreven in Handelingen 2. Geloven is een feest voor lichaam én ziel, of beter: voor lichaam én geest. De Geest komt ‘op alle vlees’ – zó staat het er. Het gaat dus dwars door je lijf heen. Het is dus zeker niet alleen een geestelijk gebeuren.
Dat misverstand over Pinksteren kunnen we nu eens en voor altijd de wereld uithelpen. De Geest is niet alleen voor het zogenaamde ‘geestelijk leven’. De Geest is er voor het hele leven, voor het volle leven, naar lichaam en geest. Dus voor het marktplein én de kerk, voor de politiek én de liturgie, voor het gebed én voor het vrijen, voor de mystiek én voor het getuigen door je daden.
De Geest overkomt je. Het is een geschenk van Boven, zoals de liefde. Maar het overkomt je niet zomaar. Je wordt er niet tegen je eigen wil mee overvallen. Je moet er wel om vragen. Dat hadden de leerlingen van Jezus gedaan, tien dagen lang. Ze hadden gebeden en gevast, zoals Jezus hun bij zijn afscheid had opgedragen. Ze stonden er dus voor open. En toch werden ze er ook door overvallen. Dit was groter dan ze hadden kunnen bidden of beseffen. Dit ging hun bevattingsvermogen te boven.
Ze werden dronken van liefde. De vlammen sloegen er uit. Op ieders hoofd zagen ze het: Vuurvlammen van liefde, het vuur van de Geest.
Het was op het Wekenfeest in Jeruzalem, Sjawoeot in het Hebreeuws, de vijftigste dag na Pésach. Joden en Godvrezenden uit de hele toenmalige wereld waren voor dit pelgrimsfeest naar Jeruzalem gekomen. Ze vierden dat God gekomen was met het geschenk van de Tora op de Sinaï, in de overweldigende tekenen van storm en vuur. Zo vreemd en bizar waren die tekenen dus niet op het Wekenfeest in Jeruzalem. Het was aanschouwelijk onderwijs bij het hoofdthema van dat feest. God overkomt ons met zijn gaven, met zijn Tora én met zijn Geest.
Lucas vertelt ons in Handelingen 2 dat er een nieuwe gemeenschap wordt geboren. Vandaag vieren we het geboortefeest van de kerk. Bij die gelegenheid gaan we nu eens niet opsommen wat er allemaal aan die kerk mankeert. Daar is geen kunst aan. De mankementen liggen voor het grijpen. De blunders zijn legio. Het imago van de kerk is vaak om te huilen. Maar dat weet iedereen al lang. En de mensen binnen die kerk zijn uit schuldbewustzijn en uit pure verlegenheid in hun isolement gekropen. Ik spreek mensen die me zeggen: ‘Stel je voor dat ze op mijn werk zouden weten dat ik op zondag in de kerk zit. Nee, ik bespaar me liever de kritiek’. Op het Pinksteren heffen we vandaag geen klaagzangen aan over de kerk. Jeremiëren over de kerk wordt genoeg gedaan, vaak vooral door kerkmensen – alsof ze het dan niet over zichzelf hebben.
Van de weeromstuit gaan we ook niet de kerk bejubelen. Ook dat is geen kunst trouwens. De dogmatiek van de kerk is er vol van. In hoge tonen wordt het wezen van de kerk bezongen. Maar als je om je heen kijkt, zie je nergens zo’n kerk.
Ik stel voor dat we vandaag realistisch spreken over de kerk. Dat we ons daarbij oriënteren aan onze oorsprong. Dat wil vandaag dus zeggen: Aan het verhaal van Handelingen 2.
Prof. Henk de Roest heeft daarover een prachtig boek geschreven, dat net verschenen is. Het heet ‘En de wind steekt op!’ Het wil over de kerk spreken vanuit de hoop. De auteur probeert een realistische analyse van de stand van zaken te geven. Die is niet zo rooskleurig. Maar hij blijft niet steken in klaagzangen. Hij zet lijnen uit voor een kerk die het defaitisme voorbij is, die haar nek uit durft steken, die met een nieuw missionair elan in de wereld durft te staan.
Maar dan moet je eerst wat overkomen zijn. Alle strategieën, beleidsplannen en theologische handboeken helpen niks, als er geen ruimte is voor de wind van de Geest. Voor datgene wat je van Godswege overkomt. Voor het ongrijpbare geheim van het Pinksterfeest. Voor de Geest van God, die er natuurlijk al lang vóór Pinksteren was, reeds bij de schepping, en reeds in de geschiedenis van het volk Israël, maar die nu op het Wekenfeest in Jeruzalem wordt uitgestort op alle vlees, die van Jeruzalem zal uitgaan naar alle volken. Daarom zongen we Psalm 117: ‘Looft de Here, alle gij volken!’ De hele wereld komt in het vizier.
Vernieuwing van de kerk begint door terug te keren naar de oorsprong. Naar hoe het allemaal begonnen is. Op het Pinksterfeest. Zodat wij ook wij weer gaan bidden om kracht van Boven. Zodat ook ons weer dat ongrijpbare gebeuren overkomt. Zodat we dronken worden van liefde.
Dan gebeurt er wat. De vlammen slaan er uit. Dat kan zich uiten in enthousiasme en extase. Dat lukt nooit en te nimmer in je eentje. Hoe kun je de liefde vieren in je eentje? Eén alleen is maar verdrietig. Onze over-individualistische tijd meent het geloof alleen te kunnen vieren. Soms kan het niet anders – zondag voor de tv – als je ziek bent of aan huis gebonden. Maar ideaal is het natuurlijk niet. Want liturgie is de kern van geloven – en dat gebeurt in een gemeenschap.
Geloven is verrukkelijk. Het is samen zingen op zondagmorgen, als het grootste deel van Nederland nog slaapt. Het is getroost worden door het ontvangen van een slok wijn en een stukje brood. Soms word je er stil van; soms springen de tranen je in de ogen. En soms kun je wel dansen van vreugde. Soms spreek je in extatische taal, in vreemde tongen. En als je goed kijkt – met de ogen van je geloof, zie je de vlammetjes op de hoofden van je broeders en zusters.
Als we teruggaan naar de oorsprong van de kerk, naar het Pinksterfeest, dan ontdekken we niet alleen, dat ons eerst iets moet overkomen. Maar dan zien we ook dat het daar niet bij blijft. De kerk is er nog maar net, of ze wordt al binnenste buiten gekeerd. Ze waren nog maar tien dagen aan het bidden in de binnenkamer, in het isolement, of ze worden al de straat op gestuurd. Want de Geest wil uitgestort worden op alle vlees. En dat moet kennelijk doorgegeven worden van mond tot mond. Dat zien we op het Wekenfeest in Jeruzalem. Ze spreken in alle talen van de wereld over de grote daden van God. De wind steekt op. Er gaat een storm door de wereld varen. Vanuit Jeruzalem tot aan de uiteinden van de aarde.
Is die storm vandaag gaan liggen? Beleven we nog die gemeenschap in de kerk waarover het gaat op het eerste Pinksterfeest?
Als we ons vandaag willen oriënteren aan het eerste Pinksterfeest, dan moeten we ons afvragen: Wat bindt ons samen volgens het verhaal van Handelingen 2? Kennelijk waren het niet bepaalde normen en waarden die de eerste gemeente vormden. Het ging niet om een bepaalde ethiek. Ook geen gedeelde filosofie over de zin van het leven. Geen structuren, geen dogma’s. Allemaal op zichzelf niet onbelangrijk, geen onzin, maar al die genoemde zaken maakten niet de kern uit van die eerste gemeente. Maar wat dan wel?
De kern is de persoon van Jezus Christus, zijn leven, zijn sterven en zijn opstanding.
Hij, ja Hij, komt hen persoonlijk aanwaaien door de Geest.
Zij vertegenwoordigen als gemeenschap Jezus Christus. Zij worden vol van Hem.
Zo stellen ze Christus present in de wereld. Dat is een hoge roeping!
De Geest is dus voorwaarde voor het christen-zijn.
Wanneer de Geest afwezig is, dan is er geen kerk mogelijk.
Het begin mag er telkens opnieuw zijn: Het overkomt je, het gebeurt je, de Geest waait door je heen. De vlammen slaan er uit. Het is een vuurgloed van de HEER. Vlammen van Zijn liefde.
Dan komt er dynamiek. Dan wordt gemeenschap geboren.
een nieuw begin gemaakt
in al wat groeit en leeft
zijn adem uitgezaaid.
Amen.
