Jacob Willebrands (1918-2005) – een uniek mens!
Op 2 december 2005 is Jacob Willebrands op 87-jarige leeftijd in Israël overleden. Op zijn 18e jaar werd hij monnik en trad in in het klooster ‘Maria Toevlucht’ in Zundert. Vijfentwintig jaar later, in 1961, kwam hij naar Israël en stichtte daar uiteindelijk een eigen monastieke gemeenschap ‘Lavra Netofa’ bovenop een heuvel in Galilea. In diezelfde tijd, aan het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw, kwam Nes Ammim tot stand, door de inspanningen van pioniers als Johan Pilon en Hans Bernath, en van vele andere enthousiastelingen van het eerste uur. Vanaf de begintijd werden er contacten vanuit Nes Ammim onderhouden met de Lavra en vele jaren achtereen kwam pater Willebrands als bezoeker, maar ook als voorganger in kerkdiensten, naar die merkwaardige mosjav in de vlakte van Aser. Vele Nes Ammimers van achtereenvolgende generaties bewaren bijzondere herinneringen aan hun bezoek, en soms verblijf voor langere tijd, op de berg Netofa. Sommigen verrichtten er hand- en spandiensten bij de bouw van de eenvoudige onderkomens op de Lavra. Onvergetelijk zijn de gebedsdiensten in de ondergrondse grotkapel, die Jacob met enkele medebroeders en helpers in drie jaar had uitgegraven met emmertjes en een houweel. In alle ‘Hoekse en Kabeljauwse twisten’ die het dorp Nes Ammim in de loop van de jaren met de regelmaat van de klok teisterden, onderhield Jacob contact met alle ruziezoekende partijen, sprak met iedereen en bad voor hen op zijn stille berg. Hij was voor ons gezin, en voor vele, vele anderen een wijze geestelijke vader. Wij gedenken hem - een uniek mens - in diepe dankbaarheid. Op 28 januari 2006 hebben we in een gedachtenisdienst in Delft God gedankt, dat we zo’n bijzonder mens als aboena (Arabisch voor ‘vadertje’) Yacoeb hebben mogen kennen.
In 1961 kreeg Jacob Willebrands eindelijk toestemming van zijn abt in Zundert, na vijfentwintig jaar bidden en wachten, om naar Israël te gaan. Hij koesterde dat plan door de invloed van zijn oom Laetitius Himmelreich, een Franciscaan die geloofde in de terugkeer van de Joden naar Israël en daar zelf ter plekke getuige van wilde zijn. Laetitius kwam echter na de Tweede Wereldoorlog gebroken terug na jarenlange gevangenschap in het concentratiekamp Dachau. Neef Jacob werd aangestoken door zijn enthousiasme en nam zich voor in zijn plaats naar Israël te gaan. Voordat hij kon gaan, moest hij echter wachten tot 1961 in het zeer strenge klooster in Zundert, waar in die tijd niet gesproken werd maar slechts in gebarentaal gecommuniceerd. Zijn leven is trouwens één en al wachten geweest, eerst op toestemming om naar het Beloofde Land te mogen gaan, daarna om een stuk grond op een stille plek te kunnen kopen (wat pas in 1967 ‘illegaal’ lukte), toen op het met veel geduld uitgraven van een grotkapel – ‘monnikenwerk!’, en misschien nog wel het meest op roepingen van Palestijnen tot het monastieke leven. Dat laatste was namelijk zijn levensideaal, een verlangen dat nooit echt vervuld is. Als een Mozes bleef hij uitzien vanaf zijn berg naar de vervulling en zag tijdens zijn leven niet de verwerkelijking van zijn droom.
Na 1967 moest Jacob opnieuw vijfentwintig jaar wachten, voordat hij een officiële bouwvergunning kreeg voor zijn plek bovenop de berg Netofa. Hij was in 1961 overgegaan van de Rooms-Katholieke Kerk naar de Melkitische Kerk in Israël, die geünieerd was met Rome, een kerk die zowel de oosters-orthodoxe liturgie bewaarde als het pausschap erkende. In Galilea onderhield hij zowel vriendschappelijke contacten met Palestijnse christenen en moslims als met Joodse Israëli’s. Jacob was een bruggenbouwer en heeft op kleine schaal in Galilea veel betekend voor verzoening en ontmoeting tussen Joden en Palestijnen. De dorpelingen in Deir Hanna zullen vol liefde blijven spreken over aboena Yakoeb, die zijn weinige geld weggaf voor studiebeurzen voor hun kinderen en steeds te hulp kwam in situaties van schrijnende armoede in hun gezinnen. Nog meer dan door Palestijnen werd de Lavra echter bezocht door Joodse Israëli’s, die soms nieuwsgierig en lawaaierig in grote groepen de rust verstoorden op de ‘monnikenberg’, maar soms ook wekenlang meewerkten en de stilte zochten op deze bijzondere plek. Nooit kwam abt Jacob in de verleiding om hen te missioneren. Zijn levensmotto was om ieder mens ‘uit zijn eigen bron te laten drinken’.
Jacob heeft de vervulling van zijn grote droom – de stichting van een Palestijnse monastieke gemeenschap – niet mogen meemaken. Maar hij heeft voor talloze mensen, die langskwamen op zijn berg, of er soms gebroken en wanhopig ‘aanspoelden’, iets mogen laten zien van het licht van God. Zij zullen zich zijn sonore stem herinneren waarmee hij de liturgie zong in het Arabisch en in het Ivriet; zij zullen in dankbaarheid terugdenken aan zijn humor en wijsheid, aan zijn diepborende ogen en milde glimlach. Zijn humor waarmee hij vertelde, toen zijn maag was weggenomen na een kankeroperatie in Israël, dat hij na zestig jaar celibatair priesterschap alsnog op zijn tachtigste levensjaar ‘ontmaagd’ was. Zijn wijsheid waarmee hij vele - met name jonge - mensen de weg heeft gewezen op cruciale momenten in hun leven. Zijn geloof, nooit opdringerig, altijd mild en bewogen. Die glimlach zag ik voor het laatst toen we hem met een groep uit Gouda bezochten op 1 april 2005, een bezoek dat – evenals dat het geval was bij de vorige zeven groepen uit Gouda – een diepe indruk maakte en als het hoogtepunt van de Israëlreis werd beschouwd. Maar we zagen die glimlach nog eens ‘vanuit de overkant’, toen we een aantal dagen na zijn overlijden een kaart van hem ontvingen, geschreven met zijn laatste energie, waarin hij ons bedankte voor de warme vriendschap en ons als zijn laatste woorden toewenste: ‘Tot in de schoot van God’. Voor ons gezin en voor talrijke anderen geldt: Zijn nagedachtenis is ons tot zegen!
Simon Schoon

