‘Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen’

Het is adventstijd, het kerstfeest nadert.
Elk jaar weer een feest waar kinderen intens naar uitzien. Voor hen is het ongetwijfeld het mooiste christelijke feest. Tegen het kerstkind en de lichtjes in de kerstboom kan geen ander feest op. Hebben wij nog iets van dat verlangen uit onze kindertijd bewaard? Kijkt het kind in ons nog uit door onze ogen naar het kerstfeest? Als we ouder worden, verliezen we maar al te vaak die onbevangenheid uit onze kindertijd. Het licht uit die tijd dooft uit. Kerst kan dan zelfs het moeilijkste feest worden. In de donkerste tijd van het jaar komen de herinneringen boven aan vroeger, toen het nog heel anders was. Toen je levenspartner er nog bij was, toen het leven je nog toe lachte. Vele ouderen zijn daarom blij, wanneer die donkere decembermaand voorbij is en het allemaal weer een beetje ‘normaal’ geworden is in januari.

Vorig jaar was het thema van de kerstnachtdienst in ‘de Veste’: ‘Te mooi om waar te zijn?’ Is het kerstverhaal alleen iets voor kinderogen, maar niet meer voor ons, oud en wijs als we zijn? Kennen we nog wat Ida Gerhardt dichtte: 
Kerstnacht – het eenzaam zwerven der gedachten
                                   rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
                                   verlangen naar het helder zingen in de nachten en
                                   het opgaan van een ster, een lichtend teken.
Of is Kerst voor ons een sprookje geworden, waarmee we ons in de donkerste tijd van het jaar misschien nog verwarmen? Er is wat af gefantaseerd over de weigerachtige herbergier, over de os en de ezel, over de ‘herdertjes die bij nacht in het veld lagen’. In al die kerstverhalen komt de diepe behoefte naar voren van mensen aan warmte, hun verlangen naar een betere wereld, hun heimwee naar het verloren paradijs. Het afgelopen jaar is Mieke de Vos-van Dijk overleden in onze gemeente, veel te jong nog. Zij maakte voor de kerstnachtdienst 2002 over dit thema een gedicht, waarin deze regels voorkwamen:  Te mooi om waar te zijn?
                                   Kunnen wij openstaan voor het goede in de ander –
                                   En zo in vrede samen gaan, of is dat te mooi om waar te zijn?
                                   Mogen wij het kind geloven, dat ons diepste denken weet
                                   En ons laat zien het licht hierboven, of is dat te mooi om waar te zijn?

In de kerstnachtdienst van 2002 probeerde ik het thema om te keren. Het Kerstverhaal is te waar om mooi te zijn. Het is namelijk helemaal geen mooi verhaal. Het gaat niet liefelijk toe in Lucas 2. Het is een verhaal over opgejaagde mensen, als speelbal van de machten, van machthebbers, die met mensen schuiven alsof het schaakstukken zijn. Het gaat over herders, schorriemorrie in een achteraf hoek van de wereld. Het is niet ‘mooi’ - dit verhaal. Het is zo levensecht, zo ‘waar’, dat het niet ‘mooi’ genoemd kan worden. Het is zo waar en zo echt, dat het nog elke dag gebeurt om ons heen. Het is ook óns verhaal. Het gebeurt in de nacht, als alles donker is, als je geen hand voor ogen kunt zien. Als er geen God lijkt te zijn, die zijn hand naar je uitsteekt. Dan is er opeens een teken van de andere kant. Soms gewoon door een mens, die een arm om je heen slaat, die je een goed woord zegt. Of door kinderogen vol verwondering die je aankijken. Dit jaar luidt het thema van de kerstnachtdienst: ‘Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen’, naar een regel uit een bekend lied van Huub Oosterhuis. Het lied vervolgt: ‘of ergens al de wereld daagt, waar mensen waarlijk leven mogen, en elk zijn naam in vrede draagt’. Ik wens u allen die kinderogen toe en dat verlangen op het kerstfeest.
                                                                                                          Simon Schoon         

<< Preken