PASEN 2002

Schriftlezingen:
Exodus 14: 9 – 14
Hooglied 3: 1-5
Johannes 20: 1-18

Thema: Rabboeni

Gemeente van Jezus Christus,

Op deze morgen stoot het Licht ons aan.  Op de morgen van Pasen worden we ten dans gevraagd. Maria Magdalena. gaat ons voor in de dans. Althans na haar ontmoeting met de Levende. Zij is de eerste apostel. Een vrouw die vele mannen te sterk is. Sterk door de liefde. Een liefde die sterker is dan de dood.
Haar verhaal mag vanmorgen ons verhaal worden.

Pasen is zo vreemd, zo anders. We horen het ongehoorde. Daarom kun je over Pasen veel beter zingen en dichten dan preken. Poëzie brengt beter dan proza tot uitdrukking wat eigenlijk niet in woorden te vatten is. Sytze de Vries zingt en dicht: “Dan vraagt de morgen
mij ten dans
op witte vleugels
van het Licht.
Ik mag mijn graf te buiten gaan,
gemachtigd door het Licht.”
Pasen komt volgens het evangelie als een geschenk van de andere kant. Het is ons overkomen. Zo trachten de evangelisten dit ongehoorde ter sprake te brengen. Hun  Paasverhalen stamelen er over. Hoe zou je voor zoiets taal kunnen vinden?  Dit is in geen mensenhart opgekomen. In alle berichten in de evangeliën bespeur je nog iets van die eerste schrik, van ontzetting en verbijstering. In de paaswake hoorden we gisteravond iets over het laatste vers van Marcus, het oudste evangelie. Daar staat over de reactie van de vrouwen het volgende: "Zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En ze zeiden niemand iets, want ze waren bevreesd". En in het verhaal van Johannes 20 horen we over de schrik van Maria Magdalena bij het lege graf: "Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar ze Hem hebben neergelegd". Dat is de oorspronkelijke kleur van de Paasverhalen: Schrik en verbijstering.

Tegen die achtergrond is de moderne discussie, of Pasen nu  echt gebeurd is, eigenlijk zinloos. Natuurlijk kan dit niet! Dat weet toch iedereen? Dit is gewoonweg verbijsterend. Hier zijn dan ook geen woorden voor te vinden. Dit verslaat immers alles. Pasen doorbreekt al onze bekende kaders. Het kan ons alleen maar worden aangezegd. Maar hebben we daarbij niet het gevoel overbluft te worden? Blijft het Paasverhaal niet volstrekt ongeloofwaardig?

Misschien kunnen we ons vanmorgen herkennen in die eerste getuige, die éne vrouw: Maria Magdalena. Die naam is een verlatijnsing van haar joodse naam Miriam en ze is afkomstig uit Migdal, een klein dorp aan het Meer van Galilea. Ze heeft dezelfde naam als die vrouw uit het bevrijdingsverhaal in Exodus, Miriam de zuster van Mozes, die haar volk voorging in de dans, met muziek en tamboerijn. Alle vrouwen sloten zich bij haar aan in reidansen. En ze zong een fier lied, een lied op Gods daden van bevrijding. Want Mozes had gezegd: “God zal voor u strijden en gij zult stil zijn”. De bevrijding op Pesach en Pasen komt van de andere kant.

We bepalen ons vanmorgen tot de figuur van Maria of liever: Miriam uit Migdal. De twee discipelen  in hun wedren naar het graf laten we maar lopen. Mirjam is kapot van verdriet. Jezus is dood. En nu ook nog dit: "Zij hebben de Heer weggenomen". Ze laat haar tranen de vrije loop. Hoe is ze hier eigenlijk terechtgekomen, in de tuin bij het graf van Jezus, vroeg in de morgen terwijl het nog donker is? Daar is een hele geschiedenis aan voorafgegaan. Daar is een bevrijdingsverhaal over te vertellen. Het komt er op neer, dat  Miriam een leerlinge van Jezus is geworden, van die wonderlijke rabbi. Daarom noemde ze hem voor zichzelf Rabboeni, mijn meester. Want er ging iets heel bijzonders van Hem uit. Door Hem beleefde ze haar opstanding. Zijn woorden en vooral zijn daden hebben haar geraakt. Hij heeft haar weer een naam gegeven.

Het verhaal van Miriam uit het evangelie is zo geschreven dat we ons zelf er in kunnen herkennen. De traditie zegt dat Jezus haar had bevrijd. Ze was door Hem een ander mens geworden. Door Jezus had ze weer een gezicht gekregen. Maar nu is alles donker geworden. Alles is weggevaagd. Miriam had aan de voet van het kruis gestaan. Haar hele wereld was ingestort. Duisternis overheerst. Haar Licht was uitgegaan. En nu - zondagmorgen vroeg - is ze naar het graf gegaan. De zon is nog niet opgekomen. Bij het graf ontdekt ze dat ook het laatste wat ze had haar nog is ontnomen: Het lichaam van haar geliefde Meester is gestolen. Maar door wie? Snikkend loopt ze rond in de tuin van het graf.

In later tijd wordt door de joden op het Paschafeest de feestrol van Hooglied gelezen. Misschien heeft Miriam zich ook wel in dat lied herkend. Want evenals de bruid in het Hooglied is zij op zoek naar haar verloren geliefde. Het Hooglied is immers niet alleen het lied over de verrukking van de liefde, over het bezit van de liefde. Het gaat in dat lied ook over het verdriet door het gemis van de geliefde. Uit de mond van de bruid horen we de vertwijfeling: "Ik wil opstaan en rondgaan...en mijn zielsbeminde zoeken; ik zocht hem maar ik vond hem niet". Radeloos klampt ze de wachters aan met de vraag:" Hebben jullie ook mijn zielsbeminde gezien?"

Die vraag van de zoekende liefde lijkt sprekend op de vraag van Miriam uit het evangelie. Er is verwantschap tussen die beide vragen. Gelukkig hebben we in onze tijd herontdekt dat het Hooglied gaat over de vreugde van de erotiek en de lichamelijkheid. Maar zowel de joodse als de christelijke traditie hebben in het Hooglied ook altijd een andere, een geestelijke  dimensie teruggevonden. Het lichamelijke en het geestelijke zijn in de liefde immers geen tegenpolen! En de mens is als persoon een eenheid. Zo mogen we de woorden van het Hooglied herkennen in het radeloze zoeken van Miriam van Migdal. Ze vindt haar geliefde niet. Alleen de dood heerst in de tuin van het graf. De schepping spreekt niet meer tot haar. De poëzie van het Hooglied kan niet tot haar doordringen: "De winter is voorbij, de regen is over, verdwenen. De bloemen vertonen zich op het veld, de zangtijd is aangebroken, en `t gekir van de tortel wordt gehoord ons land". 
- Zien wij de lente wel? Of is onze blik verduisterd? Door verlies en dood? Door de vreselijke beelden uit Israël en de Palestijnse gebieden?  Is het niet dwaas over opstanding te spreken vandaag?

Miriam heeft geen oog voor de natuur, voor de opgaande zon. Zelfs een verschijning van engelen kan haar niet op een nieuw spoor brengen. Het zal je toch gebeuren, dat je engelen tegenkomt! Er zijn in onze tijd weer mensen die daarover mee kunnen praten. En waarom ook niet? Er is meer tussen hemel en aarde...Maar kennelijk is een engelverschijning ook niet doorslaggevend.  Miriam komt er in ieder geval niet door op een nieuw spoor. Ze blijft vragen, steeds maar herhalen: "Ze hebben mijn Heer weggenomen. Waar hebben ze Hem neergelegd?"
Miriam zoekt in de tuin naar haar verloren geliefde. Ze is alleen met haar verdriet, alleen met haar gemis. De wereld is voor haar voorgoed een verloren paradijs te zijn. Is dat niet óns aller verhaal? Het had zo mooi kunnen zijn! Maar de klad is er in gekomen. Er loopt een scheur door ons leven. De tuin is voorgoed gesloten en de sleutel is gebroken. ‘Paradise lost’. Het Hooglied van de liefde is verstomd.

Dan komt de verrassende wending in het verhaal van de evangelist. Voor hem is dat alleen maar vergelijkbaar met de eerste scheppingsdaad, toen God zei: ‘Er zij licht’, en er was licht. We krijgen te horen dat Miriam zich omkeert en de tuinman tegenkomt. Althans ze denkt dat hij de tuinman is. Ze klampt hem direct aan: "O meneer, als u Hem weggedragen hebt, zeg me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem terugnemen". Eén woord krijgt ze als antwoord van de hovenier. Hij spreekt haar naam uit: Miriam.  Weer keert ze zich om. Twee keer omkeer! Prachtig uitgebeeld in het schilderij van Elly Mes – hier achter de kansel. Speciaal voor deze paasmorgen en voor deze preek kregen we het schilderij nog een paar weken te leen van de kunstenares. Het schilderij draagt de titel ‘Rabboeni’. 

Nu gaat voor Miriam van Migdal de zon op. In een flits weet ze het: Hij is het weer, Jezus haar meester. Ze is bij name gekend. Ze is geraakt tot in het diepst van haar bestaan. Miriam ontmoet haar vriend in de tuin van de liefde. Het is alsof de nieuwe schepping is aangebroken. In haar duisternis wordt een licht ontstoken dat nooit meer zal worden gedoofd. Nu wordt ze ten dans gevraagd door de Levende. Nu mag ze lachen door haar tranen heen. Nu is het tevergeefs niet meer te bloeien en te minnen. 

Dan geeft Miriam antwoord. Met woorden diep uit haar hart, uit de diepste plek van haar leven. Daar kan ze alleen maar haar moedertaal spreken. Zoals iemand uit Friesland alleen maar zijn geliefde kan toefluisteren in het Fries. Het komt uit haar tenen, uit haar diepste wezen: "Rabboeni" - in het Aramees, de taal van haar jeugd. Die lievelingsnaam had ze in haar hart bewaard: "Mijn meester". Dat is wat Jezus voor haar betekent: haar rabbi, haar leraar. Door Hem heeft ze geleerd wie ze is en wie ze mag zijn. Misschien hadden we een ander woord uit haar mond verwacht. Iets als ‘Zaligmaker’ of ‘Heiland’of zo. Wij mogen ons eigen lievelingsnaam voor Jezus fluisteren vanmorgen. Maar voor Maria is Jezus bovenal haar Leraar. Voorgoed is zijn leerling geworden in het Leerhuis van Jezus. De mystieke liefde brengt haar met beide benen op de grond in het Leerhuis. En ook wij raken nooit op Jezus uitgekeken en mogen aan de hand van Hem leren hoe te leven.

Dan wil Miriam Jezus vastgrijpen. Ze wil alles terug bij af, ze wil de dode terughebben. Ze wil de absolute grens overschrijden. Het visioen moet aardse werkelijkheid worden. Het moet allemaal zo blijven zoals het vroeger was. Miriam wil Hem voorgoed vasthouden. Zoals wij onze doden willen vasthouden. Ik hoorde kortgeleden een verhaal van iemand die zijn overleden vader in een visioen zag. Hij maakte datzelfde gebaar als Jezus: Het is goed met mij, je zult me moeten loslaten. Maar is dat niet onmogelijk? Is dat niet teveel gevraagd? Of zouden we misschien (ik zeg het met grote aarzeling) zouden we dit verhaal van Miriam uit het evangelie zo mogen lezen, dat wanneer we dode Jezus loslaten, we Hem voorgoed terug ontvangen als de Levende?  Dat wanneer we onze doden langzaam leren loslaten, we hen terugontvangen als levenden, anders dan vroeger, maar toch…

Loslaten is oneindig moeilijk. Dat geldt voor vele situaties in ons leven.
Ons gemeentelid Marja Hoogmoed maakte daarover een gedicht, dat ik mag voorlezen. Het heet ‘Loslaten’.

Loslaten
van gedreven handen
van verbondenheid 
gebonden kunnen
verwart verschrikt   
mijn innige wil
in loze gedrevenheid  

Loslaten
van diep verloren tijd
kunnen gevangen zijn
schuld en onvermogen
en in voortdurende
innerlijke
wille strijd

Laat me los
en vrij open gaan
ontvangen Jouw kracht
als tere levensbron
om opnieuw
in het Licht
van Jouw opgaande zon
op te kunnen staan.

Opstaan. Ook opstandig mogen zijn. Maar ook opstaan tot nieuw leven. Na en tijdens het loslaten.
Zowel in het leerhuis als in een jongerengroep spraken we over dit bijbelgedeelte. Het verhal van Johannes20 betekent niet alleen uitzicht voor wie een geliefd mens aan de dood moesten afstaan. Het evangelie wijst ons ook de weg hoe we mogen leven als alles goed met ons gaat. Pasen betekent: mogen bloeien en minnen; dankbaar zijn voor het Licht. Pasen betekent opstaan voor ons allemaal. Een nieuw begin mogen maken na een hopeloze mislukking.

Miriam van Migdal krijgt een nieuwe taak. Zij is de eerste apostel van Jezus. [Moeilijk te verteren voor kerken en christenen, die de vrouw nog steeds achter stellen.] Maria mag het gaan vertellen aan de kring van Jezus' leerlingen, aan die ongelovige mannen: "Ik heb de Heer gezien en Hij heeft mij gezonden". En dezen mogen het op hun beurt wereldwijd gaan vertellen: De God en Vader van Jezus is er voor allen. “Mijn Vader en uw Vader”, zegt Jezus. Iedereen mag het weten: Er zijn vele woningen in het huis van de Vader. Dat geldt niet alleen voor de hemel, dat geldt ook al hier op aarde. 
En zo is dit ongelofelijke verhaal over de opwekking van Jezus tot ons gekomen. Langs de weg van vele eeuwen. Zo horen we het vandaag opnieuw op het feest van het Licht. Het is ons verhaal! Het gaat over onze opwekking uit de dood, in dit leven al. De tuinman treedt ook op ons toe. Hij noemt onze naam. We zijn gekend door God. De Goede Herder kent ons bij name. We worden door de Levende ten dans genodigd in de tuin van de liefde.

‘Hij is de hovenier’, dichtte Ida Gerhardt aan het eind van haar kleven - in haar diep persoonlijke, aangrijpende gedicht. Langzaam is het haar gaan dagen, langzaam heeft ze Hem herkend: ‘Hij IS de hovenier.’ 
En wij? Wij mogen antwoorden op onze eigen manier. Zoals Miriam deed tegenover haar ‘Rabboeni’.
Het Licht van de Paaskaars vertelt ons: De Levende kent onze naam. Dat licht geven we aan elkaar door. Zo zijn we genodigd tot de dans van het Licht.

                                                               Amen.    

<< Preken