‘Dat Koninkrijk van U – komt daar nog wat van?’

Hemelvaartsdag 9 mei 2002

Lezingen: Jeremia 31: 31-24
Handelingen 1: 1 - 11

Gemeente van Jezus Christus,

Een bekend gedichtje van Gerard  Reve luidt:

Dit gedichtje brengt dezelfde gedachte tot uitdrukking als die bekende uitspraak: ‘Jezus verkondigde het Koninkrijk, maar toen kwam helaas de kerk.’ Er klinkt teleurstelling door in die constatering. Wie de geschiedenis van de kerk bestu­deert, ontdekt dat het geloof in Jezus Christus langzamerhand het geloof van Jezus heeft verdron­gen. Het heil dat Jezus nog aankondigde in het Koninkrijk dat nabij was, werd zelfs al spoedig belichaamd gezien in de kerk. De overtuiging ging verloren, dat de messias niet 'los verkrijgbaar' was zonder het door hem verwachte Rijk. Het Rijk werd enerzijds reeds als in de kerk aangebroken beschouwd en werd anderzijds opgescho­ven naar de hemel. De hartstochtelijke verwachting van Israëls profeten en van de leerlingen van Jezus werd vergeten.

Maar de vragen van de profeten zijn onze vragen:
Hoe lang nog??

In de christelijke leer en verkondiging is altijd beklemtoond, dat de joden er ten tijde van Jezus een verkeerde messiasverwachting op na hielden. Zij zouden ten onrechte hebben uitgezien naar een messias, die hen zou redden uit de hand van de Romeinen en die een einde zou maken aan alle onderdrukking. In de christelijke traditie werd deze verwachting bestempeld als ongeloof en verblinding. Tegenover de aardse en politieke messiasopvatting van de joden stelde de kerk het geloof in Jezus als verlosser van de zonden. Hij zou als messias geen aards vrederijk hebben willen stichten, maar alleen een geestelijk en hemels Rijk.
In onze tijd is er een kentering te bespeuren. Er wordt beleden, dat de kerk door te delen in de aan Israël geschonken verwachting zich uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God (artikel 1 concept kerkorde Samen-op-Weg kerken). Het is weer in zwang geraakt om over 'Jezus messias' te spreken. Maar wat is de messias of een messias? Hope weten wij eigenlijk wat dat Hebreeuwse woord betekend?

Uit de bijbel (OT en NT) blijkt overduidelijk, dat een messias altijd gericht is op de bevrijding van Israël.
We lazen een stukje uit de profetieën, dit keer uit Jeremia 31.
Wat staat daar?

Jezus sprak aan de Paschamaaltijd over het nieuwe verbond in mijn bloed? WasHij er van overtuigd, dat het nieuwe verbond (waarvan de profeet Jeremia had gesproken) nu werkelijkheid ging worden? Zou iedere gelovige vanaf dat moment de Heer van binnenuit kennen en niet meer Tora behoeven te leren? Was het al zover? 
Inmiddels zijn we bijna 2000 jaar verder.
     Het lijkt er toch niet op? De kerk heeft het messiaanse Rijk nog veel minder waar gemaakt dan het volk Israel.  We kennen God niet automatisch en van binnenuit. We hebben zijn geboden nog hard nodig. En doorgaans trekken we ons er niks van aan. Geweld heerst alom. En de vragen stapelen zich op. We blijven roepen: ‘Dat Rijk van U, Heer, komt er nog wat van?

Is de verwachting van Jezus over het vernieuwde verbond dan helemaal niet werkelijkheid geworden? Is er dan geen enkel begin van vervulling van datgene wat van een messias verwacht zou mogen worden? Aan het einde van zijn evangelie komt Lucas op deze verwachting terug. Zijn evange­lie begint en eindigt in Jeruzalem en ziet gespannen uit naar de 'vertroosting van Jeruza­lem' (Luc. 2: 25). In zijn laatste hoofdstuk horen we iets over de gesprekken van twee reizigers naar Emmaüs. Lucas heeft dan al het hele verhaal van het leven van Jezus verteld, dat tenslotte zijn bekrachtiging heeft gevonden door Gods daad in de opwekking van de gekruisigde.
     Op de weg naar Emmaüs klagen twee leerlingen van Jezus hun nood tegenover een meereizende vreemdeling. Uitvoerig geven ze alles weer wat er met Jezus van Nazaret is gebeurd en ver­zuchten tenslotte: "Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël verlossen zou" (Luc. 24: 21). Kort en bondig geven zij met deze zin te kennen, wat de joodse messiasver­wachting voor hen betekent. In het verhaal van Lucas wordt deze hoop niet als verkeerd en aards aan de kaak gesteld door de vreemdeling, die uiteindelijk Jezus blijkt te zijn. Hij laat alleen een ander en onverwacht perspectief zien ten aanzien van de wijze waarop deze hoop werkelijkheid zal worden. Aan het begin van zijn tweede boek - Handelingen - pakt Lucas deze draad weer op. Dan vragen de leerlingen aan de opgestane Jezus vlak vóór zijn heengaan: "Heer, herstelt Gij in deze tijd het Rijk voor Israël?" (Hand. 1: 6). Door de opstanding van Jezus is het vuur van deze specifieke joodse verwachting nog heviger opgevlamd. Nu moet het toch zover zijn! Nu zullen eindelijk de visioenen van de profeten vervuld worden. Nu zal God tenslotte Israël herstellen tot de beloofde heerlijkheid.

     Op geen enkele manier berispt Jezus zijn leerlingen vanwege deze vrijmoedige vraag. Hij zegt hen ook niet, dat hun verwachting verkeerd gericht is en dat zij zich finaal vergissen. De vraag naar het herstel van het Rijk voor Israël is feitelijk de meest wezenlijke, die zij op dit moment aan de orde kunnen stellen. Jezus kritiseert hen dan ook niet. Hij gaat alleen in op het tijdstip van de komst van het Rijk. De tijden en gelegenheden vallen namelijk onder de zeggenschap van de Vader. Er zal eerst nog een tussentijd komen, die in het teken zal staan van het werk van de Geest. Het belangrijkste wat er in die tussenperiode zal gaan gebeuren, is dat de getuigen van Jezus zullen uitgaan tot aan de uitersten van de aarde.
     In het antwoord van Jezus is geen sprake van afstel van het Rijk voor Israël, maar alleen van uitstel. Eerst komt een periode, die in het teken zal staan van het weggaan van Jezus. Hij zal de zijnen verlaten en heengaan naar de Vader. De kerk heeft het trauma van dat weggaan van Jezus nooit goed kunnen verwerken. De leegte, die Jezus achterliet, is opgevuld met ambten, regels en theologieën. De intense verwachting van de vroeg-christelijke gemeente is al spoedig opgege­ven en verdwenen in de kerk.
     De kerk heeft die hartstochtelijke verwachting grotendeels losgelaten en volledig 'ontjoodst'. Alle nadruk werd gelegd op het volbrachte heilswerk van Jezus Christus, dat de vergeving van individuele zonden bewerkstelligde. De hoop van christenen werd beperkt tot het uitzien naar het zalig lot van de ziel in het hiernamaals. Alleen aan de rand van de kerk dook de ongeduldige vraag van de leerlingen nog wel eens op: "Heer, herstelt Gij in deze tijd het Rijk voor Israël?" Het waren enkelingen die deze verwachting vasthielden. Doorgaans werden ze door de officiële kerk verguisd en als dwepers beschouwd. Eigenlijk zouden wij deze enkelingen als heiligen in ere moeten houden in de kerk. Want zij waren de heiligen van het ongeduld.
     Een enkel voorbeeld. In de 19e eeuw leefde Johann Christoph Blumhardt, die de vlam van de verwachting bran­dende hield. Hij had de paarden steeds ingespannen staan voor zijn koets bij zijn huis, want hij wilde zo kunnen instappen en wegrijden naar Jeruzalem, wanneer de Heer zou komen. Zo vol overgave leefde hij, dat Schulte Nordholt over hem dichtte:

God, wat hebt Gij gedaan met zulk een hart,
dat zozeer heimwee was en grote dromen?
- Het moet stil liggen wachten in de grond.

En in de 20e eeuw bezong Johannes de Heer in vele populaire liederen zijn hoop op de komst van Jezus en het Koninkrijk voor Israël. De ouderen kennen zijn liederen nog. ‘Dan zal ik de Heer ontmoeten’, enz, enz. Al die hopenden het beloofde niet verkregen. Maar ze bleven uitzien en verwachten. Met overtuiging konden zij bevestigend antwoorden op de vraag, die volgens de joodse filosoof Franz Rosenzweig aan iedere jood gesteld wordt voor de rechterstoel van God: "Heb je op het heil gehoopt?" Waarom zou trouwens hetzelfde ook niet aan elke christen gevraagd worden?

In de kerk is weinig meer terug te vinden van dat heilige ongeduld van de leerlin­gen van Jezus op de dag van zijn heengaan. We zouden toch veel vaker moeten vragen: Is het nu eindelijk zover? Met name op hemelvaartsdag: Komt nu het Rijk voor Israël? Gebeurt het in onze dagen? Is het zo gek dat kerkmensen dat vroegen in 1948, toen…. En in 1967 toen….
Maar nu? Is er nu niet nog veel meer reden om te vragen: Komt er nog wat van? Nu Arafat en Sjaron er zo’n verschrikkelijke puinhoop van gemaakt hebben. Het visioen van gerechtigheid voor Israëli's en Palestijnen lijkt verder weg dan ooit. Juist op een dieptepunt van de geschiedenis van Israel, in de tijd van zware onderdrukking door de Romeinen, vroegen de leerlingen aan Jezus, op de dag van zijn hemelvaart: Komt nu eindelijk dat beloofde Rijk?
    
Voor joden en christenen is de hoop op Gods Rijk onopgeefbaar. Zij kunnen met hun heimwee naar het Koninkrijk niet berusten in een soort utopie, die nooit en nergens werkelijkheid worden. Ergens moet toch een plek zichtbaar worden, een paradijs van vrede, een stad van gerechtigheid, een Mokum waar recht wordt gedaan. Een plek waar eindelijk onze brandende vragen beantwoord worden:
- Waarom moest ik alleen door het leven gaan? – Waarom moest ik mijn geliefde zo vroeg verliezen? – Waarom is de band met mijn kinderen kapot gegaan? – Waarom is er zoveel pijn in mijn leven? – Waarom is er zoveel onrecht en geweld in de wereld?
     Daarom blijven ook wij vragen, net als op de discipelen, en juist op deze hemelvaartsdag:: "God, is het nu eindelijk zover? Herstelt Gij in onze dagen het Rijk voor Israël? Wanneer komt nu eindelijk dat beloofde vredesrijk van U?"     
     
                                                         Dat land, het ons vanouds
                                                         vertrouwde Kanaän,
                                                         waar God zijn stad herbouwt;
                                                         Sion, waar zijt ge dan?          
                                                         (Gezang 294, vers 3)       Amen