OOIT EEN ENGEL GEZIEN?
In de Kerstnacht van het jaar 2000 was het thema in ‘de Veste’: Ooit een engel gezien? Ongetwijfeld weet niemand meer iets van de preek in die dienst. Zo vergaat het preken en dominees nu eenmaal. Maar een enkeling zal nog weten van die wonderlijke bruine vlinder, verdwaald ‘midden in de winternacht’, die zich tijdens de preek op mijn toga nestelde. Het bruin kleurde mooi bij het wit van de toga. Na een poosje luisterde er helemaal niemand meer naar de preek en volgde iedereen gefascineerd de bewegingen van die bijzondere vlinder, die zich middenin in die kerk met honderden mensen had gewaagd. Wat een lef! Misschien dachten sommigen in de kerk, wellicht door een New Age-boekje op het idee gebracht, dat er zich warempel voor hun ogen een engel vertoonde in de gestalte van een vlinder. Waarom ook niet? Die engel wilde ook wel eens weten wat er in de kerk over hem te berde werd gebracht. Hoe dan ook, ik trachtte in een ijdele poging mijn gehoor terug te winnen de vlinder te verjagen. De vergaderde gemeente reageerde ontzet. Wilde hun dominee een aanslag plegen op die mooie vlinder, misschien wel een verklede engel? Maar gelukkig, een zucht van verlichting ging door de kerkruimte. De vlinder fladderde weg van zijn warme plekje op de toga. Nadat hij nog even het hoofd van de prediker had uitgeprobeerd, nestelde hij zich boven op de kanselbijbel. Daar – boven op het Woord van God – heeft hij de rest van het engelenverhaal afgeluisterd.
Die vlinder brengt me een paar jaar later weer op mijn verhaal. Misschien kan ik er nog wat kwijt. Tenslotte heeft toch bijna niemand in die bewuste Kerstnacht de preek gehoord! En engelen zijn nog steeds ‘in’. Er worden congressen aan gewijd en er verschijnen boekjes over hen bij de vleet. De populariteit van engelen beweegt zich nog steeds in opwaartse lijn. Na eeuwen afwezigheid zijn ze helemaal terug van weggeweest. Althans, ze waren afwezig in de officiële kerk en gangbare theologie. In de verhalen van gewone mensen kwamen ze wel voor. Maar die pasten wel op om die verhalen te vertellen, omdat ze er niets voor voelden om voor achterlijk of gestoord te worden uitgemaakt. Sinds huisarts Moolenburgh in 1982 honderden patiënten ondervroeg over hun ervaringen met engelen, mag het allemaal weer. En sindsdien is het hek van de dam. Veel mensen lijken nog eerder in engelen te willen geloven dan in God. Terwijl in de bijbel engelen toch alleen maar hulpjes van God zijn en nooit de aandacht afleiden van God zelf. Ze komen in elk geval veelvuldig in de bijbel voor, al is het meestal niet met vleugels en zeker niet met roze billetjes. Dat soort engeltjes kunnen we beter gewoon weer in de kerstboom hangen over een paar weken. Maar als boden van God komen ze in de bijbel op vele bladzijden voor. Dat valt niet te ontkennen. Waarom zouden mensen die engelen dan vandaag niet meer kunnen/mogen tegenkomen? Dr. Rudolf Boon schreef al in 1983 een mooi boek over engelen, dat hij de volgende ondertitel meegaf: ‘de ontmaskering van een pedant ongeloof’. Hij bedoelde het ongeloof in het bestaan van engelen. Of zijn die engelen en is dat hele kerstverhaal toch ‘Te mooi om waar te zijn? – om even te spreken met het thema van de komende Kerstnacht 2002 in ‘de Veste’?
Met Kerst zijn engelen volop aanwezig. Ik bedoel nu even niet het engelenhaar in de kerstboom en het engelengeduld van hen die het kerstmaal bereiden. Maar de engelen in Bethlehem, die ‘gloria in excelsis Deo’ zongen. Of zongen ze toch Hebreeuws en geen Latijn? Het begon al met de engel Gabriël en zijn boodschap aan Maria. Om nog maar te zwijgen van de verschijningen van engelen aan Zacharias en Jozef? Blijft de prangende vraag van velen van ons: Waarom zien anderen wel engelen en ik nooit? Misschien is het toch vooral een kwestie van er oog voor hebben! Engelen schijnen zich namelijk nog vaker voor te doen in de gestalte van mensen dan in de vorm van vlinders. En zulke engelen zijn er na Kerst ook nog! Dan kun je ze wel eens dubbel en dwars nodig hebben. Die arm om je schouders. Die begrijpende blik. Dat éne woord van begrip.
Ik denk aan dat kleine gedichtje:
‘Als de engel slaapt in jou, – mag ik hem dan wekken?
Als de engel slaapt in mij, - wil jij hem dan wekken?’
ENGELEN
Heinrich Vogel
Wil je ze tegenkomen,
Vraag niet naar hun kledij,
Ze dienen jou tot zegen,
Gods stille heerschappij.
Ze waken en geleiden,
In voor en tegenspoed
En beide handen spreiden
Als het werkelijk moet.
Vraag ook niet naar hun vleugels,
Ze reizen graag te voet
In dalen en op heuvels
Met hun à Dieu als groet.
Ze zien als mensenkindren
Er meestal uit als wij
Opdat geen schroom hen hindre
Te gaan aan onze zij.
Zij hebben vast en zeker
Je vaak al vergezeld
En hebben jou ten bate
Hun naam maar niet verteld.
