OPEN DEUR DIENST IKON 28 juni 1992

in De Veste in Gouda.

Voorganger: Dr.Simon Schoon.

Thema: Onder de vleugels van de God van Israël

Lezingen: Ruth 1: 15 - 18; 2: 1 - 7; 4: 13 - 17.
Handelingen 4: 31 - 35

Aan het adres van de kinderen:Voordat de kinderen naar de nevendienst gaan, wil ik iets tegen hen zeggen, zoals we gewoon zijn. Jullie horen straks een verhaal over een dappere vrouw uit de bijbel: Debora. Wij horen hier in de kerk iets over een andere fiere vrouw uit de bijbel: Ruth. Ruth was een vluchteling. Zij kwam uit een vreemd land, uit het land Moab. Daar woonden de vijanden van Israлl. Maar Ruth ging met haar schoonmoeder Naomi mee om in Israлl te wonen. Dat was niet haar eigen land. Het was moei­lijk voor haar om haar land Moab te verlaten. Dat doe je niet zomaar. Ze werd een vreemdeling en bijwoner in Israлl. Hoor je er dan wel helemaal echt bij?Ook in ons land wonen heel wat mensen, die bij ons gekomen zijn uit andere landen. Uit Chili, uit Ethiopië, uit Turkije, uit Polen. Overal vandaan. In onze stad Gouda wonen ongeveer 5000 buitenlanders, meest Marokkanen. Dat weten jullie allemaal wel. Je komt hen dagelijks tegen. Misschien zit er wel ййn van hen bij je in de klas. Ze zien er anders uit dan jij. Ze eten anders. Ze hebben andere feesten. En de mensen vertellen soms lelijke dingen over hen. Dat is niet zo mooi. Sommigen beschouwen hen als indringers en zijn hen liever kwijt dan rijk.

In Israлl bestonden er wetten en regels, die zeiden hoe je met mensen uit andere landen moest omgaan. Je behoorde aan hen dezelfde rechten geven als aan je eigen mensen. Ze konden ook meedoen aan de feesten van Israлl. Ze mochten schuilen onder de vleugels van de God van Israлl - zo heette dat. Mooi eigen­lijk! Eйn van hen was Ruth, een vrouw uit het land Moab, een vreemdeling dus. Maar Ruth mocht er helemaal bij horen - bij Israël en bij de God van Israлl.
Daar kunnen wij nog wat van leren. Voor het omgaan met de buitenlanders in ons midden. Voor de verhouding met de Marokkanen in onze stad. Want: alle volken zijn in tel bij de God van Israлl. We gaan Psalm 117 zingen: Looft de Heer, al gij volken, op een melodie van Taizй.

Gemeente van Jezus Christus,

Waar is vandaag de gemeente te vinden, die ons als ideaal in het boek Hande­lingen wordt voorgehouden? Zou je niet terugverlangen naar dat allereerste begin van de christelijke gemeente? We lezen dat er velen tot geloof kwamen. Ze waren ййn van hart en ziel. Niemand beschouwde iets als zijn persoonlijk eigendom. Het woord van de wet (van de Tora van God): "Er zal geen arme onder u zijn" (Deut.15: 4) ging in vervulling, want aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte. Een soortgelijke gemeenschap van goederen kwam in die tijd ook voor bij de groep van de Essenen in Qumran. Maar de jonge christelijke gemeen­te ging tot deze praktijk over, omdat de Geest was uitgestort en ze er van overtuigd waren dat het Rijk van God zeer nabij was. Het is best mogelijk dat de auteur Lucas jaren later een iets te mooie ideaalvoorstelling schetst van de beginsituatie van de gemeente maar het blijft een inspirerend model voor ons.
Of gaat dat in onze tijd niet meer op? Na de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa? Ook het vrijwillige communistische experiment van de kibboets in Israлl loopt niet meer zo goed als in de begintijd. Toch heeft het verhaal van de oerchristelijke gemeente ons iets te zeggen, in een tijd van een ver doorgevoerd individualisme, waarin steeds meer mensen vereenzamen, waarin terecht de aandacht gevraagd wordt voor `de arme kant van Nederland', waarin we in de kerken bepaald niet `ййn van hart en ziel' zijn.
In de eerste christelijke gemeente gingen ze alvast het jubeljaar vieren. Ze geloofden in de economie van het genoeg. De Geest gaf hen een nieuw zicht op de wet, op de Tora van God. De Geest was immers uitgestort op het joodse Wekenfeest. Op dat feest werd herdacht en gevierd dat God aan Israлl lang geleden op de Sinaп de Tora had geschonken. Pinksteren op het Wekenfeest!

Wanneer wij de berichten over die eerste christelijke gemeente lezen, dan vragen wij argwanend: Gaven ze niet wat te uitbundig, te enthousiast vorm aan een nieuwe gemeenschap, alsof het Rijk van God al aangebroken was? Waren ze niet overgeestelijk? Maar beter dan kritiek op hen uit te oefenen kunnen we proberen wat te leren van die eerste christenen. Waar zijn onze dromen geble­ven over een levende, vitale en aantrekkelijke gemeente? Waar zijn onder ons de jongeren die gezichten zien en de ouden die dromen dromen? Het is geeste­lijk gezien armoe troef in onze tijd. Onheilsprofeten spreken over een verdere leegloop van de kerken. Het onderwerp God is in vele kringen taboe geworden. Jongeren laten het in grote getale afweten.
Maar in de kerk laten we ons niet gezeggen door onheilsprofeten. We zijn wel gek om mee te gaan doen aan die malaise stemming. We laten ons ook niet door de angst regeren. Want we weten: God is groter! Zijn Geest neemt ons mee op ongekende wegen en opent nieuwe vergezichten, ook in onze tijd, ook in ons land. We hoeven ook echt niet zo benauwd te zijn om zweverig te worden, wan­neer het over de Geest van Pinksteren gaat. Want die Geest plant ons met beide benen op de grond. De Geest leert ons de Tora van God te spellen. Dan stuiten we op die tekst: "Er zal geen arme onder u zijn". En dan horen we, dat aan de vreemdeling in ons midden recht gedaan moet worden.
Het lijkt vandaag wel alsof de éne groep in de kerk bij de Geest alleen maar denkt aan charismatische vernieuwing, aan tongentaal en aan de dienst van de genezing. En dat een andere groep de Geest alleen maar kan verbinden met zaken als vluchtelingenhulp en opkomen voor de armen. In de bijbel worden die beide accenten bijeengehouden. Daarvoor mogen we ons ook inzetten in de gemeente van vandaag. Omdat Jezus is opgewekt en omdat de Geest is uitgestort, grijpt de gemeente vooruit naar wat komen gaat, - een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, waar de tranen gedroogd zullen worden en waar mensen zich naar lichaam en geest volledig zullen kunnen ontplooien.

Lucas heeft in het boek Handelingen een duidelijk verband gelegd tussen de Geest en de wet van God. Ik zeg liever `Tora', niet omdat dat vandaag modieus is, maar omdat het woord `wet' misverstanden oproept. Het doet voornamelijk denken aan verboden en aan straf. De Tora is de bewegwijzering van God voor het leven. Leven naar de Tora is leven uit Gods genade. De Geest werd volgens Lucas uitgestort op het Wekenfeest, dat wil zeggen op het feest van de Tora. De verschijnselen van wind, vuur en talen verwezen naar het gebeuren lang geleden bij de berg Sinaп, toen God zijn Tora gaf aan Israлl.

Op dat Wekenfeest leest het joodse volk het geschrift Ruth, een fiere vrouw uit Moab, die haar lot in eigen handen neemt. Het gaat af en toe wel heel patriarchaal en mannelijk toe in het boekje Ruth, maar de belijdenis van Ruth is de hoofdmelodie van het verhaal: "Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God" (Ruth 1: 16).

Het gaat langs wonderlijke wegen in het verhaal van Ruth. Door de honger gedreven gaat Naomi uit Bethlehem naar het land Moab. Als ze terugkeert, heeft ze haar man en beide zonen verloren. Ze wil niet meer Naomi heten, een naam die `liefelijke' betekent, maar Mara, dat wil zeggen de `verbitterde'. Haar beide schoondochters vergezellen haar op de weg terug naar Bethlehem, Orpa en Ruth. Op haar aandringen keert Orpa terug naar Moab, maar Ruth wil van geen wijken weten. Zij spreekt de ontroerende belijdenis uit: "Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God". Zo komen ze in Bethlehem aan. Daar wordt het ver­haal tot een idylle in de tijd van de tarwe- en gersteoogst. Daarom wordt de feestrol van Ruth door Israлl gelezen op het Wekenfeest, wanneer in vroeger tijd de eerstelingen van de oogst in de tempel werden gebracht.
We kunnen het verhaal van Ruth niet helemaal navertellen. Het lijkt van `toe­val' aan elkaar te hangen. Er staat bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 vers 4: "toe­vallig kwam Ruth op het stuk land van Boaz tercht', een rijke boer in Bethle­hem die ook nog familie van Naomi blijkt te zijn. Maar het is alsof de auteur van het verhaal ons tussen de regels door wil vertellen: Toeval bestaat niet! Let maar goed op, dan ontdek je dat achter de onoverzichtelijke gebeurtenissen toch de hand van God schuilgaat. Dat overziet een mens meestal niet. Daarom geldt er voor het leven in Israлl maar ййn richtsnoer: je houden aan de spel­regels van de Tora. Dat doen Naomi en Ruth. En daarom geeft Boaz zijn knechten opdracht om aren te laten vallen. Er mogen in Israлl immers geen armen zijn. Boaz onderkent dat Ruth is komen schuilen onder de vleugels van de God van Israлl (Ruth 2: 12). En uiteindelijk trouwen Boaz en Ruth op grond van het lossingsrecht zoals dat in de Tora beschreven staat.
Je vraagt je wel af: Wordt hier toch niet door mannen alles beslist over vrouwen? Gaat het uiteindelijk alleen om nageslacht voor Boaz? Nee, de heldin van het verhaal is ontegenzeggelijk een vrouw - Ruth. Haar belijdenis geeft de doorslag. Zij gaat schuilen onder de vleugels van de God van Israлl. Door haar keus wordt de gang van het verhaal bepaald. Zij wordt betrokken bij Gods heilsplannen met Israлl en de wereld. Haar kind Obed is de grootvader van koning David. En Ruth krijgt een ereplaats in het geslachtsregister van Jezus.

Ruth is de voormoeder van al die mensen uit de volken die zijn gaan geloven in de God van Israлl. Zij zijn daardoor - evenals Ruth - onopgeefbaar verbonden met het joodse volk. Eerst komt: "Uw volk is mijn volk", dan volgt: "Uw God is mijn God". Op het Pinksterfeest werden alle talen van de wereld gesproken. Het verbond van God met Israлl werd verbreed naar de volken. God ging de volken "tellen als in Israel ingelijfd" en deed hen "de naam van Sions kindren dra­gen" (berijming Psalm 87). Er onstond langzaam een kerk uit de volken. Helaas heeft die kerk zich in de loop van de tijd op een verschrikkelijke manier gekeerd tegen het joodse volk. Ze vergaten te zeggen: "Uw volk is mijn volk". Als wij ons vandaag van dit verleden aan het bekeren zijn als kerken, kan Ruth ons daarbij inspireren. Ruth ging als vreemdelinge delen in de vreugde om de Tora. In onze verbeelding mogen we Ruth zien staan onder de menigte op die eerste Pinksterdag in Jeruzalem, op het Wekenfeest. Zij wijst ons met haar belijdenis de weg, in verbondenheid met het joodse volk, delend in de beweg­wijzering van God voor het leven. Dan ontdekken ook wij, dat er onder ons geen armen mogen zijn. En dat er aan vreemdelingen recht moet worden gedaan. Dan groeit er bij ons een gemeente waar mensen niet bekneld raken, maar waar ze de ruimte krijgen en kunnen opbloeien naar lichaam en geest. Een gemeente waar de wereld volledig in het vizier komt йn waar tegelijkertijd geborgenheid te vinden is. Waar we mogen zingen met woorden uit Psalm 61, die we Ruth in de mond zouden kunnen leggen:     "Laat mij als een kleine vogel  schuilen mogen
waar G' uw vleuglen om mij slaat".                                                                                                   

   << Preken