Lezing OJEC woensdag 26 november 2008

‘Joden en christenen over Israël – op het snijvlak van geloof en politiek’
Aandacht voor de context

Persoonlijk
Vandaag wil ik een nogal persoonlijke lezing houden. Het thema vraagt er om. Ten aanzien van de aangekondigde thematiek bestaat immers geen objectiviteit. Dan kun je maar het beste niet doen alsof die objectiviteit wel bestaat en gewoon je papieren op tafel leggen. Niet net doen alsof je de waarheid in pacht hebt. Dat heb ik bij-geleerd, sinds ik precies 35 jaar geleden naar Israël ging, midden in de Jom Kippoer-oorlog, om kennis te maken met Nes Ammim. Toentertijd dacht ik dat ik die objectieve waarheid kende. Israël was Gods wonder. En er mocht geen tweede holocaust plaatsvinden [we zeiden toen nog niet ‘Shoa’]. En God stond aan de kant van Israël – dat was voor mij 100% zeker. Je hoefde maar de bijbel te lezen, en dan wist je dat. Onbegrijpelijk, dacht ik, dat de meeste christenen dat in de afgelopen eeuwen nooit gezien hadden, op een paar randfiguren na.
Ik ben inmiddels veranderd. Dat wil zeggen niet totaal, gedeeltelijk. Er is continuïteit en discontinuïteit. Later meer hierover. Sinds het boek van Joris Luyendijk, Het zijn net mensen, wantrouw ik de berichtgeving nog meer dan ik voordien toch al deed. Ik ben ontzettend onder de indruk geraakt van de verschillende achtergronden, contexten, van waaruit mensen spreken. Heb je het over ‘het Israëlisch-Palestijns conflict’ als Israëli of als Palestijn? Als jongere of als oudere? Als iemand die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt of lang daarna geboren is? Woon je in Galilea als Israëlisch staatsburger, als Jood of Palestijns Arabier, of ben je buitenlander en gast? Vanuit welke seculiere of religieuze achtergrond spreek je en op welke heilige geschriften beroep je je? Op Tenach, of op de bijbel of uitsluitend op het Nieuwe Testament, of op de Koran? Of als niet–religieus betrokkene op welke gezaghebbende wetenschappelijke studies? En hoe ga je om met die studies, bijv de historische studies over 1948 (NB het verschil tussen Benny Morris en Ilan Pappe). Nogmaals wat is je context? Moet je dienen in het Israëlische leger of ben je opgegroeid in een vluchtelingenkamp in de West Bank en ken je de Israëlische gevangenissen van binnen?  

Kortom: contexten zijn telkens weer verschillend. Oog voor die contexten is wezenlijk.  Daarom ga ik daar nu maar mee verder. Achtereenvolgens: De context van Israël, de context van de Palestijnen, de context van Nederland, de context van de kerken, en al die contexten vanuit mijn persoonlijke optiek. Met ten slotte enkele conclusies.

De context in Israël
De sfeer is gedeprimeerd. Na twee intifada’s en de Libanonoorlog, na de machtsovername van Hamas in Gaza en de raketten op Sdorot, na de mislukte regeringsformatie van Tsipi Livni, na alle fraude van hoge pieten, is de sfeer gedrukt en het vertrouwen in de politiek tot een minimum geslonken. ‘Het circus gaat door’, denken en zeggen de meeste. Ze keren zich af van de politiek en begeven zich in de Saturday night fever in de talloze Amerikaans-aandoende malls in Israël. Velen volgen het nieuws niet meer en trekken zich terug in de privésfeer. Ramallah is mijlenver bij Jeruzalem vandaan, en lichtjaren verwijderd van Tel Aviv. De werelden van Palestijnen en Israëli’s zijn vrijwel totaal gescheiden. De West Bank heeft aparte wegen, die aangelegd zijn voor de kolonisten. De meeste Palestijnen zitten opgesloten achter de Muur, het fenomeen dat de Israëli’s het ‘veiligheidshek’ plegen te noemen. De meeste Palestijnse jongeren kunnen er nooit uit, want wie van hen heeft er nooit eens stenen gegooid; dan geld je toch als een slapjanus.
In Israël lijkt alles redelijk rustig en vredig. Schijn bedriegt overigens, getuige de uitbarstingen tussen Joden en Arabieren onlangs in Acco. Toeristengroepen zijn ongeveer een jaar na de Libanonoorlog weer teruggekeerd, kussen weer snikkend de zalvingssteen in de Heilige Grafkerk en gaan en masse  zingend het doopwater van de Jordaan in bij Yardenit. Verreweg de meeste toeristen spreken geen Israëli’s of Palestijnen, behalve dan de gids. Goed voor de toeristenindustrie, maar nietszeggend voor de betrokkenheid bij de problematiek van de levende mensen.
Natuurlijk zijn er de fact finding missions. Die vinden wat ze willen vinden. Als ik hun programma’s  zie, kan ik na 1 minuut voorspellen hoe na 10 dagen hun ‘onthullende conclusies’ zullen luiden.  De samenstellers van hun programma hebben dat namelijk bij voorbaat beslist. Maar ze kunnen nu zeggen dat ze er zelf geweest zijn en gelden voortaan als experts. Doorgaans zijn ze alleen bevestigd in wat ze toch al wisten. In de meeste extreme gevallen hebben ze óf alleen de verschrikkelijke Muur en de extremistische setllers in Hebron gezien óf ze hebben zingend de komende messias verwelkomd bij de dichtgemetselde poort van Jeruzalem en de settlers in de West Bank bemoedigd om toch vooral verder te gaan met het vervullen van de bijbelse profetieën.

In Israël wordt door vrienden van mij verwacht dat ik betrokken meepraat. Bijvoorbeeld over het boek van Haim Watzman, Company C, an american’s life a s a citizen-soldier in Israel. Hij is uit de VS afkomstig en is lid van de modern-orthodoxe Jedidja gemeente in Jeruzalem, waar ik regelmatig als gast kom en meebid. Een gemeente die zeer actief is in dialoogcontacten met Palestijnen. In zijn boek volg ik zijn gewetensconflicten, als hij zijn dienst in het leger vervult, zijn militaire ‘activiteiten’ in de West Bank tijdens de tweede intifada, waar hij opeens in een totaal ander situatie tegenover zijn dialoogpartners staat. Wat blijft er dan over van hoge en verheven idealen? Wanneer moet je orders weigeren? Anderen in zijn gemeente Yedidja weigerden militaire dienst. Heftige discussies als gevolg. Moet ik me daarin mengen? Ik ben tegelijk outsider en insider. Bewonderingswaardig zo’n gewetensstrijd, of je zijn conclusies nu deelt of niet. Zijn grootste twijfels worden duidelijk, als hij schrijft over de bescherming die het leger moet bieden aan de setllers in de West Bank, die ‘een soort van apartheid’ [?] in de West Bank hebben gecreëerd en regelmatig de Palestijnse bevolking bedreigen en molesteren. Hij demonstreert tegen heb in zijn vrije tijd en beschermt heb in zijn militaire diensttijd. Een dilemma dat velen kennen. Je vraagt je af, hoe lang dat kan doorgaan zonder grote emotionele psychische schade. De bekroonde Israëlische documentaire To see if I am smiling (onlangs op NL tv) is indrukwekkend en schokkend, over vrouwen in het Israëlische leger en hun ervaringen in de West Bank.
Ten slotte: Wie de angst van Israëli’s niet begrijpt of bagatelliseert, is niet geschikt voor het gesprek en kan beter zijn mond houden. Of moet zich maar eens proberen in te denken, wat Nederlanders zouden voelen, wanneer de Belgen (à la Hamas) in Gaza ons van de kaart zouden willen vegen en wanneer de Fransen zich (à la Iran) zouden opmaken om ons nucleair te bedreigen en wanneer de Luxemburgers (à la Hezbollah) in Libanon raketten zouden hebben klaar liggen om Amsterdam te bestoken. 

De Palestijnse context
In de jaren 1974-1981, toe ik in Nes Ammim woonde en werkte, was ik reeds volop betrokken bij contacten met Joden en Palestijnen in Israël en de West Bank. Dat was toen niet zo omstreden en gepolariseerd als vandaag. Er heerste toen een optimisme, dat gebaseerd was op al te naïeve vooronderstellingen. Met name dat een humane bezetting mogelijk zou zijn. Sindsdien hebben de Palestijnen hun rechten opgeëist, op verschillende manieren, op gerechtvaardigde en ongeoorloofde wijze. En Israël heeft in achtereenvolgende regeringen deze rechten erkend, maar vaak ook gefrustreerd. In elke weekendeditie van de Jerusalem Post en van HaArets vliegen de analyses, kritieken en oplossingen je om de oren. Interessanter overigens dan al die fact finding missions uit het buitenland, die hun eigen ideeën aan Israëli’s en Palestijnen trakteren en beledigd weggaan omdat die oplossingen niet worden overgenomen. Ondanks de Annapolis conferentie, ondanks de inspanningen van Bush, Olmert en Abbas, ondanks het feit dat het merendeel van de Israëlische bevolking volgens opiniepeilingen een compromis over het land en de grenzen voorstaat, zit het vredesproces muurvast. De argwaan is te groot. De trauma’s zijn te diep. De tegenstellingen tussen Palestijnen onderling zijn  te groot. De lobby van de kolonisten is te machtig. En regeringscoalities in Israël te zwak om grote veranderingen door te voeren.
De Nederlandse Palestijn Arjan El Fassed komt in zijn boek Niet iedereen kan stenen gooien. Een Nederlandse Palestijn op zoek naar zijn wortels en identiteit tot de conclusie dat één binationale staat op het éne gebied de beste oplossing zou zijn. Hij is zich natuurlijk bewust van het feit dat die zogenaamde oplossing Israël voor de onmogelijke keus stelt om óf haar joodse karakter te verliezen omdat de Palestijnen demografisch de overhand zullen krijgen óf voor het front van de hele wereld te kiezen voor een apartheidsstaat waarbij de Palestijnen hun rechten zullen verliezen. Vanuit de context van deze NL-Palestijnse Arjen en van zijn familie misschien begrijpelijk; voor Israëli’s en Palestijnen een doodlopende weg.
De Palestijnse context is miserabel. Wie zoals ik vele malen de checkpoints is gepasseerd door de muur of het veiligheidshek, kan alleen maar zeer pessimistisch zijn. De meeste westerse toeristen durven de confrontatie niet aan. Wie de situatie in Hebron ziet en kent, kan alleen maar wanhopen over enige oplossing. Extremisme viert hoogtij. Ik interviewde settlers in de buurt van Hebron en Palestijnen in vluchtelingenkampen. Je wordt er bepaald niet vrolijk van. En dat is een understatement. Als je dan ook nog de artikelen van de verguisde en gevierde Israëlische journalist Gideon Levy wekelijks in HaArets leest, word je gedeprimeerd. Hij schrijft wat niemand wil horen en wat toch gebeurt. Het boek van de journalisten Akiva Eldar en Idith Zertal, The Lords of the Lands. The war over Israel’s settlements in the occupied territories, 1967-2007, stelt de ontwikkelingen scherp aan de kaak. Waarschijnlijk is een twee-staten-oplossing al geen reële optie meer door deze voldongen feiten politiek van alle achtereenvolgende Israëlische regeringen. Een betrokken buitenstaander kan er alleen maar hartgrondig pessimistisch van worden. Een situatie als deze is een kweekplaats voor religieus extremisme.

De context in Nederland
Het blijft allemaal heel fragmentarisch in deze lezing. Over iedere context zou een aparte lezing te houden zijn. Maar dan merk je minder hoezeer die contexten overlappen én verschillen en elkaar vaak niet of nauwelijks raken. 
De laatste anderhalf jaar heb ik in twee werelden geleefd. Meestal in Israël, af en toe in Nederland. Het jaar 2009 begin ik weer met drie  maanden Israël, opnieuw als coördinator van het dialoogwerk in Nes Ammim. In maart zal ik mijn opvolger inwerken en komt er voorlopig een eind aan mijn ‘heen en weer-gereis. Hoe ervaar ik ‘de situatie’, wordt me vaak gevraagd. Ha-matsav of ‘de situatie’ is een eufemisme in Israël, om het Israëlisch-Palestijns conflict niet bij name te hoeven noemen. Eerlijk gezegd, moet ik dan bekennen, word ik er vaak heel moedeloos van. Als er niet gevochten wordt op het slagveld, wordt er wel gevochten in de pers en in de media. De PR oorlog gaat constant door. En iedereen kan meedoen, via de mail, en met name via de fact finding missions. Wie is er werkelijk bereid zijn oor aan beide kanten te lenen? Wie is er in staat om zijn oordelen een poos op te schorten en echt te luisteren?
In Israël verkeer ik vaak in een spagaat, maar in Nederland is dat nog erger. In Israël verwacht men van mij dat ik volop meepraat, kritisch en solidair, meestal rechttoe rechtaan, zowel bij Joden als Palestijnen. In Nederland moet ik opeens weer geweldig oppassen. Moet ik op mijn  woorden letten, die vaak verkeerd kunnen worden uitgelegd. Je verraadt jezelf onmiddellijk, als je in bepaalde kring over ‘de muur’ praat of in andere kring over de ’bezette   gebieden’ in plaats van het ‘bijbelse Judea en Samaria’. Iedere groep heeft zijn eigen mythen. De polarisatie viert hoogtij. Het is zo verleidelijk en het lijkt zo eenvoudig om helemaal aan één kant te gaan staan. Ik krijg heel wat hatemail van mensen die me een soort verrader vinden. Van Christenen voor Israël tot en met Keerpunt-activisten, van zeer verschillende kanten dus. Ik zal maar niet over rechts en links praten. In Nederland doet men de polarisatie van Israël nog eens over, en niet dunnetjes.
Er moet dan wel bij vermeld worden, dat velen, juist ook kerkmensen, zich teleurgesteld hebben afgekeerd van deze hele thematiek. Ze zijn er moe van. Ze hebben het gevoel ‘het wordt toch nooit wat’. De situatie achter het IJzeren Gordijn is veranderd, de kwestie Noord Ierland is min of meer verleden tijd, in Zuid-Afrika is een nieuwe situatie ontstaan, maar in het Israëlisch-Palestijns conflict lijkt de situatie volledig vastgelopen. Máár dan zijn er in Nederland ook de volhouders; misschien moet je diehards zeggen. [Misschien zijn wij dat ook wel?!] e menigten zijn wel uitgedund en aanzienlijk vergrijsd. Er zijn mensen die met de bijbel in de hand precies weten hoe het zit. En mensen die het licht is opgegaan over ‘de andere kant’, die ze tot dusver niet gezien hadden en nu van de weeromstuit alleen nog de Palestijnse kant van het verhaal willen horen. Eén ding is me duidelijk: Israël  heeft de meest kritische profeten in eigen huis, die kunnen schrijven wat ze willen. Daar kunnen critici in Nederland niet aan tippen. Ze zouden voor antisemieten uitgemaakt worden. En misschien is dat nog waar ook. Het scheelt namelijk veel waar je zelf staat en wat je context is.
In deze maanden houd ik nogal wat lezingen in Nederland. Voor zeer verschillende gezelschappen. Het is een aparte sport – een eigenaardige hobby van me – om de vragen te gaan voorspellen die in verschillende kring gesteld worden. Vragen zoals – even uit het leven gegrepen:
- ‘Vindt u ook niet dat de islam steeds verder oprukt in Nederland? In Betlehem moeten de christenen al vluchten voor de moslims, weet u dat wel?’
- Of andersom: ‘Al dat dialoog-gedoe in Nes Ammim is niks anders dan een verhulde poging om het zionistische streven te steunen en het onrecht jegens de Palestijnen niet aan de kaak te stellen. 
- Of weer: ‘Weet u wel dat er steeds meer messiasbelijdende Joden in Israël zijn, van wie sommigen hun geloof natuurlijk geheim houden vanwege de vervolgingen? Dat beteken toch dat het einde der tijden nu spoedig aanbreekt?’
- Of andersom: ‘Die poging van u om én-én te zeggen is feitelijk slap, van twee walletjes willen eten, niet durven kiezen voor gerechtigheid’. 
Ja, ga er maar aan staan!

De context van de kerken
De euforie van de jaren zeventig is voorbij. Na de zesdaagse oorlog van 1967, en nadat ook de volle zwaarte van de Shoa was doorgedrongen (en het aandeel van een anti-judaïstische theologie daar aan), brak er een periode van filo-judaïsme en tegelijk grote solidariteit met de staat Israël aan. Maar de jongeren van vandaag hebben geen schuldgevoelens ten aanzien van het jodendom en tav Israël. Zij hebben ook geen grotere interesse in het jodendom dan in andere godsdiensten. Helaas want daarmee hebben ze geen enkele antenne voor de oorsprong van de kerk. De islam vraagt alle aandacht, en is een groter maatschappelijk vraagstuk in Nederland dan de relatie tot Israël. De hausse aan leerhuizen is helaas ook voorbij. Wat er nog komt, is doorgaans een zeer vergrijsd publiek. Jammer dat de leerhuis-beweging er niet in geslaagd is een vertaalslag te maken naar de 21e eeuw. Hun ‘theologie’ (voor zover je daarvan mag spreken)  is een protest tegen het institutionalisme van de kerk. Ze zijn er niet echt in geslaagd de ontmoeting met het jodendom vruchtbaar te maken voor hun eigen identiteit. Ze vergelijken doorgaans het mooiste van het jodendom met het slechtste van het christendom.

Alleen de rechtervleugel in de kerken staat nog steeds onvoorwaardelijk pal achter Israël. De reden is duidelijk: Israël vervult een sleutelrol in hun toekomstverwachting. Zij weten op grond van hun dispensationalistische uitleg van de profetieën precies wat Joden en Israël moeten doen. En zij helpen een handje. Dat Israëli’s die hulp, en vooral die onvoorwaardelijke ondersteuning, best kunnen gebruiken, is hun niet kwalijk te nemen. De christenen moeten hun eigen huiswerk doen en onderling daarover discussiëren. Enkele geleerden in Israël bestudeerden grondig de achtergrond van deze christelijke Israël-euforie en waarschuwen er voor. De support is namelijk wel degelijk voorwaardelijk: Israël moet de rol vervullen die de bijbel volgens deze christenen voorschrijft, en is anders naar hun mening ongehoorzaam aan God.

In twee discussierondes heeft de PKN synode zich uitgesproken over het Israëlisch-Palestijns conflict.  Het was over het algemeen een hoogstaande discussie, een mening die uiteraard niet gedeeld wordt door actiegroepen ter linker en rechter zijde. De éne partij wil het KO artikel over de ‘onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’ liefst helemaal schrappen, de andere partij wil die onopgeefbare verbondenheid uitbreiden van het volk Israël naar de staat Israël. Waarbij men vergeet dat een kerk nooit en te nimmer  een onopgeefbare verbondenheid heeft met een staat, met geen enkele staat, dus ook niet met de Joodse Staat. De kerk erkent dat Joden een onopgeefbare verbondenheid hebben met deze staat en dat dit deel uitmaakt van de joodse identiteit. De discussie hierover is vaak uitermate verwarrend.
[Zo schrijft het Appèl Kerk en Israël bijvoorbeeld aan de PKN synode, dat de “de verbondenheid met Israël van een totaal andere orde is dan de verbondenheid met Palestijnse kerken of christenen elders, en ook van andere orde dan solidariteit met slachtoffers van geweld en discriminatie. De verbondenheid met Israël is onontkoombaar omdat de kerk (ook de Palestijnse, of ze dat nu belijdt of niet) in Israël geworteld is. Dat geldt voor alle andere relaties van verbondenheid niet.” Hier worden volk en staat opnieuw verwisseld.]

De PKN synode heeft, anders dan vele verontrusten verwachtten, en tegen een media-hype in, vrijwel unaniem vastgehouden aan het kerkorde-artikel en de onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël opnieuw bevestigd. Tevens heeft de synode zich uitgesproken meer aandacht te zullen hebben voor de oecumenische verbondenheid met Palestijnse christenen. Dit lijkt me terecht en niet meer dan vanzelfsprekend. Anders dan vaak beweerd wordt, is de kerk niet kritischer ten aanzien van mensenrechtenschendingen door Israël én door de Palestijnen, eerder softer dan ten aanzien van andere brandhaarden in de wereld. Omdat men op eieren moet lopen vanwege alle actiegroepen die de synode met argusogen volgen.

Mijn persoonlijke context
Daar ging het al over bij de andere contexten, maar nu nog iets explicieter. Onlangs werkte ik mee aan een NCRV tv- documentaire, op 18 oktober uitgezonden, over het dialoogwerk vanuit Nes Ammim in Galilea. De Joodse vrouw Zahava Keller vertelde haar bewogen verhaal. En de Arabier Elias Jabbour confronteerde de kijkers met schokkende feiten. Natuurlijk werd mij gevraagd, of ik ook van mening veranderd was in de loop van de jaren. Ik stond tijdens dat interview bij de restanten van een in 1948 verwoest Arabisch dorp, vlakbij Nes Ammim. Ik had er in die jaren dat ik in Galilea woonde, 1974-1981, aan voorbij gezien. De achtergrond van de ruïnes van dat dorp bij het interview was niet toevallig. Ik heb inmiddels de realiteit leren kennen. Door talloze verhalen, van Joden en Palestijnen. De bijbel hanteer ik nu niet zo gemakkelijk meer inzake het Israëlisch-Arabisch-Palestijns  conflict. Ik weet het allemaal niet meer zo precies als 35 jaar geleden.
Niet dat ik totaal van mening veranderd. Ik heb geen spijt van mijn keuze van toen. Nee, ik ben geen spijtoptant, wat ik meen te beluisteren bij iemand als Van Agt, wanneer hij spreekt over zijn vroegere houding ten aanzien van Israël. Ik sta nog steeds volledig achter het bestaansrecht van de staat Israël. Ik erken de existentiële betekenis van deze staat voor de Joodse gemeenschap, zoals het voorbereidingspaper van deze conferentie vaststelt in punt 1. Dat het land ook voor Palestijnen een existentiële betekenis heeft (punt 3), had ik ook in de jaren 1974-1981 al ontdekt. In de tijd van de landonteigeningen in Galilea en de opstand van Israëlische Arabieren daartegen, waardoor tot op vandaag 30 maart als Land-dag in ere wordt gehouden. Toen al – in de zeventiger jaren - had ik vaak het gevoel in een spagaat te verkeren. Zo werd ik voor een gesprek ontboden bij de geheime dienst: ‘Waarom ik zoveel contacten met Arabieren onderhield?’ En soms vroegen Joodse vrienden me, hoe de Arabieren over hen dachten in hun dorpen. Ik verloor al gauw de naïviteit waarmee ik gekomen was, misschien dankzij een ongelofelijke nieuwsgierigheid en sterke interesse in mensen. Ik stapte overal op af en luisterde naar verhalen. De verhalen van de overlevenden van de Shoa, met hun nummers op de arm gekerfd, in het naburige Lochamei Hagettaot, waar het grote museum staat van de holocaust en de getto-opstand. De verhalen van de joodse pioniers in Nahariya en de kibboetzim in de buurt. Maar ik kreeg ook Palestijnse vrienden in Mazra’a en Kfar Yassif. Ze lieten me de eigendomspapieren zien van hun land, dat hun ontnomen was. Ze vertelden over discriminatie en tweede-rangs-burgerschap in Israël. En omdat we op zaterdag onze rustdag en kerkdienst hielden, kon ik er bijna iedere zondag op uit en maakte de kerkdiensten met de oosterse liturgie, in de kerken  die als toevluchtsoord dienden voor de Palestijnse identiteit.

En nu?
De spagaat is nog sterker geworden. De situatie is verder gepolariseerd, na twee intifada’s en na de Libanonoorlog van 2006. Voor mij geldt nog steeds een diepe verbondenheid met het bestaansrecht van de staat Israël en een grote betrokkenheid bij alle slachtoffers van het ellendige en voort-durende conflict. Ik vertik het om me bij één kamp te laten indelen van de rivaliserende partijen. En al helemaal niet bij één van de elkaar bevechtende kerkelijke actiegroepen in Nederland. Dat leidt alleen maar tot zwart-wit-standpunten. Tot hete hoofden en koude harten. Romantisering van Israël lijkt me gevaarlijk voor die staat. Ik ben de naïviteit voorbij na 35 jaar. Maar ik heb een onverklaarbare en emotionele onopgeefbare verbondenheid met dat omstreden land en al haar bewoners. En blijf hopen op en bidden om de vrede van Jeruzalem (naar Psalm 122). Op dit moment probeer ik die verbondenheid vorm te geven in het dialoogwerk van Nes Ammim in Galilea. De tv documentaire  van 18 oktober toonde dit pogen, bij monde van een Israëlische Arabier en een orthodox-joodse vrouw. Zij zijn betrokken bij het locale comité dat dit werk stuurt en vormgeeft, dus zonder bevoogding van onze kant. Voor mij een klein teken van hoop. Zoals er gelukkig veel meer zijn.

Conclusies
Ik heb geen oplossingen. Ik vind ook niet dat de kerken met politieke oplossingen de betrokkenen daar voor de voeten moeten gaan lopen. Ik zou zeggen: Schoenmaker, houd je bij je leest. Doe waar je goed in bent. Ja, natuurlijk wedijveren zowel Israëli’s als Palestijnen om de sympathie van kerken en christenen. Het is een onderdeel van hun voortgaande PR oorlog. Naar mijn overtuiging heeft de kerk echter een andere taak. Die is: Luisteren. Verhalen aanhoren, zowel van Joden als Palestijnen. Het gesprek bevorderen van betrokkenen, zonder er doorlopend en betweterig doorheen te kakelen. Plekken creëren waar de angsten van beide kanten ter sprake kunnen komen. De angsten van Israël voor Iran, voor Hezbollah, voor Hamas.  De angsten van Palestijnen voor de bezetting, de sluipende annexaties, de voldongen feiten van de kolonisten.
Wat staat kerken en christenen te doen? Geen verdubbeling van wat politici en actiegroepen doen. Minder verklaringen uitgeven. Meer werken aan bruggen bouwen en vredesgroepen steunen. Dat is geen softe bedoening die nergens toe dient. Dat is de enige begaanbare weg om vijandsbeelden af te bouwen en op die manier de basis te verbreden voor de bereidheid tot compromis. Niet erg spectaculair misschien. Je komt er niet door in de krant. Het is een druppel op een gloeiende plaat. Maar zonder die druppels is de plaat nog gloeiender.

<< Lezingen