Joden, christenen en hun messiasverwachting

Simon Schoon

Wie had dat ooit gedacht, toen ik meer dan vijftig jaar geleden regelmatig een onsje rookvlees moest halen bij de gereformeerde slager Van’t Riet in mijn geboortedorp Broek op Langedijk, - overigens alleen omdat er geen christelijke gereformeerde slager in de buurt was! Wie had toen kunnen bevroeden, dat ik ooit nog eens met zoon Peter van die slager in debat zou gaan over messiasverwachting en de betekenis van het jood-zijn van Jezus? Met bewondering heb ik vanuit de verte zijn loopbaan gevolgd en de meeste boeken gelezen die hij, eerst samen met Will Barnard, geschreven heeft. Bewondering voor iemand die wiskunde en psychologie studeerde, nu als ICT-manager werkzaam is aan de christelijke hogeschool Windesheim in Zwolle, voorzitter is van de Stichting Leerhuis Judaica in Zwolle, en onvermoeibaar verdedigt dat het christendom terug moet keren naar zijn oorspronkelijke joodse roots. Het publiek dat de leerhuizen bezoekt, waar zowel Van’t Riet als ik regelmatig als inleiders uitgenodigd worden, zal ons beiden ongetwijfeld als bondgenoten voor dezelfde goede zaak beschouwen. Wie schetst hun verbazing, nu ze deze beide artikelen in Interpretatie lezen!  Toch is een helder debat nooit weg. Tenminste wanneer het daarbij gaat over wezenlijke zaken. Dus niet op grond van een beknopt verslag in Trouw. Het moet echter lukken om achter dat krantenbericht te zoeken naar de wezenlijke vragen. Het lijkt me van groot belang dat die eens helder op tafel komen. Daarom ben ik blij met de aanzet van Peter van’t Riet.

Messiaanse koorts

De conferentie in Kampen op 12 oktober 2004 ging over ‘Messiasverwachting in jodendom en christendom: bron van ellende en vreugde’.[1] In de lezingen en workshops kwam de ellende heel wat meer uit de verf dan de vreugde. In mijn inleiding sprak ik over ‘Messiaanse koorts bij joden en christenen’. Het ging over christelijke kruisvaarders en over joodse kolonisten, over apocalyptisch-messiaanse opvattingen en de fatale gevolgen daarvan. De christen-zionistische Christenen voor Israël met hun blad Israëlaktueel werden geciteerd als voorbeeld van mensen die vandaag door ‘messiaanse koorts’ bevangen zijn. Eén van de vragenstellers na de inleiding was het kennelijk allemaal te gortig geworden. Hij wilde weten of ik ook niet vond dat joden en christenen uiteindelijk toch dezelfde messias verwachten, dat wil dan zeggen de joden voor de eerste keer en de christenen voor de tweede keer. Omdat ik die vraag al talloze malen en in vele toonaarden heb horen stellen, reageerde ik niet zo geduldig als van een leraar in een leerhuis verwacht zou mogen worden. Ook ik heb natuurlijk in het leerhuis vaak verteld, dat er geen verkeerde vragen zijn maar alleen onjuiste antwoorden. Toch gaf ik op die bewuste conferentie een dwars antwoord en gooide de knuppel in het hoenderhok door keihard ‘nee’ te zeggen: ‘Nee, dat vind ik niet. Ik acht die opvatting een ongeoorloofde harmonisatie, die zowel het jodendom als het christendom niet recht doet.’ Op dat moment besefte ik in een flits: Dat komt morgen in de krant! En zo gebeurde het inderdaad. Nu verwijt ik die journalist niks. Zij oefende gewoon haar vak uit en voelde goed aan hoe er enige opschudding veroorzaakt kon worden. Gelukkig las Peter van’t Riet het artikel ook en klom in de pen. Misschien was het dus toch wel een rake knuppel in het theologische hoenderhok!

Christendom à la Jezus

In leerhuizen koestert men vaak de hoop terug te kunnen keren naar een Christendom à la Jezus, zoals de titel luidt van een boek van Van’t Riet[2]. Velen zijn teleurgesteld in de kerk als instituut en zoeken naar inspiratie van de kant van het jodendom. Vaak worden de mooiste kanten van het jodendom vergeleken met de moeilijkste kanten van de kerk. Het jodendom levert scherpzinnige midrasjiem en humoristische chassidische verhalen; het christendom staat model voor dogmatische betweterij en institutionele machtsstructuren.[3] Dat het jodendom evenzeer rigide structuren kent en dat het christendom ook mooie verhalen in zijn traditie bewaart, mag dan nauwelijks meer genoemd wordt. Een zwart-wit-beeld gaat overheersen. Dat valt mij ook op in het genoemde boek van Van’t Riet. Het roept een beetje het beeld op van een christelijke samenzwering. Het begon allemaal zo goed in de eerste eeuw, maar de klad is er in gekomen. De vroege Jezus-beweging was helemaal joods, maar langzamerhand heeft het hellenistische gedachtegoed het gewonnen in de kerk. Natuurlijk wordt Van’t Riet regelmatig op zijn wenken bediend, zoals in het laatste boek van Van de Beek[4], maar er is meer christendom in de wereld dan alleen de ultra-calvinistische variant. In feesten, rustdag, doop, avondmaal, gebed, enzovoort, bepleit van’t Riet een terugkeer naar een ‘christendom à la Jezus’. Maar dit ‘christendom’ heeft nooit bestaan. Het christendom is van  na de tijd van Jezus. Evenals het jodendom is het christendom een godsdienst die gegroeid is in de loop van de tijd en niet los te maken is van zijn traditie. Leerstukken als drie-eenheid, incarnatie en verzoening zijn maar niet eenvoudigweg af te schaffen om op die wijze het ‘ware en oorspronkelijke’ christendom terug te vinden.    

Herinterpretatie

Een terugkeer naar een verleden dat nooit bestaan heeft, is niet mogelijk. Evenals dat binnen het jodendom het geval is, is het christendom een beweging van voortgaande interpretatie en herinterpretatie van de traditie. Politieke en culturele veranderingen vragen om deze herinterpretatie, die telkens weer het karakter zal dragen van een heroriëntatie aan de oorsprong van de traditie. Zoals de christelijke dogmaticus Friedrich-Wilhelm Marquardt dat bijvoorbeeld heeft trachten te doen in zijn boeken.[5] In aansluiting aan Marquardt pleitte ik er voor om de definitieve uitspraken over de godheid van Christus en de drie-eenheid op te schorten tot de jongste dag, wanneer God zelf zal spreken.[6] Niet in de hoop dat dan alsnog de joden de schellen van de ogen zullen vallen, zoals Van’t Riet suggereert. Maar omdat ons in een theologie na Auschwitz de stellige uitspraken uit handen geslagen zijn. En we alleen nog maar kunnen hopen op een God die eindelijk zal spreken en ten slotte recht zal doen.
Eigenlijk is het wel humoristisch dat van’t Riet mijn ‘eschatologische oprisping’ in het debat in Kampen structureel op één lijn stelt met de opvattingen van Christenen voor Israël, terwijl ik met hen juist in een heftig debat gewikkeld ben over hun manier van interpretatie van de bijbel. Nogal verwarrend! Het debat wordt kennelijk aan heel verschillende fronten gevoerd. Nog onlangs was ik bij een andere discussie betrokken, waarin ik de theologische betekenis van het jood-zijn van Jezus benadrukte (ook een geliefd thema van Van’t Riet), terwijl de andere scribent, Rieuwerd Buitenwerf, mij verweet dat ik de hellenistische achtergrond van het nieuwe Testament teveel uit het oog zou hebben verloren.[7] Nu constateert Van’t Riet ‘tradioneel christelijke standpunten’ bij mij en wil een veel verder gaande terugkeer naar een ‘jodendom à la Jezus’ bepleiten. Het kan verkeren! Wie kan er nog een touw aan vastknopen?
Positief is dat er weer volop gedebatteerd wordt over diep ingrijpende thema’s. Hopelijk komen in deze debatten de echte vragen boven drijven, zoals de volgende:  - Wat is de ruimte en wat zijn de grenzen voor een herinterpretatie van het christelijk geloof? – Is er een ‘christendom à la Jezus’ te reconstrueren? – Is de dialoog gebaat bij een harmonisatie van jodendom en christendom of mogen we ons veeleer verheugen in de vruchtbaarheid van het verschil? – Kan door christenen tegelijkertijd gezegd worden, dat de verschillen tussen jodendom en christendom onoverbrugbaar zijn, én dat de verbondenheid tussen de kerk en het volk Israël onopgeefbaar is?   

Leerhuis en geloofsgemeenschap

Van’t Riet wil een brug slaan tussen nieuwe christelijke en oeroude joodse messiasopvattingen. Nu zijn die opvattingen bij beide groeperingen eindeloos gevarieerd. In het leerhuis kan dat allemaal ter sprake komen. Maar het leerhuis kan het vierhuis van de geloofsgemeenschap niet vervangen. In het leerhuis worden de vragen gesteld. In het vierhuis wordt gebeden en Gods lof gezongen. In het leerhuis worden de traditionele geloofsvoorstellingen kritisch bevraagd, in het vierhuis heeft de traditie vorm gekregen in de liturgie. Het vierhuis kan niet zonder het leerhuis, maar ook een leerhuis is nooit volledig zonder vierhuis. Het gevaar is niet denkbeeldig dat het leerhuis, zoals dat op unieke wijze in Nederland gestalte heeft gekregen, van lieverlee voor velen het vierhuis gaat vervangen. En dat langzamerhand het leerhuis, dat nu nog voornamelijk bezocht wordt door een ‘grijze golf’ van oudere christenen, ergens in een niemandsland terecht komt tussen synagoge en kerk. Als deze ontwikkeling die hier en daar al te bespeuren is, onomkeerbaar zal blijken te zijn, dan is het leerhuis tot verdwijnen gedoemd, en zal het later ongetwijfeld bestudeerd worden als een interessant fenomeen in de periode na de Tweede Wereldoorlog, een verschijnsel dat ooit een belangrijke rol heeft gespeeld in de verwerking van de Sjoa door christenen. Of zou het leerhuis misschien nog kunnen uitgroeien tot ‘een derde weg’ tussen jodendom en christendom’ of tot ‘een huis voor Noachieden’, een beweging waarvan Willem Zuidema ooit droomde?[8] Ik vrees dat een dergelijke beweging niet levensvatbaar is.[9]
Als joden en christenen ‘het huis van gebed’ uit ervaring kennen, kunnen ze elkaar na het vieren ontmoeten in ‘het huis van het leren’ of ‘het huis van het gesprek’. Een dergelijk gelijkwaardig gesprek vindt plaats tussen geloofsgemeenschappen, die hun traditie niet in de kast laten staan ter wille van een niet bestaande harmonie.[10] Als het gesprek vanuit de geloofsgemeenschap gevoerd wordt, dan wordt het pas echt spannend. Het streven is dan namelijk niet primair om verschillen te overbruggen maar om de vruchtbaarheid van verschillen aan het licht te laten komen. In een wetenschappelijk artikel over de Godsvraag neemt de joodse bijbelgeleerde Peter Ochs het verrassende voorstel over van een christelijke collega om in een joods-christelijke dialoog eerst eens aan elkaar te vertellen, of en hoe men als jood op sjabbat in de synagoge bidt of als christen op zondag in de kerk de liturgie viert.[11] De dialoog zou daardoor concreter worden en bevrijd worden uit rationele en afstandelijke vrijblijvendheid. Wanneer joden en christenen hun religieuze Sitz im Leben zouden duidelijk maken, zou daardoor de nu dikwijls angstvallig verborgen gehouden agenda van de dialoogpartners bespreekbaar worden.

Leren en herinterpreteren

Het is op diverse plekken mogelijk gebleken om samen als joden en christenen te leren uit ‘de Schriften’, die joden Tenach en christenen het Oude Testament noemen. Ook de beide vervolgverhalen kunnen daarbij ter sprake komen, Talmoed en Nieuwe Testament. Ook al zijn er vele dwarsverbindingen tussen Nieuwe Testament en Talmoed, beide boeken zijn niet inwisselbaar. De verschillende volgorde van de bijbelboeken van ‘de Schriften’ en de verschillende leeswijzers kunnen voluit ter sprake komen. Want er bestaat immers in beide geloofsgemeenschappen geen andere Schrift dan een geïnterpreteerde Schrift, die steeds opnieuw uitnodigt tot een voortgaande wisselwerking tussen tekst en gemeenschap.[12] Het leerhuis kan een belangrijke rol spelen bij de voortgaande actualisering en herinterpretatie van de Schriften. Eén van de thema’s in het leerhuis is de joodse en christelijke messiasverwachting. Volgens Van’t Riet is de christelijke messiasverwachting dringend aan herziening toe. Ik spreek hem hierin niet tegen. Alleen het ‘hoe’ is de vraag. Op de conferentie in Kampen bleek dat zowel joden als christenen voortdurend voor de uitdaging staan om hun messiasverwachtingen te herzien, omdat de wereld er door de messiaanse koorts van zowel joden als christenen een stuk onherbergzamer op is geworden.
Hoe zou de christelijke toekomstverwachting herzien moeten worden, die klassiek verwoord is in de apostolische geloofsbelijdenis, waarin over Jezus Christus gezegd wordt: ‘… opgevaren ten hemel, van waar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden’? Wat met de lippen nog steeds in het vierhuis beleden wordt, speelt voor de meeste christenen geen enkele rol meer in hun geloofsbeleving, wellicht op enkele kleine groeperingen na. In mijn door van’t Riet geciteerde boekje probeerde ik (minder traditionele?) wegen te wijzen om deze centrale verwachting te actualiseren. Wellicht kunnen enkele citaten uit mijn eigen boekje, dat een publicatie was van radiopreken, de discussie verhelderen en bevorderen:
- ‘Komt de messias nu eindelijk? Of bedriegen we onszelf, als we vasthouden aan die verwachting? In het christendom is het vurige uitzien van de eerste gemeente naar de spoedige komst van de Heer verdwenen. Het dogma ging de plaats van de Geest innemen. Het werk van de Geest werd nog wel bele­den, maar het werd wel zo veilig geacht om die Geest zoveel mogelijk aan banden te leggen’.
- ‘De joodse traditie wijst de weg van de kleine halachische stappen naar het herstel van de wereld. Dat is een veiliger weg dan die van de messiaanse koorts. Dat is verhaasting door onthaasting! Christenen doen er goed aan hierbij aan te sluiten en hun grootse - en vaak gevaarlijke - visioenen op te geven.’
- ‘Christenen hebben het levende joodse volk herontdekt en zijn bij de joodse hoop in de leer gegaan. Ze weten niet precies meer, of ze nog hopen op het komen van Jezus of met Israël uitsluitend op het komen van God. Ten diepste is dit voor hen geen tegenstelling. Want ze kunnen zich het Koninkrijk van God niet indenken zonder Jezus, omdat ze door hem de God van Israël hebben leren kennen. Daarom hopen ze op God zoals Hij zich in Jezus heeft laten kennen.’.[13]

 

[1] De lezingen zullen in de loop van dit jaar in een bundel verschijnen onder de titel Messianisme en eschatologie bij joden en christenen.

[2] Kampen 2001.

[3] Dit beeld van het christendom is wijd verbreid en heeft onlangs ook de populariteit en grote oplaag van het boek van Dan Brown De Da Vinci Code bevorderd.

[4] A. van de Beek, Te veel gevraagd? Israël in het christelijk denken, Zoetermeer 2004.

[5] Zeven delen, te beginnen met Von Elend und Heimsuchung der Theologie. Prologomena zur Dogmatik, München 1988.

[6] In: S. Schoon, Komt de messias eindelijk?, Kampen 1998, 57.

[7] S. Schoon, ‘Jezus is een jood’, in: Theologisch Debat 1/3 (2004), 4-11; en R. Buitenwerf, ‘Hoe joods is Jezus?’, in Theologisch Debat 1/3 (2004), 12-20.  

[8] W. Zuidema, J. op’t Root, En God sprak tot Noach en zijn zonen. Een joodse code voor niet-joden?, Baarn 1991, 11-12, 180-183.

[9] Aan het eind van de tachtiger jaren was er een kleine georganiseerde groep Noachieden in Nederland, met een periodiek dat eerst Ha-Jaree (1988) heette en later Lech Lecha (1989-1991). Enkele leiders van deze beweging gingen over tot het jodendom.

[10] Vgl. het protest van de joodse bijbelgeleerde Jon Levenson tegen de joodse verklaring Dabru Emet over de verhouding jodendom-christendom:The Agenda of Dabru Emet’, in: Review of Rabbinic Judaism 1/2004, 1-26.

[11] P. Ochs, ‘The God of Jews and Christians’, in: T. Frymer-Kensky e.a. (eds.), Christianity in Jewish Terms, 49-69.

[12] In de lijn van Levinas en Ricoeur, zie: J. Burggraeve, Biblical Thinking as the Wisdom of Love: R. Bieringer, D. Pollefeyt, F. Vandecasteele-Vanneuville (eds.), Anti-Judaism and the Fourth Gospel. Papers of the Leuven Colloquium, 2000, Assen 2001, 202-225.

13] S. Schoon,Komt de messias eindelijk?, Kampen 1998, 48, 50-51, 56.

Zie ook het artikel van Peter van Triet http://www.petervantriet.nl/pagina.php?id=56