OJEC 1981-2006

Simon Schoon

Het Overlegorgaan van Joden  en Christenen bestaat 25 jaar.[1]
Een mijlpaal van een kwart eeuw.
Tijd om terug te blikken. En tijd om vooruit te kijken.
Een portie nostalgie en een vleugje utopie? U mag het beoordelen.  
Eerst wil ik enkele herinneringen ophalen aan de begintijd van het OJEC, subjectief zoals  herinneringen altijd zijn, waarschijnlijk gekleurd door enige nostalgie. Het vooruitkijken naar de toekomst van de joods-christelijke dialoog vraagt een analyse van de dialoogsituatie van vandaag. Waar zijn we nu en waar willen we naar toe? Daarover wil ik beknopt zijn.[2] Slechts één thema van de joods-christelijke dialoog zal ik iets nader uitwerken, een thema dat lange tijd niet kon maar nu weer mag, namelijk Jezus van Nazaret. Utopisch? In elk geval een beetje uitdagend.  

De beide invalshoeken – het terugblikken en het vooruitkijken – zal ik plaatsen in de context van het thema van het OJEC-symposium ‘Leven met verschil’, naar de Nederlandse vertaling van het indrukwekkende boek van de Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks The Dignity of Difference.[3]Want de komst van het OJEC vijfentwintig jaar geleden maakte een verschil. Vanaf dat moment verbonden kerken en christenen zich om niet meer over Joden zonder Joden te praten. Ze begonnen het verschillend-zijn van de ander te aanvaarden. Dat dit inzicht een hemelsbreed verschil uitmaakte, hebben met name de christelijke partners gemerkt. Het  vroeg een totale omkeer om de ander niet langer te willen bekeren of te modelleren vanuit eigen denkbeelden. Om de ander werkelijk te respecteren in zijn zelfverstaan. Het betekende het begin van een lange, nieuwe weg, waarvan  het doel nog steeds niet is bereikt.

Bij de poging vooruit te kijken kies ik er voor om één thema iets nader uit te diepen, namelijk Jezus van Nazaret. Want we mogen weer praten over onze verschillen. In de dialoog en in de trialoog. Over kernthema’s als de Tora, Jezus, en de Koran. Of we hier al echt aan toe zijn, zal moeten blijken. Misschien overheerst de argwaan nog en kunnen we beter uitsluitend  gemeenschappelijke en maatschappelijke thema’s kiezen, zoals in de beginfase van het OJEC. Het maakt overigens veel uit hoe we over theologische kernthema’s in dialoog met elkaar treden. Voor de christelijke gesprekspartners geldt: Als zij elk restant van jodenzending definitief achter zich hebben gelaten, is een open dialoog mogelijk. Dan heeft de ander niet te vrezen dat zijn identiteit wordt aangetast. Dan hoeft geen enkel thema meer taboe te zijn. Als we elkaar ontmoeten in respect voor ons verschillend-zijn, ontdekken we de vruchtbaarheid van het verschil. 

Oprichtingsvergadering

Na mijn verblijf van zeven jaar in Nes Ammim in Israël had Coos Schoneveld, de toenmalige secretaris van de International Council of Christians and Jews (ICCJ), mij gevraagd om te trachten een Nederlandse afdeling van deze Raad op te richten. Dat lukte wonderwel snel. De tijd was er kennelijk rijp voor. In maart 1981 kwam ik naar Nederland en op 2 december 1981 werd de constituerende vergadering van het OJEC gehouden, nadat op twee eerdere vergaderingen de plannen tot oprichting waren gesmeed. Die vergaderingen vonden plaats in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, toentertijd nog gevestigd in De Waag aan de Nieuwmarkt. Op de eerste vergadering van 24 september 1981 waren negen personen aanwezig, vijf Joden en vier christenen. De conservator van het museum, de liberale rabbijn Edward van Voolen, ook een enthousiast voorstander van de plannen tot samenwerking, had deze ruimte in het museum voor ons ‘georganiseerd’. Het was even wennen. Via de rosse buurt belanden we in de vergaderruimte, waar met duidelijke letters op de muur gegraveerd stond: Soli Deo Gloria. De structuur van het OJEC werd uitgedacht en korte tijd later vastgelegd in statuten. Het overlegorgaan kreeg de vorm van een stichtingsbestuur, waarin verschillende ‘aangesloten instellingen’ officieel vertegenwoordigd waren, waaronder de Kerk-en-Israël-instanties van zeven kerken en de besturen van alle drie joodse kerkgenootschappen. We wilden namelijk niet alleen vrijblijvend als individuen met elkaar in gesprek treden maar als officiële vertegenwoordigers van synagogen en kerken, en ook nog van enkele andere bij ons streven betrokken  instanties.

Niemand kon toen vermoeden dat deze structuur zowel de kracht als de zwakheid van het OJEC zou uitmaken. Dat zou pas duidelijk worden in de eerste onstuimige jaren. In een debatingclub van geïnspireerde hobbyisten zou nauwelijks één journalist geïnteresseerd geweest zijn. Maar nu werd bij talrijke hot issues op religieus en maatschappelijke gebied naar onze mening gevraagd. Te pas en te onpas overigens. Het OJEC was in die eerste jaren een publiciteitssucces van jewelste. Onze naam was niet weg te slaan uit de krant en de media. Maar onze kracht was tegelijk onze zwakheid. Onze diverse achterbannen, die  officieel in het OJEC vertegenwoordigd waren, werden er vaak verschrikkelijk zenuwachtig van. Wie vertegenwoordigden wij eigenlijk? Moesten wij bij elke microfoon die ons voor de neus werd gehouden en bij elke vraag die ons werd gesteld, eerst al onze achterbannen raadplegen en trachten alle neuzen in dezelfde richting te laten wijzen? Dat was ondoenlijk. En zo werden er niet alleen met de buitenwacht maar ook met onze afvaardigende instanties heftige discussies gevoerd. Toch was het een geweldig winstpunt, dat we niet meer over elkaar spraken maar mét elkaar. Er bleek in die jaren nog heel wat oud zeer te zijn tussen Joden en christenen. Maar we ontmoetten elkaar. Het OJEC maakte verschil.

Loofhut

Een belangrijk moment uit die eerste fase moet nog genoemd worden, vóór de eigenlijke oprichtingsdatum van het OJEC. Het werd van groot belang geacht om geen organisatie te vormen van min of meer gelijkgezinde voorstanders van de dialoog, dus een coalitie van liberale Joden met christenen van ‘midden-orthodoxe’ tot vrijzinnige snit. Maar hoe was de orthodoxie aan beide kanten te winnen voor onze plannen? Hoe was de begrijpelijke argwaan aan orthodox-joodse zijde jegens onze plannen weg te nemen? Hoe zouden we orthodoxe Joden kunnen overtuigen dat jodenzending niet in het geding was en tegelijk orthodoxe christenen er van kunnen overtuigen dat jodenzending echt niet meer kon? Hoe zouden we orthodoxe en liberale Joden, die verder niet of nauwelijks met elkaar samenwerkten, in één orgaan bij elkaar kunnen laten zitten? Een eerste stap daartoe werd ondernomen in de loofhut van rabbijn Hans Rodrigues Pereira in Amsterdam-Buitenveldert. Een verhaal met een tikkeltje nostalgie. Die ontmoeting in de soeka in Amsterdam had een voorgeschiedenis. Rabbijn Pereira had namelijk in een taxi in Israël de actieve secretaris van een Israëlische interreligieuze dialoogorganisatie ontmoet. Deze Joseph Emanuel, een nogal gezette man, had voor één prijs twee plaatsen voor zichzelf in de sjeroet in beslag genomen en was daardoor in een verhitte discussie geraakt met zijn medepassagiers. Een niet helemaal ongebruikelijk tafereel in Israël. Gedurende de rit werd rabbijn Pereira er door deze Joseph Emanuel van overtuigd dat ontmoetingen tussen Joden en christenen de moeite waard waren en dat Nederland niet bij het goede voorbeeld van Israël kon achterblijven.
 
Kort daarna bij mijn vertrek uit Israël naar Nederland in 1981 vertelde Joseph Emanuel mij dit verhaal en vroeg me zijn groeten aan de rabbijn in Amsterdam over te brengen en hem te herinneren aan zijn goede voornemens. Zo kwam ik in de soeka terecht op een trottoir in Buitenveldert. Vanaf het begin moest het absoluut duidelijk zijn dat de bedoelingen van christelijke zijde kosjer waren en er geen enkel missionair motief in het spel was. Hoe het gesprek in de loofhut precies verlopen is, weet ik niet exact meer. Misschien heeft de sfeer van de loofhut positief tot het resultaat bijgedragen, met de herinneringen aan zoveel jaren woestijn, maar ook met uitzicht op de hemel, waaruit overigens op het plastic de regen in bakken neerplenste. In ieder geval klikte het tussen ons en de structuur van het toekomstige OJEC werd op die plek nader uitgestippeld. Er werden afspraken gemaakt om het plan voor te leggen aan de orthodox-joodse kerkgenootschappen. Daar werd al spoedig het groene licht gegeven. Rabbijn Rodrigues Pereira heeft negen jaar lang als afgevaardigde van het orthodoxe Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap in het OJEC gefunctioneerd als tweede voorzitter. Marion Kunstenaar, uit liberaal-joodse kring afkomstig, was meer dan 12 jaar algemeen secretaris.

Woelige jaren

In de beginjaren tachtig rolde het OJEC van de ene kwestie in de andere. Volgens Jan Greven, de toenmalige hoofdredacteur van Trouw, scoorden de kwesties, waarbij het OJEC intensief betrokken was, het hoogste aantal ingezonden brieven in de krant. Onze stellingnamen veroorzaakten felle polemieken en publieke debatten. OJEC heeft naamsbekendheid gekregen door conflicten en de daarbij losgekomen emoties. De kwesties waren niet van de lucht. Het terrein dat het OJEC betrad, was kennelijk bezaaid met voetangels en klemmen. De conflicten illustreerden de diepte van de vervreemding tussen Joden en christenen. De oorzaken van de emoties waren zeer verschillend: Een beledigende en evangeliserende folder van de evangelisten Goeree, een toneelstuk van Werner Fassbinder, een klooster op het terrein van het voormalig concentratiekamp Auschwitz, een uitspraak over de PLO van de Nederlandse Raad van Kerken, en dat is nog maar een greep uit de vele kwesties van die eerste jaren. Diepingrijpende zaken kwamen aan de orde en werden niet verdrongen. De Joden in het OJEC waren zich bewust van hun identiteit en hielde zich niet angstvallig stil vanwege eventuele antisemitische repercussies. De christenen in het OJEC onderkenden de intensiteit van de gevoelens aan joodse zijde en waren zich er van bewust dat vertrouwen eerst langzaam gewonnen kon worden. Het is eigenlijk een wonder dat het OJEC al die conflicten heeft overleefd en de vertrouwensbasis is gebleven.

Dialoogsituatie in de 21e eeuw

Op de valreep van de 21 eeuw hield het OJEC op 2 juni 1999 een symposium in de Vrije Universiteit in Amsterdam over het thema ‘De toekomst van de joods-christelijke dialoog’. In een lezing waagde ik een poging om vanuit christelijke optiek te schetsen waar de joods-christelijke dialoog zich toen bevond en welke dynamiek in welke richting er waargenomen kon worden. Ik noemde vier punten, waarvan de eerste drie mijns inziens nog steeds relevant zijn. Die drie punten waren:
1. Een dynamiek van zending naar dialoog.
2. Van schuldgevoelens naar oprechte interesse.
3. Van hobby naar integratie.
Het vierde punt was: Er is een beweging op gang gekomen van een eenzijdig christelijk en een eenzijdig joods belang naar een meer gemeenschappelijke agenda. Ik bedoelde aan te geven dat de specifieke thema’s van jodendom en christendom op de achtergrond behoorden te raken en de gemeenschappelijke thema’s, zoals religieus pluralisme, feminisme, milieu en vrede voorrang moesten krijgen.
Dat vierde punt zou ik nu enigszins anders willen formuleren. Er zat in die formulering toentertijd de angst achter dat specifiek theologische thema’s alleen maar verwijdering zouden bewerkstelligen. Die vrees behoort niet te bestaan in een volwassen geworden dialoog. Niet dat die gemeenschappelijke thema’s niet veelvuldig aan de orde moeten komen.[4] Maar de meer particuliere thema’s van jodendom en christendom behoeven er niet voor te wijken. Het besef is doorgedrongen dat we de verschillen onder ogen mogen zien. Waarom zouden we niet voluit erkennen dat het hart van de joodse identiteit wordt gevormd door de Tora, van de christelijke identiteit door Jezus, en van de islamitische identiteit door de Koran? Natuurlijk zijn er raakvlakken in doorlopende interactie en zijn er overeenkomsten, maar niettemin zijn en blijven er ook grote verschillen. Over die verschillen moeten we in de dialoog niet zwijgen ter wille van de lieve vrede. In de eerste OJEC-bundel in 1983 waagde ik het ook al dit thema aan de orde te stellen. Toen nog tamelijk naïef en optimistisch. Onder de voor die tijd enigszins provocerende titel: ‘Jezus: Jood of christen?’[5] Ik zou het nu anders en genuanceerder aan de orde willen stellen.

Jezus van Nazaret

Het thema Jezus van Nazaret’ is controversieel, omdat het uitsluitend een christelijk thema zou zijn. Maar dat is een misverstand. Het is al eeuwenlang ook een joods thema, weliswaar voornamelijk in polemiek en apologetiek, en pas in de laatste decennia ook in de dialoog. In de laatste tien jaar zijn er verscheidene historische studies van joodse zijde verschenen over Jezus. In een historische benadering wordt Jezus behandeld in het kader van het grote aantal messiasfiguren, dat het volk Israël heeft gekend en voortgebracht. Hij is één uit de lange rij vanaf Cyrus over Bar Kochba tot en met de Lubavitcher Rebbe Menachem Mendel Schneerson in de 20e eeuw.[6] Een enkele joodse geleerde waagt zich bij uitzondering ook aan een theologische invalshoek. Zo ziet Irving Greenberg Jezus niet als een ‘valse’ messias maar als een ‘mislukte’ messias[7]. De meeste joodse auteurs zien messiaanse pretenties toch veel negatiever, namelijk uitlopen op zelfdestructie van de messias en op teleurstelling bij zijn volgelingen bij het uitblijven van de beloofde nieuwe werkelijkheid.[8] Hoewel er ook joodse studies verschenen zijn over Jezus, die hem tekenen als een mede-Jood en lotgenoot in het joodse lijden,[9] blijft er een brede kloof gapen tussen deze joodse visies enerzijds en de uiteenlopende interpretaties van het leven, het sterven en de opstanding van Jezus binnen de christelijke traditie anderzijds.
 
Het is voor Joden helemaal niet vanzelfsprekend om zich te verdiepen in thema’s die de christelijke identiteit bepalen, zoals de persoon van Jezus en de leer van Paulus. Als christenen zich in de thematiek van de joods-christelijke dialoog verdiepen, koesteren ze soms de hoop, dat Joden een andere religieuze kijk zullen krijgen op Jezus, een hoop die gevoed wordt door het lezen van boeken als die van joodse auteurs als David Flusser en Pinchas Lapide. Wetenschappelijke studies van joodse zijde beogen niet gegroeide religieuze tradities om te buigen, maar willen voornamelijk historische nuanceringen aanbrengen. Het is een feit, dat Jezus in de joodse traditie geen rol speelt en niet gerekend wordt tot de grote profeten of religieuze leiders van het joodse volk. Joodse auteurs over Jezus zouden zich herkennen in wat de christelijke nieuwtestamenticus Casey formuleerde in zijn boek From Jewish Prophet to Gentile God: In de ontwikkeling van de christologie van Paulus tot Johannes en daarna ‘werd Jezus tot een zo verheven figuur dat Joden zoals Jezus van Nazaret en de eerste apostelen niet in hem zouden hebben kunnen geloven’.[10]

Conclusie

De grote uitdaging voor onze tijd is: Leven met verschil. Organisaties als het OJEC zijn meer dan ooit nodig. De joods-christelijke dialoog zal zijn eigen specificiteit moeten behouden. Tegelijkertijd zal in de komende jaren gezocht moeten worden naar een vruchtbare verbinding van de joods-christelijke dialoog met de ‘trialoog’ tussen Joden, christenen en moslims, en tevens met het geheel van de veelkleurige interreligieuze dialoog. Religie is op vele plekken in onze wereld levensbedreigend geworden. Daarom is de dialoog meer dan ooit levensnoodzakelijk.

 

[1] Lezing gehouden op het symposium, 28 november 2006, ter gelegenheid van het vijfentwintig-jarig bestaan van het OJEC. De stijl van het gesproken woord is zoveel mogelijk bewaard.

[2] Uitvoeriger in mijn afscheidscollege van de Theologische Universiteit in Kampen op 14 december 2006. Zie de website www.thuk.nl >Nieuws>14-12-06.

[3] J. Sacks, The Dignity of Difference. How to Avoid the Clash of Civilizations, London/New York 20033.

[4] Zie bijvoorbeeld de nieuwe studie van de Britse opperrabbijn Sacks: J. Sacks, To Heal a Fractured World. The Ethics of Responsibility, London/New York 2005.

[5]  S. Schoon, ‘Jezus: Jood of christen?’, in: I.B.H. Abram e.a., Beth ha-Midrasj – Leerhuis. Ervaringen van joden en christenen, Ojec-serie 1, Kampen 1983, 73-89.

[6] H. Lenowitz, The Jewish Messiahs. From the Galilee to Crown Heights, New York 1998; R. Mayer, Die Messiasse. Geschichte der Messiasse Israels in drei Jahrtausende, Tübingen 2002.

[7] I. Greenberg, ‘Judaism and Christianity: Their Respective Roles in the Strategy of Redemption’, in: E.J. Fisher (ed.),  Visions of the Other. Jewish and Christian Theologians Assess the Dialogue, New York 1994, 7-27.

[8] Zo Lenowitz, a.w., 263-276. Vgl. R. Süss, De messias moet nog komen. Theologie met het oog op Israël en de volkeren, Amsterdam 2001.

[9] Zie bijvoorbeeld negentien portretten van Jezus door joodse auteurs: B. Bruteau (ed.), Jesus through Jewish Eyes. Rabbis and Scholars Engage an Ancient Brother in a New Conversation, New York 2001.

[10] P.M. Casey, From Jewish Prophet to Gentile God. The Origins and Development of New Testament Christology, Cambridge/Louisville 1991, 159.