ARTIKEL IN INTERPRETATIE MAART 2004

     Op zoek met Henk Vreekamp naar mijn heidendom

                                                                                              Simon Schoon

 

Vandaag ben ik de hele dag gaan wandelen. En vanavond schrijf ik ouderwets een recensie over het nieuwste boek van Henk Vreekamp.[1] Echt schrijven, net als jaren geleden, want ik heb hier geen computer bij de hand, zelfs geen typemachine. Op mijn lange wandeling vandaag heb ik opnieuw ontdekt dat het waar is, wat Vreekamp heeft ervaren: ‘Wandelen is zien op ooghoogte. De horizon is het perspectief. Daar raakt de hemel de aarde’ (201). Ik zit al een poos op een artikel te broeden over het boek van Vreekamp. Maar het was de afgelopen tijd te druk om het er even tussendoor te doen. Daar moet je rustig de tijd voor nemen. Het boek vraagt om inlevingsvermogen, om een bepaalde geestesgesteldheid. Nu ben ik een week op vakantie in Drente, terug in de provincie waar ik woonde van 1969-1974. Wat mij betreft was dat in mijn ‘vorige leven’, in de tijd ‘vóór Israël’. Want mijn leven én mijn denken zijn verdeeld in de periode vóór en na Israël, waar ik woonde en werkte van 1974-1981. Hier in Drente heb ik - ‘vóór Israël’ dus - heel wat gewandeld. Vandaag was ik terug van weggeweest. Het gaf een gevoel van herkenning. Het landschap rook nog net als toen. Ik ging vandaag met een bepaalde vraag op pad: Zal ik in Drente ook iets ontdekken van wat Henk Vreekamp op de Veluwe ontdekte? Treffend schrijft hij over zijn Veluwse verkenningen: ‘Steeds scherper komt in beeld de heiden die ik van huis uit ben’ (200). 

Drente

‘Drente is nooit echt gekerstend’, zeiden ze me, toen ik dominee in Vries in Noord-Drente was. Schrijft Vreekamp ook niet zoiets over de Veluwe? Vandaag was ik alleen, al wandelend in gesprek met mezelf, maar ook voortdurend met het boek van Henk Vreekamp. Eigenlijk niet alleen met het boek, maar ook met de persoon achter het boek. Die beide kan ik uiteraard niet los van elkaar zien. Jarenlang waren we collega’s als predikanten ‘voor Kerk en Israël’, in de goede oude tijd toen de SOW-kaalslag in Utrecht zich nog niet had voltrokken. We hebben ongelofelijk veel uitgewisseld en afgepraat. Hij is ‘een weggenoot sinds jaar en dag’, zoals hij op zijn beurt over mij schreef, op de eerste pagina van zijn boek dat ik van hem kreeg. Het is duidelijk dat vanuit zo’n verbondenheid natuurlijk geen kritische recensie, met gepaste wetenschappelijke distantie, geschreven kan worden. Dat probeer ik dus ook niet. Maar ik wil wel graag met zijn boek in gesprek komen, en ook opnieuw met de persoon achter het boek.
     Vandaag vroeg ik me af, of ik door te wandelen in Drente dichterbij zijn ervaring kon komen? Zijn eenzame avontuur op de Veluwe is toch veel meer geweest dan een individualistische en niet overdraagbare ervaring? Als dat zó zou zijn, dan schrijf je geen boek. Vandaag, op een dag eind november 2003, wandelde ik in Drente, in het landschap dat me zo bekend voorkwam. Op zoek naar mijn roots, naar mijn heidendom. Of had ik daarvoor toch beter in Noord-Holland kunnen gaan wandelen, in de provincie waar ik geboren ben en mijn jeugdjaren heb doorgebracht? ‘Donker Noord-Holland’ noemden (noemen?) ze die provincie, omdat het de  meest onkerkelijke provincie van Nederland was (is?). Met Henk Vreekamp wil ik mijn roots opsporen. Zijn boek heeft me aan het denken gezet. Ik zou graag zien, dat zijn boek in brede kring discussies zal veroorzaken. ‘Een dapper boek’, schreef Jan Greven in Trouw[2]. Ik hoop dat het mensen tot nadenken zal gaan prikkelen, en tot diepgaande theologische gesprekken zal bewegen, kritisch, existentieel en betrokken. Met het oog daarop wil ik proberen de vragen te formuleren, die het boek bij mij heeft opgeroepen. Vragen waarmee ik vandaag heb rondgelopen en waar ik nog geen antwoord op gevonden heb. 

Heidendom

Vandaag ben ik op mijn wandeltocht in de omgeving van Zweeloo, Oosterhesselen en Sleen heel wat restanten heidendom tegengekomen. Bij de Hervormde kerk van Zweeloo is een graf van een vrouw uit ongeveer het jaar 450 gevonden, vol met sieraden. Die vrouw is daarom door archeologen ‘de prinses van Zweeloo’ genoemd. Ik kwam ook op mijn tocht langs drie hunebedden, ruim 5000 jaar oud, uit de tijd van Trechterbekervolk. Die oude stenen riepen geen enkele affiniteit bij mij op. Alleen bij dat éne hunebed, met de wonderlijke naam ‘De papeloze kerk’, kreeg ik een gevoel van herkenning. In de tijd van de Reformatie werden hier hagenpreken gehouden. Vandaar de naam. Toch nog iets van mijn roots in dit landschap? Maar Henk Vreekamp gaat op zijn zwerftochten op de Veluwe veel verder terug in het verleden dan de Reformatietijd. Hij leest in de Heliand, een Saksische evangeliënharmonie uit ongeveer 830. Lyrisch schrijft hij er over. Hij noemt het een ‘evangelie naverteld in Eddavorm’. En ook de Edda heeft hij grondig bestudeerd. Ik heb ook een beetje geprobeerd de Heliand te lezen, met de internetaanwijzingen uit zijn boek (325). En ik heb van mijn boekenplank de Edda weer eens ter hand genomen.[3]  Historisch interessant, maar daar is voor mij ook alles mee gezegd. Ik kan er niet lyrisch over worden. Het raakt me niet echt.  Ik ben ook geen fervent Tolkien-lezer.
     Moet je om dat alles beter in en aan te voelen van de Veluwe komen, en dan liefst uit de omgeving van Nijkerk, of van Garderen, en niet van de Zuidwest Veluwe zoals Bram van de Beek[4]? Ik kwam vandaag in Drente wel het een en ander aan heidendom tegen, maar meer ‘modern’ heidendom. Ik zag meer New Age-winkels dan kerken en vele aanbiedingen van cursussen over reïncarnatie en holistische geneeswijzen. Of is dat geen ‘heidendom’ maar juist een terugkeer naar een meer bijbels en volledig mensbeeld, zoals sommigen dat ongetwijfeld zullen interpreteren? Wat ik vandaag wel beleefde in het landschap van Drente, vlak voor eeuwigheidszondag, was een vleugje natuurmystiek, als het tenminste die naam mag hebben. De laatste bladeren vielen, de nevels hingen laag, af en toe scheen de zon door de wolken. Als door een spiegel zag ik wat ‘loslaten’ en ‘overgave’ inhield. Ook Vreekamp beschrijft een prachtig stuk persoonlijke natuurmystiek in zijn boek (271-273), vlak voordat in zijn deel V de Quintessens aan de orde komt, wanneer hij de Veluwe verlaat en naar het Domplein in Utrecht gaat. Hij gaat naar Utrecht zonder achterom te zien. Hij zal die natuurervaring op het Kootwijkerzand ongetwijfeld meegenomen hebben! Zulke woorden over de natuur staan toch ook in de Psalmen?

‘Eeren’?

Een centrale vraag blijft me bezighouden: Wat is eigenlijk ‘heidendom’? Loopt er een regelrechte lijn van de Edda naar de nazi-ideologie in de twintigste eeuw? Of is deze ideologie ondenkbaar zonder twintig eeuwen christelijke anti-judaïstische indoctrinatie?[5] Wilde Miskotte, die kon zeggen ‘wij willen het heidendom eeren’, niet een veel sterkere boedelscheiding[6] bewerkstelligen tussen Edda en Tora dan die Vreekamp voorstaat? En wat bedoelt Marquardt eigenlijk, wanneer hij schrijft dat hij ‘de theologische kwaliteit van het heidendom’ een waardige plaats wil teruggeven?[7] Hij wil als christen en als theoloog weer gevoel krijgen voor ‘de waarheid van de goden’. Is dit wat ook Henk Vreekamp voorstaat, die zich evenals ik graag door Marquardt laat inspireren?[8]
     ‘Zwijgen bij volle maan’ is een prachtig en boeiend boek. Alleen langzaam, al lezend, ontdek je waar de auteur heen wil. Pas op pag. 117 ontdek je waar de titel naar verwijst, wanneer het ’heidense‘ verhaal verteld wordt over die twee broers in Hoog-Soeren, die bij volle maan zwijgend in het ‘Heidens gat’ naar een schat graven, die, wanneer ze die bijna in handen hebben, weer in de diepte verdwijnt. Maar als je zwijgen kunt bij volle maan, zal je de schat vinden (zie ook pag. 254 en 302). Vreekamps boek stemt tot nadenken. Het roept herkenning én weerwoord op. Het is een persoonlijk boek, in essay-vorm geschreven, weergave van een existentiële zoektocht, vol met theologische associaties en uitdagingen. Ik lees het boek inmiddels voor de tweede keer. Eerlijk gezegd doe ik dat weinig of nooit met een boek. De opzet van Vreekamps boek is niet zonder meer duidelijk. Zijn intenties gaan langzaam bij je oplichten. Je moet natuurlijk inhoudelijk de rode draad van zijn denken te pakken zien te krijgen. Maar je moet tegelijkertijd ontdekken hoe zijn boek methodisch in elkaar steekt: de gewone tekst, de kleine lettertjes voor de uitleg van de namen van plaatsen en streken op de Veluwe, de cursieve gedeelten met persoonlijke mijmeringen en herinneringen, en de donker gekleurde blokjes met de tekst van de Heliand.
     Je gaat de paradigmatische persoonlijkheden op de voet volgen: de heidense Adelheid, de christelijke Maria en de jood Samuël. Ze worden uit verschillende tijden bij elkaar gehaald en neergezet voor een bijzondere trialoog op het Kootwijkerzand. En dan komt zich ook nog een ‘christen’jood’ bij het gezelschap voegen, in de persoon van de apostel Paulus. De tijd van het jaar is natuurlijk het begin van de herfst, want de auteur wil duidelijk zijn verhaal kwijt over de kanteling der seizoenen en vooral over het mogelijke eerherstel van het Loofhuttenfeest in christelijke kring.[9] En dan is er nog het volgen van de vier seizoenen in de feesten van de kerk, waarbij dat éne feest in de herfst voor hem nog pijnlijk ontbreekt. En niet te vergeten de indeling van het boek naar de vier elementen van aarde, water, lucht en vuur, om tenslotte uit te komen bij het vijfde element, de Quintessens, als de bevestiging van de verwachting op het Domplein in Utrecht. 

Vragen

Het is al gezegd, het boek roept vragen op en zet aan het denken. Al wandelend in Drente vandaag kwam ik telkens terug op een voor mij zeer wezenlijke vraag: Zou Henk Vreekamp zo’n boek hebben kunnen schrijven, wanneer hij ergens heel anders geboren zou zijn, bijvoorbeeld in ‘De Pijp’ in Amsterdam? Of wanneer hij godsdienstig opgevoed zou zijn in een zaaltje van het Leger des Heils en niet in de ‘vaderlandse kerk’ op de Veluwe met al die indrukwekkende, eeuwenoude kerkgebouwen? Of laat ik het nog wat persoonlijker en dichter bij mijn eigen huid formuleren: Waar liggen je ‘wortels’, als je religieus bent opgegroeid in een ‘afgescheiden’ kerkje in Noord-Holland, en dan vervolgens in Amsterdam belandt, en dan in Drente, en uiteindelijk in Galilea? Van wandelen en zwerven heb ik altijd gehouden. Steeds maar weer grenzen verleggen, steeds verder. Op zoek naar een ‘verloren paradijs’? Ik weet het niet. Maar telkens weer wilde ik weten, wat er achter de horizon lag. Als tienjarige jongen verkende ik op de fiets West-Friesland in Noord-Holland. Als twaalfjarige fietste ik in mijn eentje naar Amsterdam. Steeds verder en steeds wijder werden de kringen. Zestien jaar was ik toen ik Duistland doorfietste. Op mijn zeventiende jaar verkende ik fietsend Frankrijk. Op zoek naar wat? Toen ik in 1972 voor het eerst in Israël kwam, betekende dat een ongekend ‘thuisgevoel’. ‘Natuurlijk vanwege je vorige reïncarnatie’, zou een dierbaar familielid van me zeggen. Maar daar geloof ik niet in.
     Waar liggen mijn ware ‘roots’, in Noord-Holland of in Galilea? Of in Jeruzalem, waar ik een half jaar studeerde en bovenop een berg woonde, van waaruit je heel Jeruzalem, de woestijn van Judea en Betlehem overzag? Ik was in Jeruzalem ‘thuis’ en bleef er tegelijk ‘vreemdeling en bijwoner’. Het gaat mij uiteraard om veel meer dan wat autobiografische details, zoals het in het boek van Henk Vreekamp in zijn cursieve herinneringen ook om veel meer gaat. Wie ben ik als ‘heiden van huis uit’? Heeft de doop definitief scheiding gemaakt tussen de heiden en de christen in mij? Zou je daarvoor dan niet meer dopers moeten gaan denken én vooral leven? Blijft de kinderdoop niet veelal steken in een stuk ‘heidense’ folklore? Zouden we daarover het laatste fragment van Karl Barths KD nog niet eens grondig moeten gaan lezen? Wij worden toch niet als christenen geboren, zoals joden als joden worden geboren? Had Rosenzweig daar niet gelijk in?
     Merkwaardig dat ‘christenen uit de volken’ door de ontmoeting met het joodse volk telkens weer tegen zulke diepgaande theologische vragen oplopen. Theologie bedrijven is een heiden-christelijke aangelegenheid, schreef Marquardt vele keren. We moeten kennelijk telkens weer onze plek vinden, onze makom zoeken, in eeuwig heimwee naar ons thuis verlangen. We worden voortgedreven door onrustig makende vragen als deze: Horen we er wel echt bij? Zijn we wel even geliefd bij God als zijn eerst-verkoren volk? Is ons heil wel voldoende gezekerd bij God, als Jezus geen deel uit zou maken van de Drie-eenheid? Marquardt[20] stelt vanuit de ontmoeting met joodse denkers als Levinas en Leibowitz nog ingrijpender vragen aan de christelijke triniteitsleer dan Vreekamp doet. Vindt Vreekamp die vragen van Marquardt geoorloofd en noodzakelijk of trekt hij zich liever terug achter de veilige muur van het ‘mysterie’ van de triniteit? (297-298) Is dat werkelijk een absolute grens, waarvoor wij in eerbied moeten halt houden? Nog een vraag: Wordt het jodendom bij Vreekamp soms niet te mooi en te ideaal-typisch beschreven? Kan een jood niet evenals een christen zomaar terugvallen in het heidendom? Is het volk Israël van het Oude Testament niet voortdurend in een dergelijke strijd gewikkeld? En zijn er geen profetische stemmen in de huidige Staat Israël, die deze kritische vragen stellen aan mede-joden? Of mogen wij als christenen zulke vragen niet meer stellen ‘na Auschwitz’? Of maakt het misschien veel uit vanuit welke context je spreekt en is in sommige situaties het moment van volledige wederkerigheid in de dialoog al lang aangebroken?[21]  
     Zo zou ik door kunnen blijven vragen. Maar ik wil tenslotte nog vertellen over het einde van mijn wandeling in Drente. In de avondschemering ontdekte ik midden in het bouwland bij Sleen een joodse begraafplaats, totaal onverwacht. Ik herkende bij mezelf het gevoel dat ik een paar weken eerder ook had gehad, tijdens een studiereis met een groep studenten in Galicië in Polen, langs half vergane joodse begraafplaatsen en bouwvallen van synagogen. Ze  woonden onder ons, de joden, maar wij heidenen hebben het niet gewild. Het geluid van de sjofar in Oost-Europa en in onze streken is vrijwel verstomd. Wat betekent dat voor ons kerk-zijn en voor onze theologie?

 

[1] H. Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenningen van Edda, Evangelie en Tora, Boekencentrum, Zoetermeer 2003, 345 pag., ISBN 90-239-1346-9.

[2]  30 september 2003, 10.

[3] Edda. De liederen uit de Codex Regius en verwante manuscripten, vertaald uit het Oudijslands, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marcel Otten, Amsterdam/Leuven 1994, 19983.

[4] Bram van de Beek, ‘De ban van het heidendom alleen te doorbreken door het doopvont’, Centraal Weekblad 3 oktober 2003, 8-9.

[5] R. Steigmann-Gall, The Holy Reich. Nazi Conceptions of Christianity 1919-1945, Cambridge 2003.

[6] Zie een aantal pogingen om de lijn van Miskotte door te trekken naar de ‘nieuwe tijd’: C. Doude van Troostwijk, J. Beumer, D. Stegeman (red.), ‘Wij willen het heidendom eeren’. Miskotte in de ‘nieuwe tijd’, Baarn 1994.

[7] F.-W. Marquardt, ‘Gott – Utopie?’, in: M.L. Frettlöh, J.-D. Döhling (Hg.), Die Welt als Ort Gottes – Gott als Ort der Welt. Friedrich-Wilhelm Marquardts theologische Utopie im Gespräch, Gütersloh 2001, 16-18.

[8] Zie ook H. Vreekamp, ‘Het midden is gevaarlijk. Marquardt over de christen tussen Jood en heiden’, in: D. Stegeman, I. Kooistra, D. Boer (red.), Marquardt lezen, Kampen 2003, 161-186.

[9] Zie ook H. Vreekamp, ‘Loofhuttenfeest op de kerkelijke kalender’, Israël en de kerk 2 (2003), 8-15.

[10]  Zie F.-W. Marquardt, Eia, wären wir da – eine theologische Utopie, Gütersloh 1997, 539-572.

[11] Vgl. S. Schoon, Onopgeefbaar verbonden. Op weg naar vernieuwing in de verhouding tussen de kerk en het volk Israël, Kampen 1998, 144-265.