Artikel voor Interpretatie , 12/5 (2004), 30-32:

Opstellen van én over Marquardt

                                                                                         

Simon Schoon

Twee nieuwe boekenIn het Nederlandse taalgebied zijn onlangs twee nieuwe boeken verschenen, één met verzamelde opstellen van de hand van Friedrich-Wilhelm Marquardt[1], één met bijdragen van Nederlandse theologen over het denken van Marquardt[2]. In deze bespreking zal ik ook verwijzen naar de Duitse delen van zijn dogmatiek, omdat een kennismaking met Marquardt in Nederlandse vertaling ongetwijfeld bij velen zal leiden tot het ter hand nemen van de oorspronkelijke uitgaven in het Duits. Overigens is het een prestatie dat de vertalers  Marquardt’s lange Duitse volzinnen weergegeven hebben in leesbaar Nederlands!     Het lijkt er op dat de receptie van Marquardt in Nederland aanmerkelijk vlotter verloopt dan in Duitsland. Er is in de Lage Landen een groeiende belangstelling te constateren voor deze Duitse theoloog, die een opmerkelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, geboeid is geraakt door Nederlandse theologen als Miskotte en Breukelman, en er in is geslaagd in Nederland in gesprek te blijven met theologische ‘scholen’ die elkaar onderling vaak verketterden. In Bij de slip van zijn kleed … (een verwijzing naar Zacharia 8: 23) zijn verspreide, deels onbekende en moeilijk  te achterhalen, artikelen van Marquardt vertaald, uit de periode 1971 – 2001. De artikelen zijn gerubriceerd aan de hand van centrale thema’s in Marquardt’s theologie: ‘De Joden en hun land’, ‘Christen-zijn na Auschwitz’, ‘Herlezing van de christelijke theologie’ (over verbondstheologie en christologie), en ‘Evangelische vreugde om  de thora’.     In het tweede boek Marquardt lezen schetst Dick Boer de theologische ontwikkeling van Marquardt, laat Maarten den Dulk zien hoe Marquardt’s theologie behulpzaam kan zijn in de preekvoorbereiding, gaat Susanne Hennecke in op Marquardt’s opmerkelijke gedachten over de paradijselijke ruimte in zijn laatste deel ‘Utopie’, ontdekt Gertrudeke van der Maas verbanden tussen gedachten van Marquardt en haar ervaringen in het drugspastoraat, geeft Bert Schuurman Marquardt’s worsteling met zijn ‘theologische vader’ Luther weer, laat Peter Tomson zien welke overeenkomsten en spanningen er zijn tussen het denken van Marquardt en dat van zijn leermeesters Miskotte en Breukelman, gaat Henk Vreekamp in op ‘het gevaarlijke midden’ van de christen tussen Jood en heiden, en tekent Coen Wessel ten slotte Marquardt’s Schul-weg die ook de zijne is geworden. Hier zijn theologen aan het woord, die hun begeestering voor de theologie van Marquardt niet onder stoelen of (kerk)banken steken en pogen concreet gestalte te geven aan de theologische Umkehr waartoe hun leermeester heeft opgeroepen.    Ten geleideIn het eerste boek met vertaalde opstellen staat een Woord ten geleide van Marquardt zelf, kort vóór zijn overlijden in 2002 geschreven, waarin hij even ingaat op de verwarrende politieke situatie in Israël en Palestina. Een wat langer citaat is de moeite waard, omdat in deze zinnen van Marquardt treffend tot uiting komt hoe hij aan zijn theologische keuzen vasthoudt in een ook voor hem verscheurende situatie. Over de ‘theologische werkelijkheid van het Joodse volk vandaag’ en over de ‘staat Israël’ zegt hij het volgende: ‘De Joden die daar leven – met hun lijden en strijden, hun arrogantie en verlangen naar vrede, hun superioriteitsgevoelens en minderwaardigheidscomplexen, hun trouw aan God en zijn beloften (land!) en hun goddeloos ageren en voteren, de al te grove en toch weer fijnzinnige dadendrang – zijn deel van ‘dit volk’. Een in onze ogen miserabele opstelling van hun regering(en) kan geen veto betekenen tegen Gods aanwezigheid onder hen. En daarom is het ‘christelijk’ te letten op de kwasten van de gebedsmantels die zij dragen, en niet alleen op hun onbehouwen gedragingen. Theologie en niet de een of andere ‘moraal’, Gods handelen in, met  en onder hun menselijk handelen is de maatstaf voor ‘onze’ verhouding tot ‘dit volk’.‘[3] Het zijn zinnen die weerstand oproepen, maar ook te denken geven, zoals het geheel van Marquardt’s theologie.LevensloopIn dit verband is het van belang om iets te vertellen over de levensloop van Marquardt, die in mei 2002 is overleden. Hij werd in 1928 in Eberswalde in Brandenburg geboren. In zijn middelbare schooltijd viel de Reichskristallnacht in 1938, toen de synagogen in Duitsland in brand werden gestoken door de nazi’s , een voor hem ingrijpend gebeuren waarop hij later terugkijkt in zijn theologisch werk. Hij maakte de oorlog mee en ging daarna theologie studeren. In 1949 kwam hij als theologisch student naar Amsterdam en werd ondergebracht bij een joodse familie. Hun verhalen gooiden zijn geloofsopvattingen en wereldbeeld omver. Hij studeerde bij de beroemdste theologen van zijn tijd, o.a. bij Barth en Bultmann. In 1957 werd hij studentenpredikant in Berlijn en begeleidde in 1959 de eerste studenten van Aktion Sühnezeichen naar Israël. Later noemde hij deze reis een ‘tweede doop’. Hij ontmoette in de staat Israël het levende joodse volk, waardoor  zijn theologie voorgoed werd bepaald. Uit zijn betrokkenheid bij en solidariteit met het joodse volk, met name in de staat Israël, werd voor hem een nieuw denken geboren. Een denken dat voor velen nieuwe wegen heeft geopend, maar dat door anderen, met name vakgenoten, fel is afgewezen omdat het niet meer ‘christelijk’ zou zijn.
     In 1967 prees Karl Barth de dissertatie van Marquardt, die handelde over ‘Israel in het denken van Karl Barth’.[4] De leerling had de meester overtroffen en de meester erkende dat. Marquardt werd de opvolger van de beroemde Helmut Gollwitzer in Berlijn. Onvermoeibaar ging hij,  vijf en twintig jaar lang, op nieuwe en onbetreden paden in de theologie. Zijn drijfveer zou kunnen worden samengevat in de woorden die op het Auschwitz-monument in Amsterdam staan: ‘Auschwitz nooit weer!’
     Zijn theologische keuzen en alternatieven leverden Marquardt natuurlijk ook vele tegenstanders op. Niets heeft hem zo gestoken dan dat hij door mede-theologen in Duitsland als een soort ‘ketter’ en ‘afvallige’ werd afgeschilderd. Zijn afscheidsrede als professor voor Evangelische Theologie aan de Vrije Universiteit in Berlijn, waar hij van 1972 tot 1997 doceerde, ging hier op in. Die rede was getiteld: ‘“Afdwalen”- over verschijningsvormen van ketterij in mijn theologie’.[5]  Fel trok hij van leer: ‘Wat een perversiteit om Gods mensenliefde in Christus te prijzen, en, daardoor niet geremd, de doodswereld te dienen en deze met betrekking tot een deel van de mensheid (de joden) theologisch zelfs te rechtvaardigen.’ 

Daden

Voor Marquardt is een theologie na de Sjoa en na de stichting van de staat Israël een duidelijke keus: solidariteit van christenen jegens joden moet allereerst en bovenal gestalte krijgen in daden. Zonder dat alle kanten en consequenties van die daden al tot op de bodem doordacht zijn. Andere daden zullen andere woorden oproepen, een andere theologie. Andere woorden voor de verhouding tussen de kerk en het joodse volk dan die woorden die de kerk eeuwenlang heeft gebezigd. Uit het doen komt het denken voort. Dat heeft Marquardt in de Hebreeuwse bijbel ontdekt, met name aan de hand van Frans Breukelman in Amsterdam. Maar hij heeft ook herontdekt, dat het Nieuwe Testament zonder dat Aloude Testament eenvoudigweg ondenkbaar is. Zijn theologisch denken kan als paradigmatisch beschouwd worden voor wat als belijdenis en opgave is verwoord in de Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland in artikel I, 7: ‘De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’. Dat is, om met Marquardt te spreken, een zaak van Lebensverbindlichkeit. Er zal aan gewerkt moeten worden, ook theologisch, wil het niet alleen een zaak van mooie woorden blijven. Het gaat om een theologie van concreet Umdenken na Auschwitz en om een theologische verantwoording in het licht van de joods-christelijke verhouding

Zwijgen?

Marquardt zet een levensgroot vraagteken achter de hele onderneming van de theologie. Is het niet veel beter om als theoloog defini­tief te zwijgen over God dan om in het aangezicht van de slachtoffers voort te gaan met verbaal theologisch geweld? Als we al blijven spreken, dan is dat omdat ook zwijgen verraad kan beteke­nen aan de slachtoffers. Die nieuwe poging tot theologische reflectie wordt geboren uit het zoeken van praktische wegen om verbondenheid gestalte te geven met het joodse volk. Er zijn nog slechts weinig theologische pogingen in deze richting ondernomen. Marquardt is hierin een voortrekker. Telkens weer herhaalt hij, dat nog te weinig wordt beseft, dat - in ieder geval in Europa en Noord-Amerika - de context van ons theologiseren voorgoed getypeerd is door de tijdsaanduiding 'na Auschwitz'. Te weinig wordt ingezien, dat een historische en een theolo­gische benadering van het volk Israël niet te scheiden zijn. Nog steeds doorzien christenen te  weinig, dat de moordmachine van Hitler in de poging het gehele joodse volk te vernietigen er ten diepste op gericht was Gods trouw aan zijn volk teniet te doen. De christelijke gemeente die aanspraak meent te kunnen maken op dezelfde trouw van de God van Israël, heeft zich nauwelijks gerealiseerd, dat ook de grond van haar eigen bestaan in het geding was. Als christelijke theologie na Auschwitz nog mogelijk is, dan alleen in een houding van omkeer en bereidheid tot luisteren. Theoloog-zijn is vooral een levens- en stervenspro­ces geworden, want er moet veel, zeer veel, afgeleerd worden. In het vervloekt-zijn wordt een mens theoloog, zo citeert Marquardt Luther in zijn Prologomena.[6]

Geen objectivering

Marquardt neemt zijn uitgangspunt in de totale Fraglichkeit van de theologie na de Sjoa en kan nog slechts over God spreken onder het voorbehoud 'als God wil en Hij leeft'. Zijn manier van theologiseren zou omschreven kunnen worden als een denken vanuit de Umkehr, dat wil zeggen omkeer van een theologie van objectivering naar een theologie van betrokken­heid, en omkeer van een theologie van systematische geslotenheid naar een theologie van open vragen. Marquardt wil afscheid nemen van elke vorm van theologiseren, die poogt de werkelijkheid volledig objectief in de greep te krijgen. Christenen zullen moeten leren ‘om de ander in zijn anders-zijn te laten leven en los te laten uit de wurggreep van hun religieuze en theologische definieerzucht.’[7] In geen geval wil hij het volk Israël tot object van zijn theologie maken, want dat is volgens hem een manier van theologie bedrijven die mede de weg geplaveid heeft naar de vernietigingskampen.
     Marquardt plaatst 'de roeping' in de Prologomena van zijn dogmatiek.[8] Jood en heiden worden beide in Abraham weggeroepen uit de neutraliteit van het 'Zijn' en opgeroepen om deel te nemen aan een gebeuren. Volgens Marquardt kunnen wij God in dit gebeuren alleen gaandeweg leren kennen, allereerst uit de geschiedenis van het joodse volk - niet alleen de geschiedenis uit de tijd van bijbel, maar ook die van het hedendaagse volk Israël. Omdat Jezus onlosmakelijk is verbonden met zijn volk Israël, komen christenen hem niet alleen in het verleden maar ook vandaag allereerst tegen in de context van de voort­gaande geschiedenis van het joodse volk. Marquardt bepleit  een voorrang voor de praxis, een denken vanuit Lebensverbindlichkeiten, een betrokken zijn in daden op concrete plekken in de wereld, allereerst bij het joodse volk, vervolgens bij de armen en tenslotte bij alle mensen in de inzet voor menselijkheid.

Geen eschatologische Endlösung

Geen definieerzucht betekent ook, dat de christelijke eschatologie zich niet moet inspannen om de toekomst van Israël schematisch vast te leggen en te binden aan christelijke condities. Niet joden moeten zich aanpassen aan de christelijke toekomstverwachtingen, maar christenen kunnen daarentegen volgens Marquardt veel leren van de joodse hoop, die verbonden is met het doen van Gods geboden. Na de Sjoa kan alleen een volledige toewijding aan de geboden, voor niet-joden in het bijzonder aan de Noachidische geboden, nog voedsel geven aan de hoop.[9] Elke 'definitieve oplossing' in de theologie is voor Marquardt uitgesloten, nadat de nazi's het woord Endlösung hebben uitgevonden voor de vernietiging van het joodse volk. Hij wil geen 'definitieve' theologische stellingen verwoorden, maar is bereid alles telkens weer van een andere kant te bezien. Met name in zijn laatste deel over 'Utopie' stelt hij een aantal uitgangspunten van zijn eigen denken onder kritiek, wanneer hij nog weer eens anders spreekt over de trans­cendentie van God na diepgaand studie gemaakt te hebben van de werken van de joodse filosofen Levinas en Leibowitz.[10]
     Marquardt wil geen nieuw christelijk dogma over Israël formuleren. Zijn theologiseren is gericht op de vernieuwing van de verhouding tussen christenen en joden. De theologische drang tot het volledig kennen van de waarheid door middel van de grote christelijke dogma's moet volgens Marquardt opgeschort worden tot het eschaton. Daarom komt hij bijvoorbeeld pas in zijn ‘Utopie’ te spreken over centrale dogma's als het eeuwige zoonschap van Jezus en de triniteit. Hij is er van overtuigd, dat de waarheid van de kerk tenslotte afhangt van de ontmoeting tussen Jezus en zijn volk in het laatste gericht, dat hij als een gesprek ziet waarbij alle partijen zich volledig kunnen uitspreken. De christelijke belijdenis van Jezus als Heer wordt door Marquardt in handen gelegd van de nog open toekomst, waar­over de theologie geen uitsluitsel en zekerheid kan bieden. Tot in het eschaton blijft het joodse nee jegens Jezus volwaardig staan naast het christelijke ja.

Hopen

De grote vraag voor Marquardt is, of we na Auschwitz nog kunnen hopen op God. Zijn drie delen over eschatologie heten: ‘Wat mogen we nog hopen, als we tenminste nog zouden mogen hopen?’ Kunnen we nog hopen op God, ‘onder het voorbehoud dat Hij wil en leeft’? Mogen we nog uitzien naar de komst van de messias, nadat hij verstek heeft laten gaan in de diepste nacht van zijn volk? Aangrijpende vragen, die bij Marquardt gepaard gaan met een volhardende trouw aan de christelijke traditie. Hij huldigt de joodse opvatting van lernen. Dat wil zeggen: Ook minderheidsstandpunten gooi je niet weg. Je zou ze later nog wel eens hard nodig kunnen hebben. Hij is er van overtuigd, dat we alleen samen met het joodse volk wegen kunnen ontdekken in onze tijd naar de toekomst. De levende joodse traditie tot op vandaag is daarbij voor de kerk en de christelijke theologie van grote en onmisbare betekenis.
     Marquardt spreekt ook over ‘hoop’ in verband met de vaak aan christelijke zijde geuite vraag: mag/kan de  kerk ook deel uitmaken van het verbond met God?  Hij acht het woord verbond het meest constructieve begrip om vandaag zowel de christelijke identiteit als de joods-christelijke verhouding te omschrij­ven.[11] Maar wel onder duidelijke condities: christenen zullen allereerst hun eigen theologische huiswerk moeten maken en bereid moeten zijn hun christelijke annexatiedrang los te laten. Zijn stelling dat alleen een nieuw handelen zal leiden tot een werkelijke vernieuwing van het denken, past hij ook toe op de vraag óf en hoe de kerk zich betrokken mag weten bij het verbond van God met Israël. Kritisch moet dan worden nagegaan, óf en hoe het verbondsbegrip kan functioneren in het zoeken van een nieuwe praxis in de verhouding van de kerk tot het joodse volk. Het handelen van christenen in het verleden lijkt een dergelijk toepassing van het ver­bondsbegrip bij voorbaat uit te sluiten. Het spreken van de kerk over het 'oude verbond' met het oog op het joodse volk droeg de trekken van een Endlösung-theologie.
     Wanneer er toch in de christelijke theologie gepoogd wordt een verbinding te leggen tussen de kerk en het verbond, dan dient er uiterst zorgvuldig geformuleerd te worden. Het begrip verbond moet dan volgens Marquardt verstaan worden als een beloftewoord, dat allereerst is gegeven aan Israël, maar dat een uitstraling heeft naar de volken. De voorwaarden voor een mogelijke verbinding tussen verbond en kerk ziet Marquardt als volgt: Als vertegenwoordiging van de volken mogen kerken er op hopen partners te worden in de verbondsgemeenschap met Israël, als zij bereid zijn de last van Israël in het heiligen van de Naam mee te dragen en als zij betrokken willen zijn bij het veranderen - niet het overwinnen - van de wereld  en als zij met Israël op weg willen gaan naar het 'nieuwe verbond' met God in de toekomst.
     Bestudering van het werk van Marquardt is verrijkend en wijst nieuwe wegen. Het vergt inspanning maar levert veel op, voor de studeerkamer en voor de christelijke praxis, voor het leerhuis en voor de kansel. De Nederlandse vertalingen van Marquardt’s werk en de Nederlandse opstellen over zijn denkwerk kunnen daarbij behulpzaam zijn.

[1] F.-W. Marquardt, Bij de slip van zijn kleed… . Een christelijke theologie na Auschwitz. Artikelen – uitgekozen, vertaald en ingeleid door Dick Boer, Inge Kooistra en Derk Stegeman, Ten Have Baarn 2003, ISBN 90 259 5334 4.

[2] D. Stegeman, I. Kooistra, D. Boer (red.), Marquardt lezen. Nederlandse theologen over het werk van Friedrich-Wilhelm Marquardt, Ten Have Baarn 2003, ISBN 90 259 5335 2.

[3] F.-W. Marquardt, Bij de slip van zijn mantel..., 9.

[4] F.-W. Marquardt, Die Entdeckung des Judentums für die christliche Theologie. Israel im Denken Karl Barths, München 1967.

[5] F.-W. Marquardt, ‘ “Abirren”. Zu Erscheinungsformen des Häretischen in meiner Theologie’, in: S. Hennecke, M. Weinrich (Hg.), ”Abirren”. Niederländische und deutsche Beiträge von und für Friedrich-Wilhelm Marquardt, Wittingen 1998, 151-174 (in bundel Bij de slip van zijn kleed…., 232-250).

[6] F.-W. Marquardt, Von Elend und Heimsuchung der Theologie. Prologomena zur Dogmatik, München 1988,124-147.

[7]  F.-W. Marquardt, 'Terug in Amsterdam', Ophef (bijlage "Afdwalen" 1997), 7.

[8] F.-W. Marquardt, Von Elend und Heimsuchung der Theologie. Prologomena zur Dogmatik, München 1988, 263-373.

[9] F.-W. Marquardt, Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 1, Gütersloh 1993, 200-321.

[10] F.W. Marquardt, Eia wärn wir da – eine theologische Utopie, Gütersloh 1997, 363-572.

[11] F.-W. Marquardt, 'Entwurf zu einer christlichen Theologie des Bundes', in: M. Stöhr (Hg.), Lernen in Jerusalem - Lernen mit Israel. Anstösse zur Erneuerung in Theologie und Kirche, Berlin 1993, 93-109 (In Nederlandse bundel  Bij de slip van zijn kleed… , 253-271.