‘Auschwitz nooit weer’
Ter nagedachtenis aan Friedrich-Wilhelm Marquardt (1928-2002)
Simon Schoon
DadenOf de theoloog Marquardt ooit in Nes Ammim geweest is, weet ik niet. In elk geval was hij vele malen in Israël. Datgene wat Nes Ammim drijft en bezielt, is echter door weinig theologen zo trefzeker samengevat als door deze Duitse theoloog, die in mei 2002 is overleden. Misschien alleen ook nog door een andere Duitser, namelijk Heinz Kremers. Van Kremers en Marquardt heb ik geleerd wat theologie kan zijn, en daar ben ik hen dankbaar voor. In 1988 schreef Marquardt in het eerste deel van zijn dogmatiek, die uiteindelijk zeven dikke delen zou gaan tellen: ‘Het zijn de plekken van concrete daden, die verstaan en denken leren’. In het Duits staat het woord Tat-Ort: een plek waar daden gestalte krijgen. Deze theoloog van veel woorden wist waar goede en indringende woorden geboren worden, namelijk op plekken waar daden gestalte krijgen. Dat was een revolutionaire benadering voor een christelijk theoloog, na 20 eeuwen kerkgeschiedenis en dogmatiek waarin het altijd ging om de zuivere leer en het juiste woord.
Voor Marquardt was deze benadering na de Sjoa en na de stichting van de staat Israël een duidelijke keus: solidariteit van christenen jegens joden moet allereerst en bovenal gestalte krijgen in daden. Zonder dat alle kanten en consequenties van die daden al tot op de bodem doordacht zijn. Zó hebben mijns inziens de pioniers van Nes Ammim hun project gesticht, nu 40 jaar geleden. Het betekende voor hen een daad van hoop en geloof na eeuwen van christelijk anti-judaïsme een antisemitisme. Nes Ammim was een Tat-Ort. Een project van het ‘geleefde leven’, hebben we vaak gezegd. En op zo’n plek van daden worden dan ook nieuwe woorden geboren. Andere woorden voor de verhouding tussen de kerk en het joodse volk dan die woorden die de kerk eeuwenlang daarvoor had gebezigd. Uit het doen komt het denken voort. Dat heeft Marquardt in de Hebreeuwse bijbel ontdekt. En natuurlijk ook in het Nieuwe Testament dat zonder dat Aloude Testament eenvoudigweg ondenkbaar is. Met dat nieuwe denken, vanuit daden geboren, heeft Nes Ammim voor de kerken veel betekend. Er is inmiddels veel veranderd. Er staat in de Kerkorde van de Samen-op-Weg-kerken, dat de gemeente van Christus ‘onopgeefbaar verbonden’ is met het volk Israël. Nu zullen we er aan moeten werken, dat het niet opnieuw alleen een zaak van mooie woorden blijft.
Marquardt werd in 1928 in Eberswalde in Brandenburg geboren. In zijn schooltijd maakte hij de Reichskristallnacht in 1938 mee, toen de synagogen in Duitsland in brand werden gestoken. Hij maakte de oorlog mee, en ging na de oorlog theologie studeren. In 1949 kwam hij als theologisch student naar Amsterdam en werd ondergebracht bij een joodse familie. Hun verhalen gooiden zijn geloof en wereldbeeld totaal omver. Hij studeerde bij de beroemdste theologen van zijn tijd, o.a. Barth en Bultmann. In 1957 werd hij studentenpredikant in Berlijn en begeleidde in 1959 de eerste studenten van Aktion Sühnezeichen in Israël. Later noemde hij deze reis een ‘tweede doop’. Hij ontmoette het levende joodse volk en dat beïnvloedde zijn theologie voorgoed. Uit de daad van de solidariteit met Israël werd voor hem een nieuw denken geboren. Een denken dat velen tot op vandaag fascineert en dat anderen fel afwijzen omdat het niet meer ‘christelijk’ zou zijn. Hij maakte een ontwikkeling door, die vele Nes Ammimers ook kennen.
In 1967 prees Karl Barth de dissertatie van Marquardt, die handelde over ‘Israel in het denken van Karl Barth’. De leerling had de meester overtroffen en de meester erkende dat. Marquardt werd de opvolger van de beroemde Helmut Gollwitzer in Berlijn. Onvermoeibaar ging hij, 25 jaar lang, op nieuwe en onbetreden paden in de theologie. Zijn drijfveer zou in een paar woorden kunnen worden samengevat, de woorden die op het Auschwitz-monument, gemaakt door Jan Wolkers, in Amsterdam staan: ‘Auschwitz nooit weer!’ Dat leverde Marquardt natuurlijk ook vele tegenstanders op. Niets heeft hem zo gestoken dan dat hij door theologen en mede-christenen in Duitsland als een soort ‘ketter’ en ‘afvallige’ behandeld werd. Zijn afscheidsrede als professor voor systematische theologie aan de Vrije Universiteit in Berlijn, waar hij van 1972 tot 1997 doceerde, ging hierover. Die rede was getiteld: ‘“Afdwalen”- over verschijningsvormen van ketterij in mijn theologie’. Fel trok hij van leer: ‘Wat een perversiteit om Gods mensenliefde in Christus te prijzen, en, daardoor niet geremd, de doodswereld te dienen en deze met betrekking tot een deel van de mensheid (de joden) theologisch zelfs te rechtvaardigen.’
Weinigen hebben zo diepgaand en intens opgeroepen tot een theologische omkeer als Marquardt. Hij zet een levensgroot vraagteken achter de hele onderneming van de theologie, en toch blijft hij er zijn leven lang geobsedeerd mee bezig. Telkens weer vraagt hij zich af: Is het niet veel beter om als theoloog definitief te zwijgen over God dan om in het aangezicht van de slachtoffers voort te gaan met verbaal theologisch geweld? Als we al blijven spreken, omdat ook zwijgen verraad kan betekenen aan de slachtoffers, dan kan dat volgens Marquardt slechts gewaagd worden vanuit de crisis en de bereidheid tot Umdenken. Niet in de eerste plaats de christelijk-theologische definities over het joodse volk moeten verbeterd worden. Want Joden moeten nooit meer in de christelijke theologie zoals voorheen geobjectiveerd worden tot vreemden. Er kan slechts over hen gedacht en gesproken worden vanuit deelneming en solidariteit. Of, om het met Marquardt te zeggen: christenen zullen moeten leren ‘om de ander in zijn anders-zijn te laten leven en los te laten uit de wurggreep van hun religieuze en theologische definieerzucht.’
Nog steeds doorzien christenen volgens Marquardt te weinig, dat de moordmachine van Hitler in de poging het gehele joodse volk te vernietigen er ten diepste op gericht was Gods trouw aan zijn volk teniet te doen. De christelijke gemeente die aanspraak meent te kunnen maken op dezelfde trouw van de God van Israël, heeft zich nauwelijks gerealiseerd, dat ook de grond van haar eigen bestaan in het geding was. De levensgrote vragen, die de verschrikking van de Sjoa oproept ten aanzien van de macht en de trouw van God, zijn daarom niet alleen de vragen van het volk Israël maar evenzeer de vragen van de kerk en de christelijke theologie. Ons geloof is geschokt tot in zijn diepste fundamenten. Als christelijke theologie na Auschwitz nog mogelijk is, dan alleen in een houding van omkeer en bereidheid tot luisteren.
De grote vraag voor Marquardt is, of we na Auschwitz nog kunnen hopen op God. Twee van zijn boeken heten: ‘Wat mogen we nog hopen, als we tenminste nog zouden mogen hopen?’ Kunnen we nog hopen op God, onder het voorbehoud dat Hij wil en leeft? Mogen we nog uitzien naar de komst van de messias, nadat hij verstek heeft laten gaan in de diepste nacht van zijn volk? Aangrijpende vragen, die – wonderlijk genoeg – bij Marquardt gepaard gaan met een diep geloof en een volhardende trouw aan de christelijke traditie. Heel anders dan een Nederlandse theoloog als Kuitert draagt hij niet vele geloofsopvattingen naar de schroothoop. Marquardt huldigt de joodse opvatting van lernen. Dat wil zeggen, ook minderheidsstandpunten gooi je niet weg; je kunt ze later nog wel eens hard nodig hebben. Maar hij is er van overtuigd, dat we alleen samen met het joodse volk wegen kunnen ontdekken in onze tijd naar de toekomst. De levende joodse traditie, ook die van na de bijbel, is daarbij voor ons van grote en onmisbare betekenis.
ToekomstHoe is er volgens Marquardt nog een toekomst voor de kerk? Hoe kan de kerk menen dat ze betrokken is bij het verbond, wat God in de eerste plaats met het volk Israël heeft gesloten? De voorwaarden voor een mogelijke verbinding tussen verbond en kerk ziet Marquardt als volgt: Als vertegenwoordiging van de volken mogen kerken er op hopen partners te worden in de verbondsgemeenschap met Israël, als zij bereid zijn de last van Israël in het heiligen van de Naam mee te dragen en als zij betrokken willen zijn bij het veranderen - niet het overwinnen - van de wereld en als zij met Israël op weg willen gaan naar het 'nieuwe verbond' met God in de toekomst.
Hoe kan Marquardt nog in God geloven, vraag je je af. Hij geeft zelf dit antwoord: geloven is hopen op God geworden. Hopen dat God nog eenmaal zelf zal spreken. Hoe stelt hij zich dat spreken dan voor? Een laatste citaat: ‘Het zou antwoord moeten geven op Auschwitz, en zou dat alleen kunnen als het zou zijn: Gods bewijs van overleven: Ja toch, Ik wil. Ik leef, en in Mij is geen lijden, geen doodsschreeuw, geen kermen van verstikking vergeten - ook niets van dat, wat het Mij allemaal heeft aangedaan, en absoluut geen enkele dader en niet het hele moordsysteem is vergeten, geen dood woord van de taal van de daders, geen van hun dodende begrippen is in Mij verklonken.’
