Gemeente en universiteit
Simon Schoon
Voor mij horen die beide onafscheidelijk bijeen: kerkelijke gemeente en theologische universiteit. Wat voor anderen misschien nog theoretisch te scheiden is, is voor mij in de praktijk van mijn werkweek 'ongedeeld en ongescheiden'. De deskundigheid van mijn bijzondere leerstoel in Kampen 'voor de verhouding jodendom-christendom' neem ik mee in de praktijk van mijn gemeentewerk. In het leerhuis in Gouda kan ik veel kwijt van wat ik in verband met mijn colleges in Kampen voorbereid. Het niveau is weliswaar enigszins verschillend, maar dat verschil is niet absoluut. De 'gewone' gemeenteleden mogen zeker niet onderschat worden. Overigens neem ik mijn gemeente-ervaringen ook mee in de colleges in Kampen en in de begeleiding van de studenten. De meesten bereiden zich immers voor op een taak in de kerk en zijn ook 'gewone' gemeenteleden.
Op het gevaar af dat mij een oneerbiedig gebruik van de christologische formule van Chalcedon verweten kan worden, waag ik het toch om een beetje te spelen met die woorden. Behalve 'ongedeeld en ongescheiden' zijn mijn taken in de gemeente en aan de universiteit ook te typeren als 'onvermengd en onveranderd'. Want de gemeente is geen universiteit en de universiteit is geen kerkelijke gemeente. De spelregels zijn anders op beide terreinen. Maar ik ben op de kansel en in het leerhuis niet plotseling een ander mens dan in de collegezaal. Met andere woorden: de voortgaande discussie over de simplex ordo en duplex ordo lijkt mij te theoretisch en te abstract. Kerkelijke gemeente en theologische universiteit zijn te onderscheiden maar niet te scheiden. Voor mij is dit een wekelijkse, existentiële praktijk.
Het bekleden van de bijzondere leerstoel is voor mij - nu ruim vier jaar - een uitdaging. De overschakeling Gouda-Kampen en Kampen-Gouda wordt bevorderd door een treinreis van ongeveer twee uur, nuttig voor het niet helemaal opdelen en niet helemaal vermengen van beide taken. Er bestaat een goede belangstelling voor de thematiek van mijn leerstoel. Kampen is daarmee een avontuur aangegaan. Naar mijn weten is nog aan geen enkele theologische faculteit of universiteit een leerstoel voor de verhouding jodendom - christendom ingesteld, hoewel dit niet wil zeggen dat er elders geen enkele aandacht voor dit onderwerp zou bestaan. Overigens komt de belangstelling voor het joods-christelijk gesprek nog steeds voornamelijk van één kant, dat wil zeggen van de christelijke kant. Het is vaak benadrukt: de verhouding jodendom - christendom is asymmetrisch. Christenen kunnen - een beetje generaliserend - spreken over 'de joodse wieg' van hun godsdienst. Joden zullen uiteraard nooit spreken over de christelijke 'wortels' van hun religie. En dan is het nog maar de vraag of de joodse identiteit als een religie omschreven kan worden en het niet veel juister is om te spreken van een onlosmakelijk geheel van volk, land en religie.
Ondanks het feit dat de verhouding tussen de kerk en het volk Israël op historische en theologische gronden asymmetrisch zal blijven, groeit in onze tijd het vertrouwen in de mogelijkheid van een gelijkwaardige en wederkerige dialoog tussen joden en christenen. Bij de grote meerderheid van het joodse volk is dat vertrouwen er nog niet. Uitzonderingen bevestigen de regel. Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid veel in die uitzonderingssituaties te mogen verkeren en op de dialoog ingestelde joodse gesprekspartners te mogen ontmoeten. Regelmatig zijn zij ook bereid om naar Kampen te komen en met studenten in gesprek te gaan. Bepaalde concrete ontmoetingen in het verleden zijn voor mij onvergetelijk; ze hebben mijn theologisch denken een totaal nieuw perspectief gegeven. Ik denk bijvoorbeeld aan prof. David Flusser uit Jeruzalem, die in ons huis in Nes Ammim logeerde en niet ophield dag en nacht de meest diepborende en scherpzinnige vragen te stellen aan het adres van de christenen, vragen die me nog steeds dagelijks bezighouden. En dan Elie Wiesel die ik ontmoette in Amsterdam, die in één van zijn boeken geschreven heeft: "Hoe zou een buitenstaander kunnen begrijpen wat de angst van een jood was, en wat de hoop van een jood is. Maar het komt voor. Tussen een jood en een christen blijft het gesprek mogelijk, als zij oprecht en open zijn. En dat gesprek is dan zelfs onvermijdelijk".
In de laatste decennia hebben zich wat betreft de joods-christelijke verhouding revolutionaire veranderingen voltrokken in kerk en theologie. Allereerst moet het document Nostra Aetate uit 1964 genoemd worden van het Tweede Vaticaans Concilie. In de gereformeerde kerkorde stond tot 1992 deze opdracht: "De kerken zullen zich richten tot de Joden in en zo mogelijk ook buiten Nederland om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is". Nu wordt er heel anders gesproken, namelijk over "het gestalte geven aan de onopgeefbare verbondenheid tussen de kerk en het volk Israël" en "het zoeken van gelegenheden tot wederkerig getuige zijn". In artikel I,7 van de nieuwe Kerkorde van de Samen-op-Weg-kerken staat: "Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap zoekt zij (de kerk) het gesprek met Israël inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende de komst van het Koninkrijk Gods". Genoemde veranderingen vragen om een voortgaande theologische reflectie en om een nieuwe praktijk in de kerken. Met het aan de slag gaan met dat theologische 'huiswerk' is nog nauwelijks een begin gemaakt. Het is een goede zaak wanneer dat 'huiswerk' aan een kerkelijke theologie-opleiding een vaste plek heeft.
Er is in de tweede helft van de 20e eeuw veel gebeurd op het gebied van de verhouding tussen joden en christenen, maar er moet nog veel meer gebeuren, willen deze veranderingen in de 21e eeuw niet beschreven worden als een incidentele opleving na de Tweede Wereldoorlog. Het anti-judaïsme in zijn vele verschijningsvormen behoort nog steeds niet tot het verleden. Nieuwe ontwikkelingen op dit gebied in kerk en theologie zijn tot dusver vrijwel uitsluitend beperkt gebleven tot West-Europa en Noord-Amerika. De trialoog tussen joden, christenen en moslims is nog nauwelijks van de grond gekomen. De steeds feller oplaaiende etnisch-religieuze conflicten in onze steeds kleiner wordende wereld onderstrepen, dat de dialoog geen elitaire aangelegenheid van enkelingen meer kan zijn maar een noodzaak moet zijn voor allen.
