GELAAFD  AAN JOODSE BRONNEN

                                                         Simon Schoon

Herontdekking

‘Onopgeefbaar verbonden’ is in Protestantse kring in Nederland binnen korte tijd een bijna gevleugeld woord geworden om de verhouding tussen joden en christenen weer te geven. Toch is in een eeuwenlange geschiedenis de omschrijving ‘voorgoed verbroken’ een treffender aanduiding van de realiteit van de verhouding tussen de kerk en het joodse volk dan de nieuwe term ‘onopgeefbaar verbonden’ in de Kerkorde. Het is dan ook begrijpelijk, dat de meeste Joden deze snelle ontwikkeling niet bij kunnen houden en er nogal wantrouwend tegenover staan. Voor hen is het een grote vraag, op welk moment de christelijke liefde weer zal omslaan in haat. Daarom nemen zij doorgaans een afwachtende houding aan. Door de praktijk geleerd vragen zij zich af, wanneer het in sommige christelijke kringen gangbare filosemitisme (aanduiding voor een uitgesproken voorliefde voor Joden) weer zal veranderen in het veel bekendere beeld van het antisemitisme. Velen menen in de laatste jaren al weer de symptomen waar te nemen van een nieuwe omslag. De herontdekking in christelijke kring van het jodendom en het joodse volk mag dan een opmerkelijk verschijnsel genoemd worden na de Tweede Wereldoorlog. Het is de vraag hoe diep deze verandering verankerd is de harten en gedachten van het protestantse volksdeel in Nederland. Aanvankelijk ging de bekende jodenzending, vooral in gereformeerde kring, nog op de oude voet verder alsof er niets gebeurd was. Maar de herontdekking van het Oude Testament, van het joodse volk en van de joodse traditie, ingezet door voortrekkers als Miskotte, lijkt het pleit gewonnen te hebben. Of hebben pessimistische stemmen toch gelijk, die menen dat het slechts een tijdelijke opleving is geweest, ingegeven door schuldgevoel over de moord op meer dan 100.000 Joden uit Nederland in de Tweede Wereldoorlog? Of de verandering echt en grondig is, kan pas blijken op de lange duur. Het is tenslotte onmogelijk om van christelijke zijde zomaar af te kondigen, dat een verhouding voortaan ‘onopgeefbaar verbonden’ is. Liefde moet blijken.

Leerhuizen

In het veranderingsproces onder christenen ten aanzien van het jodendom hebben leerhuizen een belangrijke rol gespeeld. Maar wat is eigenlijk een ‘leerhuis’? Er is wel eens gepoogd om de wildgroei onder leerhuizen aan banden te leggen en criteria te ontwikkelen voor wat met recht een ‘leerhuis’ genoemd kan worden. De Folkertsma Stichting voor Talmudica in Hilversum en het Overlegorgaan van Joden en  Christenen hebben op dit vlak pionierswerk verricht. Het lijkt voor een leerhuis een minimum vereiste te zijn, dat men zich daar verdiept in de joodse traditie. Deze vraag behoort centraal te staan: Hoe denkt en handelt ‘de joodse ander’? Maar daarna gaan de wegen uiteen in de opzet van een leerhuis. Sommigen willen zich puur en alleen verdiepen in de verscheidenheid van de joodse traditie. Anderen willen verder studeren op typisch christelijke vragen. Wat heeft de joodse traditie te zeggen aan de christelijke identiteit? Wat is de betekenis van het Jood-zijn van Jezus? Velen hebben zich in de afgelopen decennia gelaafd aan joods bronnen. Maar intussen is het publiek van de leerhuizen sterk vergrijsd. Dat geldt alleen niet voor die jongeren die een korte of langere tijd in Nes Ammim in Israël hebben verbleven. Maar die hebben dan ook een concrete ervaring opgedaan in de ontmoeting met het levende jodendom en hebben op grondige wijze kennis gemaakt met de weerbarstige politieke problematiek in Israël tussen Joden en Palestijnen.  

Niemandsland

In de kerk is men vaak kopschuw geweest voor diegenen die zich met grote ijver verdiepten in alles wat het jodendom inhield. De beschuldiging van ‘judaïsering’ werd geuit aan hun adres. Deelnemers in leerhuizen hebben ook wel eens aanleiding gegeven voor die argwaan van anderen. In het enthousiasme van de ‘eerste liefde’ werd alles omarmd wat maar joods was. Joodse feesten werden geïmiteerd en joodse gebruiken al te gemakkelijk overgenomen. Die voorliefde ging vaak gepaard met een afkeer van het dogmatisme en institutionalisme van de kerk. En daarmee was de polarisatie een feit. De leerhuis-gangers zetten zich af tegen de traditionele kerkmensen, die zij van antisemitisme verdachten. Terwijl de doorsnee-kerkgangers op hun beurt weer afgaven op de leerhuis-deelnemers, die zij van filosemitisme beschuldigden. Ik heb de indruk dat de scherpe kantjes van deze polarisatie er langzamerhand wat af zijn. De beelden die men er van elkaar op na hield, waren meer karikatuur dan realiteit. Hoewel er deelnemers uit leerhuis-kring zijn, die in een soort niemandsland terecht gekomen zijn tussen kerk en synagoge, voor de meeste geldt dat zij verrijkt en verdiept zijn in hun christelijke identiteit. We moeten wederzijds van de karikaturen af. Vaak zijn de boeiendste gegevens uit het jodendom vergeleken met de lastigste zaken uit de christelijke traditie. Joden zouden bijvoorbeeld altijd de vreugde om de Tora beleven, terwijl christenen een afkeer zouden hebben van de Wet. Bij Joden zou ‘het leven’ altijd centraal staan, bij christenen daarentegen ‘de leer’. In een echte dialoog ontdek je dat je als Joden en christenen in dezelfde wereld leeft, met alle uitdagingen die daarbij horen, zoals discriminatie van vrouwen, van extreem nationalisme, en van religieus fundamentalisme. Wanneer een dialoog een dergelijk stadium van herkenning bereikt heeft, wordt het pas echt spannend.       

De joodse ander

Een leerhuis voor christenen kan geen nabootsing zijn van een klassiek joods leerhuis, bet ha-midrasj geheten, een vorm die ontstaan is in de eeuwen rond het begin van de jaartelling. Het leerhuis ontstond als een soort ‘wetswinkel’ waar men terecht kon met vragen over het doen en laten in het dagelijks leven, vragen over de halacha dus (de joodse gedragsregels). In het leerhuis werd de Tora bestudeerd en geïnterpreteerd en met het oog op de situatie van die tijd geactualiseerd. Het hedendaagse leerhuis in joodse kring is in een lange keten van traditie verbonden met deze oorsprong. Een leerhuis van en voor christenen kan geen imitatie zijn van dit klassiek-rabbijnse leerhuis, ook niet wanneer joodse inleiders bereid zijn hun bijdrage te leveren. Kennismaking met de joodse traditie en met die vreemde joodse ander zal echter voorop moeten staan in elk leerhuis. Het jodendom kent een rijke verscheidenheid, van halacha tot en met mystiek, van joodse filosofie tot en met chassidische verhalen. Langs de weg van een grondige kennismaking blijft de ‘onopgeefbare verbondenheid’ geen loze kreet, maar komt die vreemde ander werkelijk in het vizier. Christenen moeten er telkens weer voor oppassen om geen jodendom te creëren naar eigen snit. Ze mogen Joden niet ge(=mis)bruiken als ‘oplossing’ voor hun eigen christelijke identiteitsproblemen. En evenmin mogen zij het joodse volk manipuleren om op die manier een bevestiging te krijgen voor hun eigen christelijke eindtijd-verwachtingen.

Leerhuis voor christenen

Het staat kerken en christenen uiteraard vrij een eigen vorm van ‘leerhuis’ te ontwikkelen. Als het kennismaken met het jodendom daarbij maar een vast onderdeel blijft. Dan mogen natuurlijk – daarna en tegelijkertijd - ook alle specifiek christelijke vragen aan de orde komen. Wanneer christenen die vragen zouden achterhouden of inslikken, proberen ze toch een ‘joods leerhuis’ te imiteren. Dat zal uiteindelijk nooit lukken, omdat de lange keten van traditie ontbreekt en omdat het grote verschil blijft: een christen is nu eenmaal geen Jood. Niet dat een overgang naar het jodendom nooit zou kunnen plaatsvinden maar dat is dan een uitzondering die de regel bevestigt. Over het algemeen zullen christenen een leerhuis bezoeken, omdat ze het gevoel hebben daar in aanraking te komen met een wereld waarvan het christendom zichzelf eeuwenlang heeft afgesneden. Omdat ze overtuigd geraakt zijn van het besef, dat de God die zij hebben leren kennen door Jezus, zijn volk niet heeft losgelaten maar met dat volk is doorgegaan in een lange geschiedenis van hoogten en diepten. Omdat ze ontdekt hebben dat Jezus een Jood is en dat Hij alleen te begrijpen is tegen de achtergrond van het Aloude Testament en in samenhang met zijn eigen volk. Omdat ze al lerend de ervaring hebben opgedaan dat de christelijke gemeente vanwege haar oorsprong ‘onopgeefbaar verbonden’ is met het joodse volk. Ook al zou geen Jood die verbondenheid volmondig kunnen beamen en ook al zouden de meeste Joden met enige argwaan de veranderingen op dit gebied in de kerken volgen, dan nog blijft voor christenen de opdracht gelden om gestalte te geven aan die onopgeefbare verbondenheid.

De joodse en christelijke bijbel

In het leerhuis zullen telkens weer teksten bestudeerd worden uit het Boek, dat Joden TeNaCH noemen en christenen het Oude Testament. Hoewel het grotendeels om hetzelfde boek gaat, lezen Joden en christenen toch niet hetzelfde boek. Er is feitelijk een joodse en een christelijke bijbel. Niet alleen de taal is anders, ook de volgorde van de boeken is anders. Dat heeft verstrekkende consequenties. Maar het belangrijkste verschil, is dat christenen bij het lezen van deze teksten een andere bril op hebben dan Joden. Onwillekeurig lezen christenen het Oude Testament door de bril van het Nieuwe Testament. Misschien niet meer zoals vroeger, toen men op alle mogelijke plaatsen in het Oude Testament voorzeggingen en verwijzingen vond naar Jezus Christus. Maar het is niet zo gemakkelijk, misschien zelfs wel onmogelijk, om een bril zomaar af te zetten of te vervangen.  Overigens lezen de Joden de bijbel ook niet ‘letterlijk’, wat dat ook moge zijn, maar zij erkennen ten volle dat zij dat boek lezen via de bril van de latere Misjna en Talmoed. Pas vanuit de wederkerige erkenning dat de bijbel via een specifieke bril gelezen wordt, wordt het leerhuis spannend en de dialoog levensecht. Christenen zullen moeten leren accepteren, dat zij niet de eerst geadresseeerden zijn van het boek van Israël. Maar christenen hoeven zich daar niet aan te ergeren. Ook zij komen immers in het verhaal voor. Een goed verstaander heeft tenslotte maar een half woord nodig. Zij kunnen horen, dat zij evenzeer geliefd zijn bij de Vader. Dat is toch genoeg? 

Dr. Simon Schoon is gereformeerd predikant in Gouda en bijzonder hoogleraar Verhouding Jodendom-Christendom aan de Theologische Universiteit in Kampen