Karl-Josef  Kuschel, Strijd om Abraham. Wat joden, christenen en moslims scheidt en bindt, Zoetermeer, Meinema 2001.
[in GTT]

Kuschel is leerling en opvolger van Hans Küng en doceert ‘theologie van de cultuur en de interreligieuze dialoog’ aan de katholieke Theologische Faculteit van de Universiteit van Tübingen. In zijn oorspronkelijk in 1994 in het Duits verschenen studie wil hij trachten de harmonisatie te vermijden, waarmee maar al te vaak ongenuanceerd wordt gesproken over 'de familie van abramitische religies'. Dit boek is ver voor 11 september 2001 geschreven en gaat niet alleen over de islam, maar kan een belangrijke bijdrage leveren aan de sindsdien in alle hevigheid opgelaaide discussie. Niet alleen in het debat over de islam, maar ook over jodendom en christendom, kan deze studie misschien beweging brengen in de vastgelopen fronten tussen hen die rol van de monotheïstische religies in de samenleving voornamelijk als achterlijk en  fundamentalistisch beschouwen, en diegenen die graag de functie benadrukken van deze religies als handlangers op weg naar tolerantie en universaliteit. Religies lijken een Januskop te hebben. Zij kunnen enerzijds olie op het vuur werpen van nationalisme en exclusivisme. Zij kunnen anderzijds wegen wijzen naar vredig samenleven in waardigheid en respect. 
Te gemakkelijk wordt doorgaans verondersteld, dat de gezamenlijke betrokkenheid op Abraham joden, christenen en moslims zou kunnen verenigen. Kuschel maakt duidelijk, dat elk van de drie religies er haar eigen Abraham‑mythe op na houdt en tot volledige annexatie van hem tracht te komen. Hij geeft drie opvallende paradoxen weer: De halachisering en judaïsering binnen het jodendom van de niet‑jood Abraham, de kerstening en verkerkelijking binnen het christendom van de niet‑christen Abraham, en de islamisering van de niet‑moslim Abraham tot voorbeeldige moslim binnen de islam. De drie religies laten hun eigen absolute claim op Abraham gelden. Pogingen tot 'universa­lisering' van Abraham lijken theologisch tot mislukken gedoemd, omdat zij leiden tot een voor alle drie religies onacceptabel syncretisme.
Het is de vraag of Kuschel toch niet harmoniseert, wanneer hij aan het slot van zijn boek met behulp van een kritische hermeneutiek Abraham tekent als ‘blijvend oerbeeld van het geloof’. Joden, christenen en moslims roept hij op om de tegenwoordigheid van Abraham in de andere religies te erkennen. Dit dialogische minimum zou tegelijk een theologisch maximum kunnen beteke­nen. In de interreligieuze dialoog zouden joden, christenen en moslims moeten leren hun exclusieve aanspraak op waarheid en heil los te laten. Dan zou de figuur van Abraham niet meer misbruikt kunnen worden voor eigen religieuze, politieke en militaire doeleinden. Hoewel in de wereld van vandaag die wens nogal utopisch lijkt, wil dat niet zeggen dat die droom zou moeten worden opgegeven. Tenslotte nog twee kritische notities: Het is verwarrend om met Kuschel te spreken over ‘abrahamitische oecumene’; het woord ‘oecumene’ dient gereserveerd te blijven voor het interne eenheidsstreven van de kerken. En in een volgende druk kan wellicht de ondertitel op de kaft van het boek in overeenstemming gebracht worden met die op de titelpagina.
                                                                                                                               Simon Schoon