Schuilen onder de vleugels van de Sjechiena
Simon Schoon
Alle eeuwen door hebben niet-joden zich bij het joodse volk gevoegd, soms hele volken of groepen, soms enkelingen. In joodse termen gingen zij 'schuilen onder de vleugels van de Sjechiena'. In de officiële dialoog tussen joden en christenen komt het thema van de wederzijdse overgangen zelden of nooit ter sprake. Dit onderwerp wordt kennelijk als zo beladen en delicaat beschouwd, dat het meestal wordt vermeden om de nog broze verhoudingen niet te verstoren. Aan joodse zijde is de herinnering nog levend aan de eeuwenlange ijver van de christelijke jodenzending. Hoewel de grotere kerken in Nederland deze jodenzending officieel hebben afgewezen, zijn er - met name in de Verenigde Staten - nog tal van christelijke organisaties die het bekeren van joden hoog in het vaandel hebben geschreven. In Israël is het al of niet vermeende spook van de jodenzending regelmatig het onderwerp van felle debatten in het parlement (Knesset)en probeert men via wetgeving missionaire activiteiten in te dammen en aan banden te leggen. De kleine groepen van joodse christenen in Israël, of 'messiasbelijdende joden' zoals ze zichzelf liever plegen te noemen, voelen zich hierdoor vaak bedreigd. Daarbij hebben ze ook nog het gevoel in de steek gelaten te worden door christenen uit andere landen, die uitsluitend voor ontmoeting en dialoog naar Israël komen.
Beladen geschiedenis
Doordat er in het boek van de geschiedenis van de verhouding tussen christendom en jodendom vele zwarte bladzijden geschreven zijn door de daden van christenen, is de hedendaagse joods-christelijke ontmoeting nog steeds zeer beladen. Het terrein van de dialoog ligt bezaaid met voetangels en klemmen. In de beginfase van de ontmoeting is daarom getracht deze obstakels angstvallig te vermijden. In een dialoogsituatie, waarin langzamerhand voldoende wederzijds vertrouwen is gegroeid, is het mogelijk om delicate thema's zoals wederkerige overgangen openlijk aan de orde te stellen. Christenen zullen hierbij voor hen typerende theologische kortsluitingen onder ogen moeten zien. Het opvallende verschijnsel doet zich namelijk voor, in het bijzonder in evangelische kringen, dat joodse messias-Jezus-belijders op overdreven wijze door christenen aan het hart worden gedrukt en begroet als voorhoede van de grote oogst die spoedig komen gaat. Zij worden dan als 'dubbel verkoren' beschouwd, omdat ze zowel jood als Jezus-belijder zijn. Hun aanwezigheid in de christelijke gemeente heeft steeds weer voedsel gegeven aan eschatologische verwachtingen, die inhouden dat joden in groten getale het christelijke geloof zullen aannemen en daardoor de wederkomst van Jezus zullen bespoedigen. Deze verwachting kan ook hand in hand gaan met de overtuiging dat zij na de parousie een grote zendingstaak zullen vervullen over heel de wereld. Vaak worden niet realistische schattingen van het aantal bekeerlingen in onze tijd genoemd om aan te tonen dat deze tijd heel nabij is. In christelijke kring vertoont men soms de neiging joodse messias-Jezus-belijders op te voeren als bewijs van het eigen christelijk gelijk tegenover het joodse volk. Deze triomfalistische benadering maakt joden uitermate kopschuw, omdat zij hierin de opvatting bespeuren dat het jodendom alleen zijn bestemming kan vinden door op te gaan in het zegevierende christelijke geloof. Het spreekt voor zichzelf dat dergelijke gedachten een joods-christelijke ontmoeting in sterke mate belemmeren, zo niet totaal blokkeren.
Zieltjes tellen
Voor diegenen die van de merkwaardige opvatting lijken uit te gaan, dat 'de waarheid' van een geloofsovertuiging een zaak is van zieltjes tellen, dus van statistiek, is het overigens niet aan te raden om het verschijnsel van de overgang van joden naar het christelijk geloof met al te hoge eschatologische verwachtingen te belasten. In onze tijd gaan namelijk meer christenen over tot het jodendom dan omgekeerd. Nu zou het natuurlijk ook niet bevorderlijk zijn voor de joods-christelijke toenadering, wanneer joden als reactie op dit verschijnsel, dat zich in het bijzonder in Israël voordoet, maar ook in Nederland, triomfalistische opvattingen zouden gaan koesteren over de uiteindelijke opheffing van het christendom. Misschien dat deze overweging christenen tot enige bescheidenheid zou kunnen manen. Overgangen zijn namelijk zeer contextueel bepaald. De specifieke context van een bepaald land in een bepaalde tijd speelt altijd een grote rol bij overgangen tussen verschillende religies. In de huidige tijd oefent het herboren jodendom een sterke aantrekkingskracht uit op christenen, die moeite hebben met het instituut kerk en die worstelen met hun identiteit. Alle rabbijnen in Nederland kunnen verhalen vertellen over veelvuldige verzoeken van mensen van christelijke komaf om jood te mogen worden.[1] Over het algemeen worden deze aanvragen op vriendelijke doch besliste wijze afgehouden. Juist deze houding aan joodse zijde maakt het thema van de wederkerige overgangen volstrekt asymmetrisch en onvergelijkbaar. Het christendom is missionair ingesteld, het jodendom niet. Christenen zullen immers meestal de joodse bekeerlingen met open armen ontvangen. Soms trachten ze hen ook in dialoogsituaties een prominente plaats toe te kennen. Eén persoonlijke herinnering kan hierbij misschien als illustratie dienen. Toen het Overlegorgaan van Joden en Christenen in 1981 werd opgericht, werd van de zijde van de Hervormde Kerk een predikant van joodse komaf, George Cassuto, naar voren geschoven voor benoeming in het OJEC. De tijd was hier niet rijp voor. Onmiddellijk vertoonden de joodse partners de neiging helemaal af te haken. De geboorte van het OJEC dreigde te mislukken. Cassuto trok zich echter eigener beweging terug, omdat hij de nog tere verhoudingen in de beginfase van het OJEC geen schade wilde berokkenen. Overigens keerde hij na vele jaren predikantschap aan het einde van zijn leven terug tot de synagoge. Hij heeft nu zijn laatste rustplaats gevonden op de Liberaal-Joodse begraafplaats in Hoofddorp.
Zo veelvuldig als de geschiedenis van joodse christenen is beschreven,[2] zo weinig is bekend over de overgangen van christenen naar het jodendom.[3] Binnen het jodendom is de kwestie van de toetreding van niet-joden omstreden en tot op vandaag een zaak van heftige diskussies. Doordat orthodoxe, 'conservative' en liberale joden voor deze toetreding - of in joodse terminologie het 'uitkomen' - , verschillende criteria en voorwaarden hanteren, is dit thema wellicht de grootste splijtzwam in de joodse gemeenschap. Bijna alle stromingen van het jodendom gaan uitermate voorzichtig te werk met het opnemen van proselieten, maar de uitgebreide website van het Amerikaanse Conversion to Judaism Resource Center toont aan dat er ook joodse organisaties zijn, die bijzonder aktief zijn in het aanmoedigen van overgangen naar het jodendom.[4] De verschillende benaderingen van 'toetreders' binnen het hedendaagse jodendom vormen een weerspiegeling van de uiteenlopende opvattingen, die in de loop van de tijd binnen het joodse volk hebben bestaan ten aanzien van het thema van het 'proselitisme'.
In de Oudheid
In de oudtestamentische tijd was het mogelijk om 'te schuilen onder de vleugels van de God van Israël' (vgl. Ruth 2: 12), bijvoorbeeld als 'buitenlandse' vrouw van een Israëlitische man. Er leefden vele 'vreemdelingen en bijwoners' (geeriem) op het grondgebied van Israël, van wie verwacht werd dat zij zich aan de Israëlitische wetten hielden. Toen de Israëlitische stamgodsdienst na de Babylonische ballingschap zich in een eeuwenlang durend proces uiteindelijk ontwikkelde tot het rabbijnse jodendom, veranderde ook de mogelijkheid van toetreding tot het volk Israël en daarmee de positie van de 'toetreders' of proselieten.[5] Er zijn opzienbarende overgangen geweest in de Oudheid.[6] De Idumeeërs werden zelfs door Johannes Hyrkanus onder dwang bekeerd. Flavius Josephus beschrijft in het twintigste boek van zijn 'Joodse Oudheden', hoe verschillende leden van het vorstenhuis van Adiabene, een rijk ten oosten van Palestina, zich aansloten bij het volk Israël. En het koningshuis van Herodes stamde bijvoorbeeld af van de proseliet Antipater.
Er is onder geleerden geen eenstemmigheid over de al of niet actieve missionaire houding van joden in de Romeinse tijd. Het jodendom moet in elk geval een grote aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op buitenstaanders (vgl. Matteüs 23: 15). Joden zouden tien procent van het aantal bewoners van het Romeinse Rijk uitgemaakt hebben. In sommige schattingen wordt zelfs het aantal van 6 à 7 miljoen genoemd voor die joden, die rond het begin van de jaartelling proselieten waren of afstamden van proselieten. Het is wetenschappelijk omstreden, of dit het gevolg was van opzettelijke joodse missionering. Het historisch onderzoek naar de al of niet missionaire praktijk van het jodendom in de Oudheid is sterk ideologisch gemotiveerd. In liberaal-joods milieu in de Verenigde Staten is dit verklaarbaar uit het streven, dat sommigen op deze wijze pogingen historisch willen legitimeren om het jodendom vandaag opnieuw tot een missoniare godsdienst te maken.[7] In christelijke kring komt dit voort uit de behoefte om de eigen christelijk-missionaire houding jegens de joden te verdedigen met een verwijzing naar het oorspronkelijk evenzeer missionaire jodendom.[8] Recentelijk heeft hernieuwd historisch onderzoek geleid tot de opvatting, dat er helemaal geen opzettelijke joods-missionaire aktiviteit heeft plaatsgevonden in de tijd van het vroege jodendom. Ook het verschijnsel van de 'Godvrezenden' rond de synagogen in de diaspora zou helemaal geen wijd verbreid fenomeen geweest zijn. Een deel van het rabbijnse jodendom zou alleen maar missionair actief zijn geworden als een reactie op de missionaire ijver van het vroege christendom.[9] Hoe dit ook zij, historisch is in ieder geval zeker dat de opstand onder Bar Kochba geleid heeft tot het Romeinse verbod na 135 n. Chr. op de besnijdenis van niet-joden. Dit betekende impliciet een verbod op proselitisme. Toen het christendom staatsgodsdienst werd in 380 n. Chr. werd het joden volstrekt verboden bekeringsactiviteiten onder niet-joden te ontplooien en proselieten te maken.
Rabbijnse traditie
Volgens de rabbijnen van het vroege jodendom is het mogelijk te 'schuilen onder de vleugels van de Sjechiena', dat wil zeggen: toevlucht te zoeken bij de naar zijn volk toegekeerde Presentie van God. Politieke omstandigheden waren er soms de oorzaak van, dat rabbijnen huiverig waren om proselieten op te nemen, maar officieel bleef een open houding gelden. Abraham wordt beschouwd als de vader van alle proselieten, die ook vaak de naam 'Abraham' kregen na hun overgang. Hij zou hen gastvrij in zijn huis hebben ontvangen en zo hen tot proselieten hebben 'geschapen'.[10] De klassieke plaats over proselieten in de Babylonische Talmoed luidt als volgt: "De Rabbijnen leren: Als iemand in onze dagen komt en de wens uitspreekt zich te bekeren, moeten zij hem zeggen: 'Waarom wil je een proseliet worden? Weet je dan niet dat Israëlieten vandaag worden vervolgd, verdreven, gekweld en getreiterd, en dat lijden hen overkomt?' Als hij dan antwoordt: 'Ik weet het, en ik ben niet waardig', dan ontvangen zij hem direct en leggen hem enkele van de kleinere en grotere ge(ver)boden uit. (....) Zij vertellen hem echter niet teveel en treden ook niet tezeer in details. Als hij toestemt, wordt hij direct besneden, en zodra hij is genezen, ondergaat hij de onderdompeling, waarbij twee geleerden naast hem staan en hem enkele kleine en grote ge(ver)boden leren. Wanneer hij de onderdompeling heeft ondergaan, wordt hij in alle opzichten als een Israëliet beschouwd."[11]
Middeleeuwen en daarna
In 614 schreef Antiochus de Monnik over een medebroeder in de Sinaïwoestijn, die door een extatische droom overging naar het jodendom.[12] Bekend is de bekering van Bodo, een hofklerk van Lodewijk de Vrome, die in 838 onder het voorwendsel een pelgrimage naar Rome te willen maken zich in Spanje bij het joodse volk voegde en de naam Eleazar aannam.[13] In het kader van dit artikel kunnen niet de vele andere overgangen beschreven worden, zoals die van aartsbisschop Andreas van Bari in de 11e eeuw, die is weergegeven in een - in de Geniza van Kaïro gevonden - geschrift Megillat Obadja van weer een andere bekeerling tot het jodendom, Obadja de Normandiër.[14] Een citaat over een onbekende bekeerling uit een joodse martelaarsgeschiedenis van Weissenburg in de Elzas kan illustreren, wat het in de Middeleeuwen kon betekenen over te gaan naar het jodendom. In deze kroniek wordt gesproken over: "...rabbi Abraham, zoon van onze stamvader Abraham uit Augsburg, die het christendom verlaten heeft en voor de joodse godsdienst uitgekomen is, en die gruwelijk gefolterd werd en op vrijdag op de dag van de nieuwe maan in Kislev (21 nov. 1265) wegens zijn geloof verbrand."[15] Ook in tijden van hevige vervolgingen van joden door christenen in de Middeleeuwen waren er steeds weer enkelingen, die zich uit overtuiging bij het joodse volk hebben gevoegd.
De situatie na de Middeleeuwen is meermalen beschreven, vaak onder de in dit verband niet juiste benaming 'filosemitisme'.[16] Na de Verlichting hebben in de 19e eeuw talloze joden de doop aanvaard als een soort entreebiljet tot volledige gelijkberechtiging in de maatschappij. Pas na de Sjoa in de 20e eeuw is er in de meeste landen sprake van volledige vrijheid van godsdienst en is er opnieuw een situatie ontstaan zoals in de Oudheid: het jodendom oefent een grote aantrekkingskracht uit op buitenstaanders, nu met name op christenen. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat het jodendom in de 21e eeuw zal uitgroeien tot een volledig missionaire religie. Alleen de toekomst kan echter leren, of een missionair elan deel zal gaan uitmaken van het pluralistische moderne jodendom. De hierboven genoemde website uit de Verenigde Staten laat hierover geen twijfel bestaan. In ieder geval is het duidelijk, dat velen in onze tijd opnieuw hun toevlucht zoeken 'onder de vleugels van de Sjechiena'.
[1] Zie bijvoorbeeld: D. Lilienthal, 'Over opnames in het jodendom', in: Ter Herkenning 13/2 (1985), 116-124.
[2] Vgl. bijvoorbeeld:C. den Boer, M. van Campen, J. van der Graaf (red.), Messiasbelijdende joden, vroeger en nu, 's-Gravenhage 1989.
[3] Dit artikel is een korte samenvatting van een uitgebreider onderzoek waaraan ik werk.
[4] Zie www.convert.org/...In deze website krijgen activisten vele adviezen aangereikt hoe bekeerlingen te werven.
[5] Zie hierover uitgebreid in: S.J.D. Cohen, The Beginnings of Judaism. Boundaries, Varieties, Uncertainties, Berkeley/Los Angeles/London 1999.
[6] Zie J.R. Rosenblom, Conversion to Judaism. From the Biblical Period to the Present, Cincinnati 1978, 35-64.
[7] Zie voor een overzicht: D. Polish, 'Contemporary Jewish Attitudes to Mission and Conversion', in: M.A. Cohen, H. Croner (eds.), Christian Mission - Jewish Mission, New York 1982, 147-169.
[8] Zo bijvoorbeeld H. Mulder, Proselieten tussen ja en neen, Kampen 1980.
[9] M. Kraabel, 'The Disappearance of the "God-Fearers" ', Numen 28 (1981), 113-126. Ook de nieuwtestamenticus S. McKnight, A Light Among the Gentiles, Minneapolis 1991. Meer recent een joodse onderzoeker: M. Goodman, Mission and Conversion. Proselytizing in the Religious History of the Roman Empire, Oxford 1994.
[10] Genesis Rabba 39, 14
[11] bJewamot 47a-b
[12] Cohen, The Beginnings of Judaism, 166-167.
[13] A. Cabanass, 'Bodo-Eleazar: A Famous Jewish Convert', in: Jewish Quaterly Review XLIII (1952/53), 313-328; H. Löwe, 'Die Apostasie des Pfalzdiakons Bodo (838) und das Judentum der Chasaren', in: G. Althoff e.a. (Hg.), Person und Gemeinschaft im Mittelalter, Sigmaringen 1988, 157-169.
[14] Vgl. J. Prawer, 'The Autobiography of Obadyah the Norman, a Convert to Judaism at the Time of the First Crusade', in: I. Twersky (Ed.), Studies in Medieval Jewish History and Literature, Cambridge/London 1979, 110-134.
[15] In: W.P. Eckert, 'Hoch- und Spätmittelalter. Katholischer Humanismus', in: K.H. Rengstorf, S. von Kortzfleisch (Hg.), Kirche und Synagoge, Band 1, München 1988, 253.
[16] H.J. Schoeps, Philosemitismus im Barock. Religions- und geistesgeschichtliche Untersuchungen, Tübingen 1952. Zie echter onder de titel 'Uitzonderingen op de regel' hoofdstuk 7 van mijn boek:Onopgeefbaar verbonden. Op weg naar vernieuwing in de verhouding tussen de kerk en het volk Israël, Kampen 1998, 126-143.
