Noachidische geboden - een joodse uitnodiging aan christenen?

Simon Schoon

Twee jaar geleden voerde René Süss, toen nog hervormd predikant, in de kolommen van dit tijdschrift een pleidooi voor het aanvaarden van de noachidische geboden binnen de christelijke gemeente.[1] Het feit dat deze joodse stem inmiddels niet meer binnen maar buiten de kerk klinkt, omdat Süss zijn weg terug gevonden heeft naar de synagoge, maakt zijn oproep niet minder maar eerder meer relevant. Zijn terugkeer tot en thuiskomst in de synagoge geven aan zijn op de valreep gedane oproep aan het adres van de christelijke gemeente een wel zeer bijzondere kleur. De ervaringen die hij in vele jaren heeft opgedaan binnen het voor hem uiteindelijk 'vreemde huis' van de kerk klinken er in door. Voor het verantwoorden van die ervaringen  heeft hij zijn oor vooral te luisteren gelegd bij de christelijke theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt, die als geen ander heeft getracht theologie te bedrijven vanuit het door­denken van de verhouding van de kerk tot het volk Israël. In diens theologisch werk nemen de reflecties over evangelische Halacha en over de noachidische geboden nemen een centrale en bijzondere plaats in.[2]

Naar de kosjere slager

Eerder besteedden enkele Nederlandse auteurs reeds aandacht aan de noachidische geboden in verhouding tot de christelijke gemeente. In 1986 schreef Rudolf Boon dat de kerk van oor­sprong een twee-eenheid is en daarom gelovigen uit de besnijdenis samen met gelovigen uit de heidenen de grondstructuur vormen van de éne messiaanse gemeenschap.[3] In dit verband sprak hij het vermoeden uit dat de vier apostolische voorschriften voor de heiden-christenen, tot driemaal toe genoemd in Handelingen 15: 20, 29; 21: 25, een parallelie en verwantschap vertonen met de zeven noachidische geboden. Hij vermeldde dat hij hiermee aanknoopte bij gedachten, die reeds lang geleden werden geformuleerd door de Britse jurist John Selden (1584-1654) en de theoloog John Toland (1670-1722). Het is de vraag of Boon en Süss eender denken over de grondstructuur van de kerk, maar ze stemmen overeen in hun oproep aan kerk en theologie om de consequenties van de zeven noachidische geboden binnen de kerk te doordenken met het oog op de wereld. In 1991 deed Willem Zuidema, samen met Jos op't Root, een boekje open over de noachidische geboden, waarin naast veel fundamentele informa­tie vooral de vraag werd overwogen, of deze geboden een 'een joodse code voor niet-joden' konden betekenen.[4]

Vele vragen roepen om voortgaande theologische reflectie, zoals de volgende: Kan de kerk gezien worden als 'de kring van God-vrezenden rondom de synagoge'?[5] Is de oorspronkelijke 'twee-eenheid van de kerk' (Boon) in de eerste eeuwen verloren gegaan of is deze nog steeds een wenkend eschatologisch perspectief, en wat zou dit praktisch moeten betekenen voor de kerk van vandaag? Of zouden de noachidische geboden misschien een ethisch en levensbe­schouwelijk onderkomen kunnen bieden aan hen, die ergens tussen kerk en synagoge ver­dwaald zijn? (Zuidema) Zou het een teken van solidariteit zijn, zoals Süss het als ideaal ziet, als joden en christenen elkaar tegen zouden komen bij de kosjere slager?

De zeven noachidische geboden

Voordat een poging gedaan kan worden om enkele gedachten te formuleren als respons op bovengenoemde vragen,[6] moet eerst iets gezegd worden over de verschillende joodse opvat­tingen wat betreft de zeven ge(ver)boden van Noach. Zoals iedere godsdienst heeft het joden­dom in diverse teksten opvattingen geformuleerd over anderen, over niet-joden en over andere religies. In oudere teksten komen echter bijna geen specifieke visies op christendom en kerk voor. Het meest expliciet is de joodse visie op niet-joden in de loop van de eeuwen onder woorden gebracht in de leer van de 'noachidische geboden'. Over de tijd van ontstaan van deze visie, het specifieke aantal van de noachidische geboden, de invloed en het doel van deze leer bestaan zeer veschillende opvattingen onder joodse geleerden. Eén van de eerste opsommingen van deze geboden is te vinden in een Talmoed-passage, waar als positief gebod het scheppen van een rechtsorde wordt vermeld en vervolgens godslastering, afgodendienst, ontucht, moord, beroving en het eten van een levend dier als verboden worden genoemd.[7]
In een uitgebreide studie heeft David Novak de verschillende historische opvattingen binnen het jodendom over de noachidische geboden besproken.[8] De traditioneel-orthodoxe visie is dat deze geboden uit de bijbelse tijd stammen en door God aan Noach zijn geopenbaard. Deze opvatting kan inhouden, zoals die bijvoorbeeld door de bekende Duitse negentiende-eeuwse rabbijn Samson Raphael Hirsch werd verdedigd, dat de noachidische geboden de oorspronke­lijke achtergrond vormen van alle wetssystemen in de Oudheid, inclusief de Tora. Een modern-joodse theorie daarentegen beschouwt de noachidische geboden als een versie van een aantal hittietische wetten, die de rabbijnen gewoon hebben overgenomen. Ook is getracht om de zeven noachidische geboden te herleiden tot de tijd van de Maccabeeën, waarmee men in die periode reeds de status van de 'vreemdeling in het midden van Israël' zou hebben willen bepa­len. Het is echter pas in de Talmoed, dat dit concept gehanteerd wordt om de status van de geer-tosjav, de 'bijwonende vreemdeling' in het land, aan te geven. Sommige joodse geleerden werkten deze talmoedische visie nader uit en omschreven de noachidische geboden als een soort 'voorlopig onderdak' voor niet-joden, die als 'God-vrezenden' op weg waren naar het jodendom en uiteindelijk de status van 'proselieten' zouden bereiken, dus volledig zouden overgaan tot het jodendom.

Absoluut minimum

Novak (zelf orthodox-joods) acht al deze theorieën over de oorsprong van de noachidische geboden anachronistisch, omdat zij niet gegrond zijn op historisch onderzoek maar gebaseerd zijn op ideologische motieven. Hij is van mening, dat de formulering van de noachidische geboden stamt van de tannaïtische rabbijnen uit de periode na de verwoesting van de Tweede Tempel in het jaar 70. Een voorstadium van de zeven geboden kunnen de drie centrale verbo­den van afgoderij, sexuele immoraliteit en bloedvergieten geweest zijn, die voor joden zelf in tijden van vervolging het minimum vormden, aan welke verboden zij zich onder geen enkele omstandigheid mochten onttrekken. Deze overtuiging kan geleid hebben tot de opvatting van de absoluutheid van deze geboden voor alle mensen en niet alleen voor joden. Novak is van mening, dat de uitwerking van de leer van de noachidische geboden een intern-joodse affaire is, een theorie die oorspronkelijk het doel diende om de grenzen tussen joden en niet-joden in de eerste eeuwen duidelijk te trekken, en die joden in staat stelde om te bepalen wanneer er wel en wanneer er niet samengewerkt kon worden met niet-joden.
Om verwarring te voorkomen is het volgens hem van groot belang te constateren, dat de noachidische geboden geen specifieke joodse opvatting weergeven over het christendom maar over niet-joden in het algemeen. Het formuleren van deze geboden vormde een instrument in handen van het joodse volk om in wisselende tijden en omstandigheden te leven en te overle­ven in een niet-joodse omgeving. In de noachidische geboden worden de grenzen aangegeven, waarbinnen nog te spreken valt van een samenleving die gegrond is op centrale ethische waarden. Wanneer deze normen worden losgelaten, is het voor joden vrijwel onmogelijk in zo'n samenleving te (over)leven. In de loop der eeuwen hebben joden dit meer dan eens op verschrikkelijke wijze aan den lijve ervaren.

Enkele joodse stemmen

Meer dan eens hebben in het verleden joodse geleerden gerefereerd aan de noachidische geboden met het oog op de verhouding van het joodse volk tot de kerk en tot christenen als individuen. Bekend zijn de uitspraken van de beroemde rabbijn Jakob Emden (1697-1776). Hij wilde duidelijk maken, dat joden en christenen een gezamenlijke basis hadden in de strijd tegen de verderfelijke ketterij van de losbandige Frankisten. In zijn grote halachische werk Lechem Sjamaiem had hij reeds geschreven:
"Hun gemeenschappen [d.w.z. islam en christendom] zijn er ook voor de zaak van de Hemel, om godsvrucht te verspreiden onder de volken, om van God te spreken op afgelegen plaatsen; zij hebben vrijwel alle noachidische geboden aanvaard, en verder goede handelwijzen aangenomen; God schenkt profetie aan hen die zich voldoende hebben geheiligd."
Later schreef hij een brief aan de joodse leiders in Polen, waarvan het slot een bewogen oproep inhoudt aan de christelijke gemeenschap:
"En u, leden van het christelijk geloof, hoe goed en hoe aangenaam zou het zijn wanneer u zich hield aan wat uw eerste leraren hebben geboden; hoe groot is uw deel als u de joden ondersteunt in hun bewaren van de Tora. U zult waarlijk beloning ontvangen alsof u alles zelf hebt vervuld - want degene die anderen helpt te onderhouden is groter dan degene die zelf onderhoudt maar anderen niet helpt - ook wanneer u alleen de zeven noachidische geboden bewaart."[9]

Pas in een veel latere periode werden de noachidische geboden beschouwd en soms gepropa­geerd als een 'missionaire' uitnodiging aan niet-joden om de 'universele' weg van deze geboden te aanvaarden. De Italiaanse rabbijn en kabbalist Elia Benamozegh (1822-1900) kan als voor­beeld genoemd worden, een geleerde die trachtte in tal van geschriften de joodse visie van de noachidische geboden toe te passen voor zijn eigen tijd. Uit de bronnen van de kabbala putte hij de universalistische ideeën, die de inspiratie vormden voor zijn bekendste in het Frans geschreven boek Israël et l'Humanité. Hij tekende de mozaïsche Tora als de particularistische weg voor Israël en de noachidische geboden als de universele weg voor de hele mensheid. Zijn  bekendste student en volgeling, Aimé Pallière, gaf dit onvoltooide werk uit na zijn dood. Deze uit het katholicisme afkomstige Fransman was op zoek geweest naar de waarheid en had op die zoektocht Benamozegh ontmoet. Deze overtuigde hem er van, dat hij geen proseliet behoefde te worden maar als Noachied kon leven naar de geboden van Noach. Tot zijn dood in 1949 zette Pallière zich met al zijn energie in voor de verspreiding van het gedachtengoed van Benamozegh en voor het bekenheid geven aan de beweging van de Noachieden. Aan het einde van zijn boek formuleerde Benamozegh in vlammende bewoordingen zijn boodschap:
"Zo vinden we achter het christendom en de islam, met hun grootsheid en misère, achter Jezus en Mohammed, het jodendom met zijn heilige Wet, zijn blauwdruk voor de mensheid, zijn hoop voor vernieuwing en universele broederschap. Hoe verschillend zou de wereld er hebben uitgezien, als het christendom, in plaats van zich bijna uitsluitend te hebben gehecht aan de problematische persoonlijk­heid van Jezus en op die wijze een nieuwe mythologie vormgevend op de ruïnes van de oude, de waarheden van het Hebraïsme had omarmd en toegepast (die de Nazarener, een goede jood die er niet van droomde een rivaliserende religie te stichten, ongetwijfeld had willen verspreiden) , - als in plaats van de natuurlijke banden te verbreken die het behoorden te verbinden met Israël, het christendom had samengewerkt met het jodendom, om een grote menselijke familie te creëren, wier verschillende volken alle gelijk bemind worden door de Vader in de hemel. Hoeveel bloed zou er dan gespaard zijn!"[10]

Grondstructuur van de kerk

In een volgend artikel wil ik ingaan op enkele pogingen van christelijke zijde tot bezinning op de betekenis van de noachidische geboden voor christenen. Op vragen als deze: Zijn christenen eigenlijk Noachieden zonder het te weten of zouden ze wellicht moeten worden opgeroepen Noachieden te worden? Dit artikel wil ik beëindigen met een korte reflectie op de hierboven genoemde opvatting van de twee-eenheid in de 'grondstructuur' van de christelijke gemeente.  Om van christelijke zijde serieus te kunnen ingaan op bewogen joodse oproepen als die van Jakob van Emden en Elia Benamozegh is het mijns inziens helemaal niet nodig om te verdedi­gen, dat de kerk altijd zou moeten bestaan uit joden en niet-joden.[11]
Het is theologisch niet noodzakelijk om de beginsituatie van de kerk in de eerste eeuw te verabsoluteren en te zien als de 'grondstructuur' voor het wezen van de kerk van alle tijden. Er behoeft vandaag geen 'kerk uit de joden' te zijn om vast te kunnen houden aan de joodse oorsprong van de kerk en aan de opdracht van de kerk om zich in te zetten voor verzoening tussen Israël en de volken. Ook als de stem van joden in de kerk meer en meer gaat ontbreken, dan nog moet de stem van die éne jood, die de kerk als de Levende zegt te belijden, voldoende zijn om haar te inspireren zich in te zetten voor de bijbelse droom van verzoening tussen Israël en de volken. Door die éne jood Jezus is en blijft de kerk immers onopgeefbaar verbonden met het volk Israël. Ook al zou er geen jood meer in de kerk zijn, dan nog zouden christenen moeten blijven belijden dat de verbondenheid tussen de gemeente van Christus en het volk Israël onopgeefbaar is. Marquardt bracht dit kort en bondig aldus onder woorden: "Ook als Israël het recht op distantie benadrukt, past ons de plicht van de betrokkenheid."[12] 

 

[1] R. Süss, 'De wereld is maakbaar', in: Interpretatie 6/8 (1998), 9-13.

[2] Zie F.-W. Marquardt, Von Elend und Heimsuchung der Theologie. Prologomena zur Dogmatik, München 1988, 166-262; idem, Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 3, Gütersloh 1993, 200-321.

[3] R. Boon, 'Messiaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief', in: Ter Herkenning 14/1 (1986), 16-30. Ook: R. Boon, 'Twee voorwaarden voor denken en spreken over de kerk', in: Kosmos+Oekumene 10 (1989), 243-248.

[4] W. Zuidema, J. op't Root, En God sprak tot Noach en zijn zonen. Een joodse code voor niet-joden?, Baarn 1991.

[5] Zo H. Vreekamp, Eerbied. De vreze des Heeren als bron van leven, Kampen 1984, 113-119.

[6] Dit zal vooral gebeuren in een vervolgartikel in Interpretatie

[7]bSanhedrin 56ab

[8] D. Novak, The Image of the Non-Jew in Judaism. An Historical and Constructive Study of the Noahide Laws, New York/Toronto 1983.

[9]De hier geciteerde passages zijn gepubliceerd in: H. Falk,'Rabbi Jakob Emden's Views on Christianity', in: idem, Jesus the Pharisee. A New Look at the Jewishness of  Jesus, New York/Mahwah 1985, 13-23.  

[10] In Engelse vertaling: E. Benamozegh, Israel and Humanity, transl. and ed. by M. Luria, New York 1994, 329-330.

[11] Deze verdediging behalve bij Boon ook bij J. Bonda, Het ene doel van God. Een antwoord op de leer van de eeuwige straf, Baarn 1993, 224-231. Ook in aansluiting aan Bonda: A.G. Honig, Hoe ver reikt het heil van Christus?Een theologische bezinning op missie vanuit persoonlijke ervaring, Kampen 1998, 107-117.

[12] In: Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 2, Gütersloh 1994, 164.