De noachidische geboden – een uitdaging voor christenen
Simon Schoon
In een vorig artikel is aandacht gevraagd voor het ontstaan en de verbreiding van de opvatting van de noachidische geboden binnen het jodendom.[1] Tevens werden een paar voorbeelden genoemd uit het verleden, waarin de noachidische geboden van joodse zijde werden geïnterpreteerd als een uitnodiging aan niet-joden in het algemeen en een enkele keer aan christenen in het bijzonder. Als vervolg hiervan zal nu ingegaan worden op de verschillende wijzen waarop in de tegenwoordige tijd zowel joden als christenen de noachidische geboden interpreteren en hanteren. Om met een persoonlijke ervaring te beginnen: Een paar jaar geleden werd ik in een boekwinkel van de Lubavitcher beweging in de Chabad-straat in Jeruzalem op nogal 'missionaire' wijze benaderd. Ik werd uitgenodigd als niet-jood om Noachied te worden en diverse boeken en cassettebandjes werden mij aangeprezen. Uiteindelijk kreeg ik een bandje met een noachidische preek cadeau en een sticker met de slogan 'Keep the seven, go to heaven'. De aanpak van die slogan leek methodisch regelrecht overgenomen van de amerikaanse evangelicals, terwijl de inhoud van de kreet duidelijk inspeelde op de christelijke behoefte om 'in de hemel te komen'. Met name de vele aanhangers van de Lubavitcher beweging - maar niet alleen zij - spannen zich er voor in om niet-joden op te roepen de noachidische geboden na te volgen. In 1986 is er hierover zelfs een briefwisseling gevoerd tussen de toenmalige Lubavitcher rebbe Menachem Mendel Schneerson en president Ronald Reagan. Als resultaat is er in de Verenigde Staten inmiddels een beweging van enkele duizenden Noachieden gevormd, die regelmatig bijeenkomen en zich in speciaal voor hen door joden geschreven boeken verdiepen.[2]
Te weinig ruimte
Naar orthodox-joodse opvatting levert de theorie van de noachidische geboden de enig juiste joodse visie op niet-joden. Er zijn echter ook neo-orthodoxe joodse denkers, die de aan andersgelovigen geboden ruimte van de noachidische geboden vanuit het jodendom te weinig achten en daarom een ander benadering voorstaan. Zo maakt bijvoorbeeld de Jeruzalemse filosoof David Hartman[3] onderscheid tussen twee verbonden, het verbond van de schepping (inclusief dat van Noach) enerzijds, dat bestemd is voor alle mensen, en het verbond van de Sinaï anderzijds, dat uitsluitend bestemd is voor het volk Israël. Op grond van die verbonden ziet hij een pluraliteit aan openbaringen van Godswege, waarin de Eeuwige specifieke verbintenissen aangaat met verschillende volken. Elk volk mag op die manier de eigen particulariteit vieren binnen de ruimte van de schepping, terwijl Israël gebonden blijft aan de Tora van de Sinaï. De Oxfordse geleerde Norman Solomon[4] pleit er voor om niet langer te discussiëren over de theologische status van andere volken en religies maar alle energie te investeren in de pogingen harmonieus samen te leven in één wereld. Nog één stem uit de hoek van de neo-orthodoxie: rabbijn Irving Greenberg[5] wil in zijn visie op christenen niet uitgaan van de noachidische geboden maar hen graag zien als medewerkers op weg naar het 'herstel' of de 'verlossing' van de wereld.
Handelingen 15
Er zijn zowel joodse als christelijke onderzoekers, die van mening zijn dat er een bijzondere reden is om christenen aan de zeven noachidische geboden te herinneren. Zij gaan daarbij uit van de overtuiging, dat de drie (of meer) verboden, die de niet-joden door het zogenaamde 'apostelconvent' (Handelingen 15) werden opgelegd, een vroege versie vormden van de later uitgewerkte leer van de noachidische geboden.[6] In zijn eerder genoemde artikel[7] spreekt Süss over 'het aposteldecreet van het eerste en enige canonieke binnen-bijbelse concilie'. Of het verhaal van Handelingen 15 belast kan worden met historisch zo zwaar beladen termen als 'aposteldecreet', 'canoniek' en 'concilie' staat nog te bezien. Soms wordt uit deze tekst meer geconcludeerd dan deze kan dragen. Het contextueel bepaalde en historisch beperkte compromis uit Handelingen 15 wordt dan via de aanduiding 'canoniek concilie' verheven tot een gebod voor alle tijden.
Wat staat er eigenlijk en wat is er mogelijk gebeurd? Die reconstructie is bepaald niet eenvoudig, vooral niet wanneer de weergave van Paulus van zijn bezoeken aan Jeruzalem en van het conflict in Antiochië (Galaten 1:18 - 2:14) er bij wordt betrokken. Het was in Antiochië, dat tot geloof gekomen heidenen zich voor het eerst duidelijk als groep hadden onderscheiden van de joden die in Jezus als messias geloofden. Daar werden Jezus‑gelovigen voor het eerst 'christenen', letterlijk'Christianen', genoemd (Hand. 11:20‑26). Er ontstonden hevige spanningen tussen groepen Jezus-gelovigen uit de joden en uit de heidenen. Welke geboden van de Tora waren verplichtend voor de 'Christianen' uit de heidenen? Moesten zij besneden worden, als ze tot geloof in Jezus als messias kwamen? Welke geboden van de Tora waren ook voor gelovigen uit de volken onopgeefbaar en welke golden uitsluitend voor joden? Deze discussies bedreigden de eenheid van de gemeente en leidden tenslotte tot een overlegsituatie in Jeruzalem. Daar werd een soort compromis gevonden. Er werd besloten te schrijven aan "hen die zich uit de heidenen tot God bekeren", "dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed" (Hand. 15: 20).
Oosters en westers
De handschriften van de teksten van Hand. 15:20 en 29 zijn wat betreft de exacte weergave van de lijst van de aan de heiden‑christenen opgelegde geboden verdeeld in een 'oosterse' meerderheids‑versie en een 'westerse' minderheids‑versie. In de oosterse versie worden door afgodenoffers bezoedeld voedsel, hoererij, het eten van bloed en van niet‑kosjer geslacht vlees ('het verstikte') als verboden genoemd. Naast de meer rituele oosterse versie staat de meer morele westerse versie, waarin door afgoden bezoedeld vlees of afgodenoffers, hoererij, en 'bloed' - meestal opgevat als doodslag -, worden verboden. Beide versies, die niet volstrekt tegenover elkaar staan en die beide waarschijnlijk in de eerste eeuw reeds in omloop waren, laten zien dat de vroeg‑christelijke gemeente waarde hechtte aan bepaalde voedselvoorschriften. Bovendien trachtte zij zorgvuldig om te gaan met de verhouding tussen messias-gelovigen uit de joden en heiden-christenen. In de daaropvolgende eeuwen zijn er onder christelijke theologen diepgaande discussies gevoerd over de reikwijdte van het besluit van Handelingen 15.[8] In de Ethiopisch-Orthodoxe kerk gelden wat betreft het al of niet geoorloofd zijn van voedsel tot op vandaag strenge aan het jodendom verwante voorschriften, die te herleiden zijn tot de oosterse versie van de ge/verboden van Handelingen 15.
Compromis
Historisch-exegetisch blijft er onduidelijkheid over het gezag van het in Handelingen 15 geformuleerde compromis. Het besluit zal in de eerste eeuw praktisch moeilijk uitvoerbaar geweest zijn. Ook de in Galaten 2: 7-10 vermelde strikte boedelscheiding tussen de missie van Paulus aan de heidenen en die van Petrus aan de joden lijkt nogal kunstmatig. In de praktijk was die scheiding niet zo eenvoudig te handhaven. In de door missionering ontstane 'gemengde' gemeenten van joden en niet-joden moest dit dan ook tot conflicten leiden, zoals dat bijvoorbeeld in Antiochië het geval is geweest. De vurige verdediging door Paulus van de vrijheid van de heiden‑christenen heeft uiteindelijk de vrijheid van Jezus-gelovigen uit de joden om hun eigen joodse levenswijze te blijven volgen ernstig aangetast.
Dit heeft Paulus niet voorzien en niet beoogd. Hij zelf trachtte zich terwille van de eenheid van zijn gemeenten zoveel mogelijk aan te passen en sloot compromissen door 'voor de joden als een jood' te worden en voor 'hun die zonder wet zijn' als iemand zonder wet te worden (vgl. 1 Kor. 9: 19‑23). Zijn diepste overtuiging was, dat binnen de gemeente niet meer het jood of niet-jood zijn beslissend was maar het één zijn in Jezus Christus (vgl. Gal. 3:28). Deze overtuiging werkte na zijn dood en vooral na de Joodse Opstand als dynamiet in de verhouding tussen joden en christenen en droeg bij tot het voortgaande proces van het uiteengaan van de wegen. Waarschijnlijk vormen de drie of vier apostolische voorschriften van Handelingen 15 inderdaad één van de eerste vermeldingen van de latere tot zeven uitgegroeide noachidische geboden. Het is echter de vraag of dit betekent dat christenen zich vandaag in een totaal andere context aan de drie of vier apostolische voorschriften zouden moeten conformeren of zich zelfs aan de latere zeven noachidische ge/ver/boden gebonden zouden moeten achten. In elk geval betekent de historische verbinding tussen Handelingen 15 en de latere noachidische geboden een uitnodiging aan het adres van christenen om zich te bezinnen op hun verhouding tot de aan Israël geschonken Tora. Wanneer dit zou leiden tot het verbod op het eten van bloedworst of zelfs tot het weigeren van bloedtransfusie, zoals dat bij de Jehova Getuigen het geval is, is de grens naar het fundamentalisme overschreden. Overigens - liberale christenen, die zich aangetrokken voelen tot de noachidische geboden, zijn meestal niet zo gecharmeerd over het daarin vervatte verbod op de praxis van homosexualiteit.[9]
Reacties van christelijke zijde
Er zijn christelijke auteurs die menen de joodse uitnodiging, vervat in de noachidische geboden, beleefd te moeten afwijzen, omdat deze te weinig ruimte zou bieden aan de christelijke identiteit. Zij zullen René Süss dus niet bij de kosjere slager tegenkomen. Zo schreef de Amerikaans-protestantse theoloog Paul van Buren, dat de noachidische geboden geen persoonlijke verhouding tussen God en de volken veronderstellen en dat een persoonlijk geloof in God voor Noachieden niet nodig geacht wordt binnen het jodendom. Christenen kunnen zijns inziens met niet minder genoegen nemen dan een plaats in het Abrahamitisch verbond en dienen daarvoor in het joods-christelijk gesprek in alle bescheidenheid begrip en ruimte te vragen.[10]
Er zijn echter ook christenen en ex-christenen, die van mening zijn dat zij het aanbod van joodse zijde in de noachidische geboden met vreugde en dankbaarheid moeten aanvaarden. Soms worden deze geboden als een alternatief of 'derde weg' gezien voor hen, die bijvoorbeeld in de leerhuis-beweging in Nederland de band met het institutionele christendom verloren hebben en die op deze wijze weer een 'ethisch onderdak' zouden kunnen vinden.[11] Er zou een apart statuut moeten komen voor mensen, die zich niet meer thuisvoelen in de kerk maar wel in het jodendom oriëntatiepunten vinden voor hun leven. In de praktijk lijken deze 'Noachieden' echter in een soort niemandsland terecht te komen tussen kerk en synagoge.
Vreugde om de Tora voor christenen?
Anderen zoeken binnen de christelijke traditie naar mogelijkheden om in te gaan op het joodse aanbod van de noachidische geboden. Deze zoektocht lijkt mij het meest 'kosjer' ten aanzien van zowel de joodse als de christelijke traditie. Deze benadering zou kunnen leiden tot een omkeer van de traditioneel anti-judaïstische houding van het christendom, waardoor christenen hun eigen toegang zouden kunnen vinden naar de vreugde om de Tora. Christenen willen toch graag Jezus navolgen, die zijn hele leven trouw is gebleven aan de Tora van zijn volk?[12]
Vooral Marquardt is bekend om zijn theologisch denkwerk in deze richting. Hij wil voor het ontdekken van vindplaatsen van hoop aanknopen bij de noachidische geboden, waarin zijns inziens het jodendom zelf de hand reikt aan de volken om te delen in de verwachting van Israël.[13] Zo vindt hij bijvoorbeeld in aansluiting aan het noachidische gebod van een rechtvaardige rechtspleging een nieuw hoopvol perspectief voor de paulinische rechtvaardigingsleer. Die leer wil christenen niet ontslaan van het houden van de geboden, zoals een christelijk anti-judaïsme en anti-legalisme steeds beweerd hebben. Paulus zou nooit de rechtvaardigende kracht van de Tora hebben afgewezen, maar de weg hebben willen openen voor allen om in Jezus Christus deel te hebben aan de kracht en vrijheid van de Tora. Op deze wijze vat Marquardt in zijn denken over eschatologie de joodse noachidische geboden op als een aansporing tot hoop voor christenen en als een stimulans tot omkeer voor de christelijke theologie.
[1] Interpretatie 8/4 (1996).
[2] Zie bijvoorbeeld: Y. Schwartz, A Light Unto The Nations, Jerusalem 1988.
[3] D. Hartman, Conflicting Values. Spiritual Possibilities of Modern Israel, New York 1990, 254-270.
[4] N. Solomon, Judaism and World Religion, London 1991, 240-244.
[5] I. Greenberg, 'Judaism and Christianity: Their Respective Roles in the Strategy of Redemption', in: E.J. Fisher (ed.), Visions of the Other. Jewish and Christian Theologians Assess the Dialogue, New York 1994, 7-27.
[6] Zie met name D. Flusser, S. Safrai, 'Das Aposteldekret und die Noachitische Gebote', in: E. Brocke, H.-J. Barkenings (Hg.), "Wer Tora vermehrt, mehrt Leben". FS Heinz Kremers, Neukirchen-Vluyn 1986,173-192.
[7] 'De wereld is maakbaar', in: Interpretatie 6/8 (1998), 9-13.
[8] Zie uitvoerig P.J. Tomson, Paul and the Jewish Law. Halakha in the Letters of the Apostle to the Gentiles, Assen/Mineapolis 1990, 177-186.
[9] Vgl. W. Zuidema, J. op't Root, En God sprak tot Noach en zijn zonen. Een joodse code voor niet-joden?, Baarn 1991, 112-125; F. Marquardt, Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 1, Gütersloh 1993, 295-305; R.R. Reeling Brouwer, 'Niet het laatste woord', in: Ophef 4/96, 15-20.
[10] Zo Zuidema, Op't Root, 9-23, 169-184.
[11] Vgl. vooral K. Müller, Tora für die Völker, Berlin 1994.
[12] Zo F.-W. Marquardt, a.w., 220-335.
