'ONOPGEEFBARE VERBONDENHEID' - EEN VOORBIJGAAND VERSCHIJNSEL?
Simon Schoon
I. 'Onopgeefbaar verbonden' - een theologische belijdenis
Twee historische gebeurtenissen, de Sjoa en de stichting van de staat Israël, zijn de aanleiding geweest voor een - historisch gezien - ongekende ontmoeting tussen joden en christenen in de afgelopen 25 jaar.[1] Deze twee gebeurtenissen zullen spoedig niet meer deel uitmaken van de levende herinnering van de meesten onder ons en zullen verdwijnen in de geschiedenisboeken als feiten van de vorige eeuw. Het is de vraag of daarmee ook de na de Tweede Wereldoorlog opgebloeide ontmoeting tussen joden en christenen aan belangstelling zal inboeten? En of de doorwerking van deze ontmoeting in kerk en theologie zal stagneren? Het vervangen van de vervangingsleer (die inhoudt dat de kerk in de plaats gekomen zou zijn van Israël) zou mijns inziens moeten leiden tot een paradigma-wisseling in de theologie. Maar of het daarvan zal komen? Aan het einde van mijn laatste boek 'Onopgeefbaar verbonden' kom ik tot de volgende voorzichtige conclusie: "Het is onzeker of de omkeer in het theologisch denken door de schok van Auschwitz zich zal voortzetten in de 21e eeuw, wanneer de herinnering aan de verschrikking van de Sjoa langzamerhand zal vervagen. Een paradigma-wisseling roept altijd veel verzet en weerstand op. Het is niet ondenkbaar, dat kerk en theologie zullen terugdeinzen voor de zware taak om de gehele christelijke traditie opnieuw te doordenken vanuit de ontmoeting met het levende volk Israël. Zolang in kerk en theologie de eigenheid van het jodendom als een levende traditie niet volledig wordt gerespecteerd en zolang de theologische betekenis van het concrete volk Israël niet is erkend, kan er geen sprake zijn van een paradigma-wisseling."[2]
Laten we eerst proberen enigszins te schetsen in welke context de joods-christelijke ontmoeting staat rond de millennium-wending.
a. De golf van interesse van de zeventiger jaren is weggeëbd; de aandacht heeft zich inmiddels verplaatst naar spiritualiteit en New Age. Dit is duidelijk te bespeuren in de leeftijdsopbouw van de deelnemers in leerhuizen en in de afnemende belangstelling voor publicaties op dit terrein. Dit heeft uiteraard ook - maar niet uitsluitend - te maken met de voortschrijdende ontkerkelijking. Terzijde: Het is bitter te moeten constateren, dat de bekering van christenen tot een opener houding ten aanzien van joden en jodendom pas op een tijdstip is gekomen, waarop de invloed van de kerk op de maatschappij (en dus ook op het hardnekkige verschijnsel van het antisemitisme) te verwaarlozen is.[3]
b. Context van de hedendaagse ontmoeting is ook, dat de herinnering aan de Sjoa op de achtergrond is geraakt. Felle diskussies over de onvergelijkbaarheid en uniciteit van de Sjoa met andere verschrikkingen en genociden kunnen niet voorkomen, dat recente misdaden tegen de mensheid zoals in Rwanda en Kosovo veel sterker de aandacht van jongeren bepalen. De conclusie is onontkoombaar, dat de oproep 'Auschwitz nooit weer' niet ter harte genomen is door de mensheid.
c. Verder: de euforie over de staat Israël na de gebeurtenissen van 1948 en 1967 heeft bij zeer velen - ook in de kerken - plaats gemaakt voor teleurstelling. De verwachtingen waren te hoog gespannen. Alleen in evangelische en fundamentalistische kring wordt de euforie nog kunstmatig op eschatologisch peil gehouden en gemanifesteerd in het zenden van zangkoren en tulpenbollen naar Israël.
d. Tenslotte moet in dit verband ook nog de groeiende interesse worden genoemd voor de interreligieuze dialoog in de steeds meer pluriforme en interculturele maatschappij in Nederland, waarbij het jodendom slechts marginale aandacht krijgt.
Elke ontmoeting - dus ook die van joden en christenen na de Tweede Wereldoorlog - is historisch en contextueel bepaald.[4] In een specifieke context is de ontdekking gedaan, dat de christelijke kerk in een bijzondere oorsprongsverhouding staat ten opzichte van het joodse volk. In Nederland is die ontdekking op formule gezet met de term 'onopgeefbare verbondenheid'. Er zijn inmiddels vele kerkelijke verklaringen opgesteld en belijdenissen onder woorden gebracht, met name in West-Europa en de Verenigde Staten, die alle uitvloeisel zijn van deze ontdekking en van de nieuwe kennismaking tussen joden en christenen.[5] In Nederland heeft de uitdrukking 'onopgeefbare verbondenheid' een plaats gekregen in nieuw geconcipieerde artikelen in kerkorden en heeft zo ongeveer de kracht van een theologische belijdenis gekregen. Is dit alles te typeren als een voorbijgaand verschijnsel, ingegeven door schuldgevoelens en emoties na de Tweede Wereldoorlog? Betekent een nieuwe verandering van context automatisch ook het vervagen van de inhoud van deze belijdenis? Is dit alles slechts te beschouwen als de neerslag van een tijdsbepaalde emotie?
Genitief-theologieën lopen het gevaar van blinken en verzinken. Dus ook een 'Kerk-en-Israël-theologie'. Maar ze kunnen ook blijvende veranderingen teweegbrengen in het geheel van de theologie en de traditie van de kerk. Evenals bijvoorbeeld de inbreng van de feministische theologie en van de bevrijdingstheologie zullen ook de verworvenheden van de ontmoeting tussen joden en christenen geïntegreerd moeten worden in het geheel van kerk en theologie. Het gegroeide inzicht in de unieke oorsprongsverhouding tussen de kerk en het volk Israël blijft ook gelden buiten de aanvankelijke historische context van deze ontdekking. Dit inzicht valt of staat niet met minder belangstelling van jongeren. Het valt of staat ook niet met de geringe interesse aan joodse zijde voor de joods-christelijke verhouding. Om met Marquardt te spreken: "Mag Israel das Recht der Distanz behaupten, uns gehört die Pflicht der Beziehung"[6] (vrije vertaling: Ook als Israel zijn recht op distantie benadrukt, zijn wij verplicht tot betrokkenheid). De belangrijkste uitdaging voor kerk en theologie ligt in het doordenken en in praktijk brengen van de 'onopgeefbare verbondenheid', waarvan de theologische consequenties veel verder reiken dan de 'vaders en moeders' van deze belijdende uitspraak hebben vermoed.
II. Situatietekening van de dialoog aan het einde van de 20e eeuw
Waar bevindt de joods-christelijke ontmoeting zich ruim 50 jaar na de Tweede Wereldoorlog? Aanvankelijk kwam na 1945 de dialoog slechts aarzelend op gang. Enkele voortrekkers baanden eenzaam een nieuwe weg. Mensen als James Parkes, Jules Isaac, Heinz Kremers, Jacob Soetendorp en Kleis Kroon. In de zestiger jaren kwam de grote doorbraak en stroomversnelling. In de zeventiger en tachtiger jaren was het zoeken naar de joodse wortels van het christendom een zeer populaire bezigheid in de kerken. Maar was dat werkelijk interesse in het jodendom en in die vreemde ander? Poogden christenen niet vaak een joodse gesprekspartner te vinden, die in de crisissituatie van het christelijk geloof verwacht werd datgene te bevestigen wat men toch al vermoedde? Waar zijn we inmiddels aan het einde van de 20e eeuw aangeland? Het is moeilijk algemene lijnen te trekken. De situaties in diverse landen zijn namelijk zeer verschillend. De contexten van de dialoog, bijvoorbeeld in Nederland, Oost-Europa, de Verenigde Staten, Israël en Latijns-Amerika, zijn zo verschillend dat er nauwelijks vergelijking mogelijk is.[7] Een momentopname aan het einde van de 20e eeuw van een voortgaande ontwikkeling heeft daarom iets willekeurigs. Toch wil ik een poging wagen en met name voor de Nederlandse situatie vier typeringen noemen, die laten zien dat de joods-christelijke ontmoeting zich nog in een voortgaande beweging bevindt:
1. Van zending naar dialoog.
2. Van schuldgevoelens naar belangstelling.
3. Van hobby naar integratie.
4. Van een eenzijdig christelijk-theologisch belang naar een gemeenschappelijke agenda.
N.a.v. 1. In Nederland is in de grotere kerken (katholiek, hervormd, gereformeerd) de ontwikkeling van zending naar dialoog min of meer afgerond. In officiële stellingnamen is gekozen voor de dialogische ontmoeting. Alle voortrekkers kwamen oorspronkelijk uit de hoek van de jodenzending en hebben een lange weg moeten afleggen.[8] De kerken zijn hen daarin - aanvankelijk zeer aarzelend - gevolgd. Het Overlegorgaan van Joden en Christenen (Ojec) heeft daarbij met name als katalysator gewerkt. Winstpunt van het Ojec was vooral, dat er door deze organisatie niet meer over joden zonder joden gesproken kon worden.
Maar in onze tijd kalven genoemde kerken zienderogen af. Jongeren zoeken hun heil elders. Vele streng reformatorische groepen, evangelische stromingen en immigrantenkerken groeien en kennen aan de bekering van joden een hoge prioriteit toe. De bekering van een jood tot het christelijk geloof is voor deze groeperingen een steviger bewijs voor het eigen gelijk dan de bekering van een 'heiden'. Kortom: de beweging van zending naar dialoog is nog lang niet voltooid. En zeker niet als we verder dan Nederland kijken.
N.a.v. 2. Aanvankelijk hebben - al of niet bewust - schuldgevoelens over de toeschouwersrol van de meeste christenen tijdens de Sjoa velen gemotiveerd om het jodendom te herontdekken en naar joden te luisteren. Deze motivatie behoort echter grotendeels tot het verleden. Schuldgevoelens kunnen geen blijvend fundament vormen voor een werkelijk nieuwe verhouding van gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Schuld is inmiddels door kerken uitgesproken en beleden, meestal heel laat, maar: beter laat dan nooit. Sommige christenen maken van de schuld een soort cultus. Daarbij worden joden geïdealiseerd, de staat Israël geromantiseerd en het jodendom wordt geacht het antwoord te behelsen op alle vragen van de christelijke identiteitscrisis. Er is echter ook een beweging te constateren naar oprechte belangstelling voor het jodendom in zijn vreemdheid en veelkleurigheid. Het bredere interreligieuze gesprek mag niet de joods-christelijke dialoog vervangen. Er is voor christenen een blijvende eigenheid van het bilaterale joods-christelijke gesprek naast de bredere interreligieuze dialoog.
N.a.v. 3. Jarenlang was betrokkenheid bij Kerk-en-Israël een enigszins exotische hobby van gedreven enkelingen in de kerken, een hobby die meestal werd geduld maar ook met de nodige wrevel werd gadeslagen. In onze tijd is er een beweging aan de gang naar integratie in kerk en theologie van datgene wat ontdekt is in de joods-christelijke ontmoeting. Integratie in de theologie-opleiding, in lesmateriaal voor school en catechese, in leesroosters en liturgische dienstboeken, enzovoort. Maar deze beweging is verre van voltooid.
N.a.v. 4. Meer dan tien jaar geleden schreef ik een boekje over de gemeenschappelijke agenda van joden en christenen. Het heette 'Leven in één wereld. Een uitdaging voor joden en christenen.'[9] Het ging over onderwerpen als religieus pluralisme, feminisme, bevrijding, vrede, milieu, en andere gemeenschappelijke thema's voor het joods-christelijke gesprek. Vandaag is de agenda van de dialoog langzaam in deze richting aan het veranderen. Er is een beweging aan de gang, die het eenzijdige 'dictaat' van christelijke zijde afwijst om uitsluitend over joodse wortels van het christendom en andere christelijk-theologische thema's te spreken. Meer en meer verandert de joods-christelijke ontmoeting van een louter verbale aangelegenheid in een gezamenlijke betrokkenheid op en inzet voor de toekomst.
III. Invulling van de dialoog en ontmoeting
Een herdefiniëring van de christelijke identiteit is ontegenzeggelijk een gevolg van de dialoog maar kan en mag niet het doel zijn. De agenda van de dialoog tussen joden en christenen moet vastgesteld worden in gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Daarbij kan ik uiteraard niet spreken voor de joodse kant. Ik kan slechts mijn oor te luisteren leggen bij joodse opvattingen over christendom en kerk.[10] De conclusie is onontkoombaar, dat wat betreft de dialoog de asymmetrie tussen joden en christenen in betrokkenheid en motivatie nooit kan worden opgeheven. Joden kennen over het algemeen aan het joods-christelijk gesprek een zeer lage prioriteit toe, niet alleen vanwege de statistische verhoudingen tussen een christelijke meerderheid en een joodse minderheid, niet alleen vanwege historisch bepaalde joodse argwaan, niet alleen vanwege de vaak eenzijdige christelijke interesse, maar vooral vanuit het hart van de joodse identiteit. Gelukkig zijn er uitzonderingen op de regel. Zo vraagt Leon Klenicki, directeur interreligieuze zaken van de Anti-Defamation League, aan zijn mede-joden: "Erkennen joden het christendom als een geloofsgemeenschap, zelfs als een partner, een deelnemer in Gods plan? Kunnen joden Jezus accepteren als een boodschapper van het verbond van God met een speciale zending voor de wereld?" Zelf geeft hij het volgende antwoord: "Het erkennen van het christendom is een eerste stap naar het verstaan van zijn roeping. Dat is niet eenvoudig voor joden vanwege de trauma's van ervaringen in het verleden, maar het is een onmisbare stap op onze existentiële weg. Wij zijn niet alleen in het universum, geen eenzame eilandjes van geloof, maar schiereilanden verbonden met de Eeuwige en met elkaar. En er valt veel van elkaar te leren vanwege onze respectievelijke verbondservaringen met God".[11]
Tenslotte wil ik nog nog een aantal losse opmerkingen kwijt over de attitude van christenen in de dialoog en ontmoeting:
1. Christenen dienen er mee op te houden een jodendom te creëren naar eigen smaak en behoefte. Bijvoorbeeld als een reservoir van aardige talmoedische midrasjiem en chassidische verhaaltjes, die het zo goed doen in leerhuizen en op kansels voor een toch al anti-dogmatisch en anti-institutioneel gehoor. Het vergt inspanning om naar het jodendom te luisteren zoals dat zichzelf in zijn grote verscheidenheid verstaat.[12]
2. Christenen zijn ongeschikt voor de ontmoeting, als ze niet bereid zijn het hardnekkige virus van het anti-judaïsme in kerk en theologie op te sporen en te bestrijden.
3. Christenen zijn ongeschikt voor de ontmoeting, als ze niet bereid zijn om tenminste een begin te maken met het opruimen van christelijk triomfalisme en superioriteitsdenken. Dat houdt veel meer in dan het afzien van elke vorm van jodenzending. Dat betekent ook de aanvaarding van de 'vruchtbaarheid van het verschil' (Marcel Poorthuis)[13] en het leren 'vieren van de waardigheid' van de ander (David Hartman)[14].
4. Nederland is te klein om zich op te werpen als 'gidsland' voor de joods-christelijke dialoog. Bescheidenheid is op zijn plaats. Misschien is er hier en daar in Nederland een 'proeftuintje' van het gelijkwaardige gesprek. Maar een levensvatbare joods-christelijke dialoog zal het best gedijen in een meer internationale, interreligieuze en interculturele context.[14]
5. De joods-christelijke ontmoeting moet geen louter rationele aangelegenheid zijn. Het lijkt soms alsof in dialoog geïnteresseerden voornamelijk zeer rationele en intellectuele mensen zijn. Er is in de dialoog ten onrechte weinig aandacht voor mystiek. Jodendom en christendom hebben elkaar veel te vertellen op het gebied van spiritualiteit en mystiek.[15] Alle eeuwen door zijn er met name op dit gebied raakvlakken geweest.[16] In onze eeuw was de vriendschap van Abraham Joshua Heschel en Martin Luther King exemplarisch voor het harmonisch samengaan van spiritualiteit en solidariteit.
6. Naast alle verbale dialogen zijn plekken van geleefd leven, van concrete praxis meer dan noodzakelijk, zoals Nes Ammim in Israël.
[1]. Zie voor de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken in Nederland: G.J. van Klinken, Opvattingen in de Gereformeerde Kerken in Nederland over het Jodendom, 1896 - 1970, Kampen 1996.
[2]. S. Schoon, Onopgeefbaar verbonden. Op weg naar vernieuwing in de verhouding tussen de kerk en het volk Israël, Kampen 1998, 264.
[3]. Vgl. R. Koning, Christelijke religie en antisemitisme in Nederland 1990. Een sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Kampen 1997.
[4]. Vgl. voor de Gereformeerde Kerken: H.L. van Stegeren-Keizer e.a., Een kerk op zoek naar Israël. Geschiedenis van het deputaatschap voor 'Kerk en Israël' van de Gereformeerde Kerken in Nederland 1875 - 1995, Kampen 1995.
[5]. Zie R. Rendtorff, H.H. Henrix (Hg.), Die Kirchen und das Judentum. Dokumente von 1945-1985, Neukirchen-Vluyn 19882.
[6]. F.-W. Marquardt, Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie, Band 2, Gütersloh 1994, 164.
[7]. Zie S. Schoon, Onopgeefbaar verbonden, 154-158; T. Benima (red.), Bedreiging of verrijking? De ontmoeting van joden en christenen in Europa en Israël, Ojec-serie 10, Kampen 1992.
[8]. Zie bijvoorbeeld voor de geschiedenis van de voortrekkers van Nes Ammim in Israël: B. Schüssler, Nes Ammim. Een internationaal christelijk dorp in Israël, Maastricht 1998.
[9]. Kampen 1987.
[10]. Zie hoofdstuk 9 van mijn boek 'Onopgeefbaar verbonden. Op weg naar vernieuwing in de verhouding tussen de kerk en het volk Israël, Kampen 1998, 168-202, waarin ik een verschillende 'joodse opvattingen over christendom en kerk' heb weergegeven.
[11]. L. Klenicki, 'On Christianity. Towards a Process of Historical and Spiritual Healing - Understanding the Other as a Person of God',in: Sidic (Service International de Documentation Judéo-Chrétienne) Vol. XXIV/2-3 (1991), 25-41 (citaten: 28, 40).
[12]. Zie A. van der Heide, 'Rabbijn op de kansel? Joodse exegese in christelijke context', M. van den Berg e.a. (red.), Uit de sjoel geklapt. Christelijke belangstelling voor joodse traditie, Hilversum 1986, 16-29.
[13] Vgl. zijn commentaar op Franz Rosenzweigs visie op de verhouding jodendom-christendom: M. Poorthuis, 'Rosenzweig over het christendom', in: M. van Loopik, Tweespalt en verbondenheid. Joden en christenen in historisch perspectief: joodse reacties op christelijke theologie, Zoetermeer 1998, 137-148.
[14]. D. Hartman, 'Pluralism and Revelation', in: D. Hartman, Conflicting Visions. Spiritual Possibilities of Modern Israel, New York 1990, 254-266.
[15]. Zie bijv. het verslag van een conferentie in 1998 van de International Council of Christians and Jews over 'Unity without Uniformity: The Challenge of Pluralism, in: From the Martin Buber House Nr. 26, Spring 1999.
[16]. Zie bijv. L. Klenicki, G. Huck, Spirituality and Prayer. Jewish and Christian Understandings, New York/Ramsey 1983.
[17]. Zie bijv. M. Hilton, The Christian Effect on Jewish Life, London 1994.
