Theologische gotspe
Simon Schoon
Het proefschrift van Leo Lagendijk, verschenen onder de titel `De weerglans van de verkiezing', onlangs verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam, heeft veel stof doen opwaaien. Met een beroep op de belangrijke twintigste eeuwse theoloog Karl Barth verdedigt Lagendijk de `theologische' stelling, dat het joodse volk niets te maken heeft met het bijbelse Israël. Een variant van de verfoeide vervangingsleer wordt hier uit de oude doos gehaald. Een ernstige vorm van vervuiling van de dialoog, met andere woorden theologische gotspe.
HeiligeVoor een aantal protestantse theologen is Karl Barth een soort heilige. Hij is voor hen niet alleen een groot denker, een soort moderne kerkvader, wat hij ontegenzeggelijk is, maar hij is een onaantastbare heilige. Er mag geen kwaad woord over hem gezegd worden. Als iemand het toch waagt om op een bepaald punt het gelijk van Barth in twijfel te trekken, dan wordt er zwaar theologisch geschut in stelling gebracht. Dan worden de fiolen van toorn uitgestort over de euvele zondaar. Lagendijk schiet met scherp op hen die Barths gezag in twijfel trekken en schuwt de polemiek niet, die bij hem vaak unfair uitpakt. Zijn product heeft meer weg van een schotschrift dan van een dissertatie. Vooral de Hervormde theoloog René Süss moet het bij hem ontgelden. Die waagde het om in 1991 de Israël‑leer van Karl Barth kritisch onder de loep te nemen in zijn boek `Een genadeloos bestaan, Karl Barth over het Joodse volk'. Süss beschuldigde Barth er van anti‑joodse passages te hebben geschreven in het in 1942(!) geschreven stuk over Israël en de verkiezing in zijn `Kirchliche Dogmatik'. Het boek van Süss oogstte een storm van kritiek, die zijn hoogtepunt bereikte in het dit jaar verschenen proefschrift van Lagendijk. Barth zou volgens Lagendijk helemaal niet het joodse volk op het oog gehad gehad hebben, maar alleen over `Israël' als `begrip' en als `theologische categorie' gesproken hebben. Mijns inziens maakt datgene wat bedoeld is als verdediging van Barth het alleen nog maar erger. Stel je voor: in 1942 over het begrip `Israël' spreken zonder het joodse volk te beogen! Lagendijk modelleert Barth echter naar zijn eigen ideeën. Vele Barth‑kenners, waaronder zijn eigen leerling Marquardt, hebben onomstotelijk duidelijk aangetoond, dat Barth zeker niet bedoelde `Israël' en het `joodse volk' van elkaar los te maken. Toch blijft het uiterst bedenkelijk, dat Barth vele passages schreef over het `schaduwbestaan van de synagoge' en over Israël als `uitbeelding van het gericht van God'. In zijn lijden zou Israël het gericht van God moeten uitbeelden, dat Jezus al gedragen heeft. Er is heel wat kritiek geuit op deze visie van Barth, overigens niet aleen door Süss, maar ook al door de bekendste leerling van Barth, Friedrich‑Wilhelm Marquardt. In 1967 bedankte Barth in een persoonlijke brief Marquardt voor zijn kritiek en bekende altijd te kampen hebben gehad met `een irrationele afkeer' van joden. Lagendijk maakt Barth dus heiliger dan hij zelf wilde zijn. Hij is meer Barthiaans dan Barth!
InterpretatieDe juiste interpretatie van Barths paragraaf uit 1942 onder de titel `De verkiezing van de gemeente', waarover Lagendijks dissertatie gaat, lijkt voornamelijk voer voor vaktheologen. Zij kruisen de degens over die interpretatie. Dat is voor kenners ongetwijfeld een boeiend debat, dat zich in de interne sfeer van de theologie afspeelt. Maar dit academische debat is niet theoretisch; het raakt een levend volk. Dit debat begint ernstige vormen aan te nemen wanneer een aantal theologen, Lagendijk voorop, de woorden van Barth uit 1942 gebruiken of misbruiken om het joodse volk in 1994 zijn identiteit als Israël te ontzeggen. Volgens zou alleen de messias aan Israël zijn identiteit kunnen geven. Dus zolang het joodse volk de christelijke messias afwijst, heeft dit volk naar hun overtuiging geen recht op de titel `Israël'. Jaren van intensieve ontmoeting en dialoog tussen joden en christenen worden hiermee de grond in geboord. Pessimisten die altijd al niets zagen in de dialoog, staan te juichen langs de lijn, omdat ze zich bevestigd menen te zien in hun gelijk. Theologen als Lagendijk hebben het vooral gemunt op `dé' Israël‑theologie. Zij zien die theologie als een ernstige verwording en als een afleidingsmanoeuvre om het werkelijke `Israël' in het oog te krijgen. Dat `echte Israël' wordt volgens hen gevormd door de armen en ontrechten in de wereld, in casu in het Midden‑Oosten de Palestijnen. In zijn felle polemiek tegen `dé' Israël‑theologie heeft Lagendijk iets weg van een Don Quichotte die op windmolens jaagt. `Dé' Israël‑theologie als zodanig bestaat namelijk helemaal niet. Er zijn alleen maar een paar heel verschillend en soms tegengesteld denkende theologen die één gemeenschappelijk punt hebben, namelijk dat ze de joodse identiteit respecteren. Volgens Lagendijk in één van zijn stellingen is de joods‑christelijke dialoog echter alleen maar gebaat bij conflicten en meningsverschillen. Nu stelt hij terecht, dat die verschillen niet weggemoffeld moeten worden. Maar hopelijk bereikt de dialoog een hoger niveau dan wat Lagendijk voorstaat. Hij richt zijn venijnige pijlen met name op René Süss, die als theoloog van joodse komaf geen gemakkelijke positie in de kerk inneemt. Zou die `irrationele afkeer'van joden, waar Barth tenminste openlijk voor uit kwam, Lagendijk ook parten spelen? In ieder geval grenst zijn taalgebruik aan fanatisme en bejegent hij de mensen die een andere mening dan hij zijn toegedaan onbeschoft. Hij heeft het steeds over hun `demagogie' en `schrijverij', terwijl hij citaten van hen uit hun verband rukt. Het is onbegrijpelijk dat de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam een dergelijk proefschrift heeft laten passeren.
Gotspe
Het zou interessant zijn om te zien wat er zou gebeuren bij het verschijnen van een proefschrift van joodse zijde, waarin gesteld zou worden dat de kerk zich niet moest verbeelden de titel `kerk' aan te meten of waarin de kerk opgeroepen zou worden het Oude Testament eindelijk eens terug te geven aan zijn wettige joodse eigenaar. Lagendijk begaat omgekeerd een dergelijke gotspe ten aanzien van het joodse volk. Hij behandelt het begrip `Israël' eigenlijk als een soort vacante term, die een christelijke theoloog naar believen kan invullen zonder zich iets van de historische realiteit van het joodse volk aan te trekken. Zo stelt hij bijvoorbeeld in navolging van Barth, dat Israël slechts van het erbarmen van God kan getuigen als het zich aansluit bij de kerk. Het is al met al jammer dat het proefschrift zoveel aandacht krijgt, maar het kan nu eenmaal niet onweersproken blijven. Lagendijk zweert bij de exegese van Barth van de hoofdsstukken 9 tot en met 11 van Paulus' brief aan de Romeinen. Vakexegeten mengen zich in de diskussie en vinden dat die exegese dogmatisch is en aan alle kanten rammelt. Anderen menen weer Barths bedoelingen in bescherming te moeten nemen tegen de interpretatie van Lagendijk. Die diskussies over de erfenis van Barth zullen nog wel lange tijd doorgaan. Intussen dient de hoofdstelling van Lagendijk, dat het joodse volk zich niet met `Israël' kan en mag vereenzelvigen, als theologische gotspe aan de kaak gesteld te worden. Zijn stelling wordt het krachtigst weerlegd door de tekst van de nieuwe kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk, waarin de kerk haar 'onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël" belijdt.
Leo Lagendijk, De weerglans van de verkiezing, Over Karl Barths Kirchliche Dogmatik II,2 § 34 De verkiezing van de Gemeente, Uitg.Narratio Gorinchem 1994, 216 blz..
