TIEN JAAR OJEC
Simon Schoon
Het Overlegorgaan van Joden en Christenen (Ojec) bestond eind 1991 tien jaar. Ter gelegenheid van dat feit werd op dinsdag 19 november een internationaal symposium gehouden in `De Rode Hoed' in Amsterdam over het thema `Joods-christelijke ontmoeting: Bedreigend of verrijkend?' Tien jaar is een heel korte tijd in de geschiedenis van de betrekkingen tussen joden en christenen. Te kort om de eeuwenoude vervreemding te overwinnen. Lang genoeg om een voorlopige balans op te maken. Wat is er bereikt - in Nederland maar ook elders? Bijna alle sprekers op het symposium waren van ver gekomen: prof.dr. Martin Stöhr uit Duitsland, de voorzitter van de Internationale Raad van Joden en Christenen (ICCJ), rabbijn dr.David Rosen uit Israël, bestuurslid van het ICCJ, prof.Bernard Dupuy uit Frankrijk, voormalig secretaris van de Franse bisschoppelijke commissie voor betrekkingen met het jodendom en rabbijn Tswi Marx uit Israël, directeur van de afdeling ethiek en religieus pluralisme van het Shalom Hartman Instituut in Jeruzalem. Hun bijdragen hebben de deelnemers aan het symposium de wijdere horizon laten zien van de joods-christelijke ontmoeting. De lezingen zijn weergegeven in dit bijzondere nummer van Ter Herkenning. Een voorlopige stand van zaken. Een momentopname.
Overleg
Wat heeft het Ojec in de afgelopen tien jaar tot stand gebracht? Het Ojec houdt ongeveer het midden tussen een platform voor overleg en een actiegroep. Er wordt overlegd, maar ook gestudeerd en soms wordt er actie ondernomen. De krantelezer die het kerknieuws volgt, ziet het Ojec waarschijnlijk voornamelijk als een luidruchtige actiegroep die regelmatig op de barricaden klimt als er iets verkeerds gezegd wordt over het jodendom of de staat Israël. Dit beeld klopt niet met de werkelijkheid. Hoewel het Ojec meermalen de rol van actiegroep opgedrongen kreeg, kweet de organisatie zich altijd met een zekere tegenzin van deze taak. Want het Ojec was opgericht als overlegorgaan en zag zijn voornaamste taak in het fungeren als een platform voor overleg, studie en bezinning. In de tien jaar van zijn bestaan is Ojec veelvuldig in het nieuws geweest, meer vanwege de `actie' dan vanwege het overleg. Daar ligt nu eenmaal de interesse van de redactie van dagbladen en kennelijk ook van de krantelezers. Toch is ook de platform-functie op velerlei wijze waargemaakt en is hierin zelfs de meeste energie gestoken. Wat is er bereikt? Het Ojec is in Nederland niet meer weg te denken in de joods-christelijke ontmoeting. Maar dat is niet genoeg. Is de waarde van deze ontmoeting in de laatste tien jaar breder erkend zowel onder joden als onder christenen? Waarom acht de één deze ontmoeting nog steeds bedreigend en spreekt de ander van een verrijking? Het symposium trachtte enig licht te werpen op deze vragen.
Structuur
Toen het Ojec in 1981 werd opgericht, gebeurde er in Nederland al veel op het gebied van studie en samenwerking tussen joden en christenen. Het leerhuis was reeds een begrip geworden. Pioniers als rabbijn J.Soetendorp, prof.H.van Praag, mr.M.König, ds.K.H.Kroon en dr.F.Boerwinkel hadden velen enthousiast gemaakt voor een nieuwe kennismaking met de joodse traditie. In zekere zin was er in Nederland sprake van een unieke situatie. In brede kring was er in de kerken een beweging op gang gekomen die vaak getypeerd werd als een op zoek zijn naar de `joodse wortels' van het christendom. Er was echter geen enkele overkoepelende instantie die de verschillende activiteiten op het gebied van de samenwerking tussen joden en christenen coördineerde. Het Ojec dat in 1981 werd opgericht, voorzag in deze behoefte. Het overlegorgaan is een stichtingsbestuur waarin verschillende `aangesloten instellingen' officieel zijn vertegenwoordigd, waaronder met name de Kerk-en-Israël-instanties van zeven christelijke kerken en de besturen van alle drie joodse kerkgenootschappen.Het Ojec kreeg voor het eerst contouren tijdens een ontmoeting in een loofhut in Amsterdam-Buitenveldert. Het was in de Sukkot-week, half oktober 1981, dat ik in de loofhut van rabbijn H.Rodrigues Pereira in Amsterdam een gesprek voerde over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een op te richten `overlegorgaan'. Reeds eerder was door dr.W.Zuidema een poging gedaan vanuit de ICCJ een dergelijk orgaan in het leven te roepen. Na mijn verblijf van zeven jaar in Nes Ammim in Israël had dr.Schoneveld, de secretaris van de ICCJ, mij gevraagd deze pogingen voort te zetten. Vanaf het begin moest het volkomen duidelijk zijn dat de bedoelingen van christelijke zijde zuiver waren en er geen enkel missionair motief in het spel was. Hoe het gesprek in de loofhut precies verlopen is, weet ik niet meer. Misschien heeft de sfeer van de loofhut, waarop de regen in bakken neerplenste, positief tot het resultaat bijgedragen, maar in ieder geval klikte het en de structuur van het toekomstige Ojec werd op die plek vastgesteld. Er werden afspraken gemaakt om het plan voor te leggen aan de officiële joodse en christelijke instanties en kerkgenootschappen. Reeds op 2 december 1981 werden de statuten vastgesteld. Rabbijn Rodrigues Pereira heeft negen jaar lang als afgevaardigde van het N.I.K. in het Ojec gefunctioneerd als tweede voorzitter.
Emoties
Zoals gezegd, het Ojec heeft in de afgelopen jaren veelvuldig de nieuwsrubrieken gehaald. De kwesties waren niet van de lucht. Het terrein dat het Ojec betrad, was kennelijk bezaaid met voetangels en klemmen. De emoties laaiden vaak hoog op. Voor de buitenstaander moet de indruk
gewekt zijn dat de ontmoeting van joden en christenen in Nederland een uiterst conflictueuze aangelegenheid was. Die indruk is slechts ten dele terecht. Het grootste deel van het Ojec-werk verloopt rustig en in goede harmonie. Toch spreken de conflicten die er geweest zijn een duidelijke taal. Ze illustreren de diepte van de vervreemding tussen joden en christenen. De oorzaken van de emoties zijn zeer verschillend geweest: Een folder van de evangelisten Goeree, een klooster bij het voormalig concentratiekamp Auschwitz, een uitspraak over de PLO van de Nederlandse Raad van Kerken, en dat is nog maar een greep uit de vele kwesties. Het is een stap vooruit dat diepingrijpende zaken niet meer verdrongen maar uitgesproken worden. Er is in de afgelopen tien jaar veel vooruitgang geboekt. Wederzijds zijn er vooroordelen opgeruimd. Er is een continu platform van overleg ontstaan. Het Ojec heeft alle conflicten overleefd en de vertrouwensbasis is eerder verbreed dan versmald. Na een tijd van opbouw zal nu een tijd van consolidatie moeten volgen. Eén ding is duidelijk: Als er al gevoelens van bedreiging waren in de begintijd binnen het Ojec, dan zijn die in de afgelopen tien jaar verdwenen. Daar kunnen de bestuursleden, de leden van de vele werkgroepen, de deelnemers aan de weekenden en de vele vrienden over mee praten. Zij voelen zich verrijkt.
TIEN JAAR OJEC
Simon Schoon
Het Overlegorgaan van Joden en Christenen (Ojec) houdt ongeveer het midden tussen een platform voor overleg en een actiegroep. De krantelezer die het kerknieuws volgt, ziet het Ojec waarschijnlijk voornamelijk als een luidruchtige actiegroep die regelmatig op de barricaden klimt als er iets verkeerds gezegd wordt over het jodendom of de staat Israël. Dit beeld klopt niet met de werkelijkheid. Hoewel het Ojec in de afgelopen tien jaar meermalen de rol van actiegroep opgedrongen kreeg, kweet de organisatie zich altijd met een zekere tegenzin van deze taak. Want het Ojec was opgericht als overlegorgaan en zag zijn voornaamste taak in het fungeren als een platform voor overleg, studie en bezinning. In de tien jaar van zijn bestaan is Ojec veelvuldig in het nieuws geweest, meer vanwege de `actie' dan vanwege het overleg. De krant heeft nu eenmaal haar eigen criteria voor de nieuwswaarde van gebeurtenissen. Toch is ook de platform-functie op velerlei wijze waargemaakt en is hierin zelfs de meeste energie gestoken. Het is een poging waard om in deze tiende Ojec-bundel het beeld enigszins bij te stellen van een overlegorgaan dat zijns ondanks af en toe een actiegroep werd.
Situatie
Toen het Ojec in 1981 werd opgericht, gebeurde er in Nederland al veel op het gebied van studie en samenwerking tussen joden en christenen. Het leerhuis was reeds een begrip geworden. Pioniers als rabbijn J.Soetendorp, prof.H.van Praag, mr.M.König, rabbijn Y.Aschkenazy, ds.K.H.Kroon en dr.F.Boerwinkel hadden velen enthousiast gemaakt voor een nieuwe kennismaking met de joodse traditie. Aan de theologische faculteiten was de belangstelling groeiende voor de joodse achtergrond van het Nieuwe Testament en voor de judaïstiek. In zekere zin was er in Nederland sprake van een unieke situatie. In brede kring was er in de kerken een beweging op gang gekomen die vaak getypeerd werd met de vage aanduiding van het op zoek zijn naar de `joodse wortels' van het christendom. Er zijn verschillende oorzaken aangewezen voor deze grote interesse in het jodendom en het joodse volk. Het feit dat de Sjoa kon plaatsvinden in het zogeheten christelijke Europa heeft velen wakker geschud uit apathie en onverschilligheid. Het ontstaan van de staat Israël in 1948 en de daarbij gepaard gaande renaissance van het jodendom dwongen respect af. Niet alleen in de kerken volgde men met sympathie de stichting van de joodse staat en steunde men Israël in de vele oorlogen die deze staat voor zijn bestaan moest voeren. De calvinistische achtergrond van Nederland en de grote plaats die het Oude Testament innam in de protestantse kerken zijn soms ook als redenen aangevoerd voor de meer dan normale interesse van vele christenen in Nederland voor het jodendom.
Er was echter geen enkele overkoepelende instantie die de verschillende activiteiten op het gebied van de samenwerking tussen joden en christenen coördineerde. Het Ojec dat in 1981 werd opgericht, voorzag in deze behoefte.
In een aantal landen in Europa en in de Verenigde Staten waren er reeds overkoepelende organisaties van joden en christenen, samenwerkend in de Internationale Raad van Joden en Christenen (ICCJ) met zijn zetel in het Duitse Heppenheim, in het huis waar Martin Buber gewoond had tot 1938. Maar het Ojec was vanaf het begin anders dan alle andere organisaties in deze Raad. Zo is de Nationale Conferentie van Joden en Christenen in de Verenigde Staten een belangenorganisatie die opkomt voor de rechten van joden en andere minderheden. De Europese organisaties zijn onder de indruk van de Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen op initiatief van goedwillende individuele personen, die zich wilden inzetten voor een betere relatie tussen joden en christenen. Het Ojec is veel meer een institutioneel gebeuren. Het overlegorgaan is eigenlijk een stichtingsbestuur waarin verschillende `aangesloten instellingen' officieel zijn vertegenwoordigd. Het bestuur bestaat dus uit afgevaardigden van andere instanties, die een duidelijk mandaat gekregen hebben en daardoor de vrijheid hebben om beslissingen te nemen. Maar die vrijheid is niet onbeperkt, want de bestuursleden vertegenwoordigen de afvaardigende instanties en dienen daarom regelmatig te rapporteren in hun `achterland' en op de hoogte te zijn van de daar levende opinies over het doen en laten van het Ojec.
Deze organisatorische structuur heeft grote consequenties voor het functioneren van het Ojec. Het voordeel van deze structuur is dat het Ojec meer is dan een `hobbyclub', meer dan een groep van gelijkgezinden die elkaar zelf hebben uitgekozen. De afgevaardigden worden benoemd en vertegenwoordigen invloedrijke organisaties. Dat brengt met zich mee dat de media regelmatig om de mening en de reactie van het Ojec vragen. Men verwacht een gezaghebbend geluid van een instantie waarin zoveel organisaties officieel samenwerken. Het nadeel van deze structuur is dat rekening gehouden moet worden met de belangen van zeer uiteenlopende organisaties. Daardoor is de manoeuvreerruimte van het Ojec beperkt, terwijl er door de buitenwacht hoge verwachtingen gesteld worden aan deze vorm van joods-christelijke samenwerking. Deze verwachtingen zijn ook nog zeer verschillend gekleurd. Terwijl de invalshoek van de meeste christenen vooral een theologische belangstelling is voor het jodendom, is de invalshoek van joodse zijde veel meer maatschappelijk en politiek bepaald. Christenen zullen bij voorkeur willen praten over de joodse wortels van het christendom, terwijl de meeste joden weinig geïnteresseerd zijn in het verlenen van hand- en spandiensten bij christelijke identiteitsproblemen. Als zij al interesse hebben voor joods-christelijke samenwerking, dan is die gemotiveerd door maatschappelijke belangen zoals de bestrijding van het antisemitisme en politieke overwegingen zoals de betrokkenheid bij het wel en wee van de staat Israël. Er gaat daarom binnen het Ojec telkens weer veel overleg vooraf aan de beslissing welke punten op de agenda gezet moeten worden en welke activiteiten prioriteit verdienen. Er wordt daarbij zoveel mogelijk gestreefd naar een consensus. In de praktijk van de afgelopen tien jaar betekende dit dat er zoveel zaken waren die om een gemeenschappelijke aanpak vroegen, dat er steeds een overvolle agenda was en dat het Ojec handen te kort kwam om alle activiteiten gaande te houden.
Begin
Na tien jaar Ojec is het de hoogste tijd dat er wat aan legendevorming wordt gedaan rond het ontstaan van het overlegorgaan. Daarom wil ik allerlei technische en wellicht saaie bijzonderheden buiten beschouwing laten en iets vertellen over mijn persoonlijke herinneringen uit de beginperiode. Het zij mij vergeven dat hierbij ook enige autobiografische details genoemd zullen worden. Het Ojec kreeg voor het eerst contouren tijdens een ontmoeting in een loofhut in Amsterdam-Buitenveldert. Het was in de Sukkot-week, half oktober 1981, dat ik in de loofhut van rabbijn H.Rodrigues Pereira in Amsterdam een gesprek voerde over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een op te richten `overlegorgaan'. Die naam `overlegorgaan' was toen al gekozen als een zeer voorzichtige aanduiding van de bedoelingen van de beoogde organisatie. Door mijn zevenjarig verblijf in Israël had ik geleerd dat het niet zo eenvoudig was om vertegenwoordigers van het orthodoxe jodendom voor enigerlei vorm van officiële samenwerking met christenen te winnen. Vanaf het begin moest het volkomen duidelijk zijn dat de bedoelingen van christelijke zijde zuiver waren. Rabbijn Pereira had in Israël een paar orthodoxe joden ontmoet, die actief waren op het gebied van joods-christelijke betrekkingen. Zij vroegen mij hun groeten aan de rabbijn in Amsterdam over te brengen. Zo kwam ik in zijn loofhut terecht. Eén ontmoeting in Israël herinnerde rabbijn Pereira zich levendig. In een taxi was hij de gezette secretaris van het Interreligieuze Comité Israël tegengekomen. Die had twee plaatsen voor zichzelf besteld en was daardoor in een verhitte diskussie verzeild geraakt met zijn medepassagiers. Gedurende deze rit werd rabbijn Pereira er door Joseph Emanuel van overtuigd dat ontmoetingen tussen joden en christenen de moeite waard waren en dat Nederland niet bij het goede voorbeeld van Israël kon achterblijven. Het voorwerk was dus al gedaan.
Hoe het gesprek in de loofhut precies verlopen is, weet ik niet meer. Misschien heeft de sfeer van de loofhut, waarop de regen in bakken neerplenste, positief tot het resultaat bijgedragen, maar in ieder geval klikte het en de structuur van het toekomstige Ojec werd op die plek vastgesteld. Er werden afspraken gemaakt om het plan voor te leggen aan de officiële joodse en christelijke instanties en kerkgenootschappen. Het resultaat was ondermeer dat rabbijn Rodrigues Pereira en ik negen jaar lang in het Ojec hebben samengewerkt als vice-voorzitter en voorzitter. Natuurlijk was er vóór dit gesprek in de loofhut ook al het een en ander gebeurd. In de voorafgaande jaren had dr.W.H.Zuidema al eens getracht vanuit de Internationale Raad van Joden en Christenen iets in Nederland van de grond te krijgen als een soort overkoepeling van aktiviteiten op het gebied van de joods-christelijke betrekkingen. In 1981 vroeg dr.J.Schoneveld, de secretaris van de ICCJ in Heppenheim, mij om de pogingen van Zuidema voort te zetten{1] In april 1981 was ik teruggekeerd van een verblijf van zeven jaar in de christelijke nederzetting Nes Ammim in Israël en vanaf dat tijdstip in Nederland in dienst gekomen van het Deputaatschap voor Kerk en Israël van de Gereformeerde Kerken. Zij hebben mij vanaf het begin alle ruimte gegeven om een deel van mijn tijd aan het Ojec te besteden. Het verzoek van Schoneveld sprak mij zeer aan. Ik kon me na een lang verblijf in Israël niet voorstellen om bezig te zijn op het terrein van de joods-christelijke betrekkingen zonder dagelijks contact te hebben met joden. In die tijd had ik het geluk een enthousiaste voorstandster van de joods-christelijke ontmoeting te treffen. Bij een bezoek aan de Folkertsma Stichting in Hilversum trof ik mevr.M.Th. Kunstenaar, die veel werk verrichtte voor deze Stichting en zeer aktief was in het leerhuis-circuit. Het resultaat van deze ontmoeting was, dat mevr.Kunstenaar de secretaris werd van het Ojec en dat het eerste bureau van het Ojec werd ondergebracht in het gebouw van de Folkertsma Stichting.
Op 24 september 1981 kwam de eerste voorbereidende vergadering van het Ojec in oprichting bijeen in het Joods Historisch Museum aan de Nieuwmarkt in Amsterdam. Negen personen waren aanwezig, vijf joden en vier christenen. De conservator van het museum, de liberale rabbijn drs.E.van Voolen, ook een enthousiast voorstander van de samenwerkingsplannen, had een ruimte `georganiseerd' in het museum. Via de rosse buurt belanden we in de vergaderruimte waar met grote letters op de muur gegraveerd stond: Soli Deo Gloria (alleen aan God de eer). Niet alleen vanwege dit opschrift werd het een goede start. Vanaf het allereerste begin werd een brede vertegenwoordiging nagestreefd van verschillende instanties. Besloten werd aan joodse zijde de officiële steun te vragen van de drie joodse kerkgenootschappen: het Nederlands Israëlietisch Kerkgenootschap, het Portugees-Israëlietisch Kerkgenootschap en het Verbond van Liberaal-Religieuze Joden. Om duidelijk uit te laten komen dat de joodse identiteit niet alleen als een religieuze aangelegenheid beschouwd kon worden maar dat de staat Israël er een wezenlijk bestanddeel van uitmaakte, werd besloten het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (Cidi) uit te nodigen aan het Ojec deel te nemen. Als organisatie op het gebied van studie van het jodendom zou de B.Folkertsma Stichting voor Talmudica gevraagd worden zitting te nemen in het Ojec. Aan christelijke zijde zouden afgevaardigden uitgenodigd worden uit die instanties die officieel namens de kerken aktief waren op het gebied van de joods-christelijke betrekkingen. Op de eerste vergadering was reeds een breed spectrum van vertegenwoordigers van de Kerk-en-Israël-instanties van de Nederlandse kerken aanwezig: vanuit de Rooms-Katholieke Kerk, de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Later kwamen daar nog afgevaardigden bij uit de Evangelisch-Lutherse Kerk en uit de Oud-Katholieke Kerk. Vanaf het begin werd afgesproken dat de stem van de jongeren in het bestuur aanwezig meost zijn. Deze werd gezocht en gevonden door de Vereniging van Nes Ammimers een zetel te geven in het Ojec-bestuur.
Op die eerste nog niet officiële vergadering werden twee belangrijke principiële beslissingen genomen. Er werd vastgesteld dat er in de statuten die tot stand gebracht moesten worden een zin opgenomen zou worden, dat elk missionaire oogmerk in de samenwerking volstrekt uitgesloten was. De afgevaardigden konden toen nog niet overzien, welke consequenties deze beslissing met zich mee zou brengen voor de diskussies in latere jaren over de bewoordingen waarin de relatie tot het joodse volk in de officiële kerkordes van verschillende Nederlandse kerken was vervat. Verder werd besloten dat de volledige gelijkwaardigheid van de partners in het overleg tot uitdrukking gebracht zou worden in het feit, dat er evenveel joodse als christelijke afgevaardigden zitting zouden nemen in het stichtingsbestuur. Dat dit op geen enkele manier een afspiegeling vormde van de getalsmatige verhoudingen in Nederland werd niet relevant geacht. Consequentie was dat zowel aan het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap als aan het Verbond van Liberaal-Religieuze Joden gevraagd werd om twee vertegenwoordigers naar het bestuur af te vaardigen. Hoewel ook een aantal kleinere kerken in Nederland aan het Ojec wilden deelnemen, werd een (voorlopige) stop ingelast. De evenredige vertegenwoordiging van joden en christenen in het bestuur van het Ojec was een poging om elke vorm van christelijk superioriteitsbesef de pas af te snijden. De plannen waren mooi op die bewuste vergadering in september 1981, maar de vraag was wat de zogenaamde `achterbannen' er van zouden vinden. Er werd afgesproken om te trachten vóór de volgende vergadering van 27 oktober 1981 de benodigde instemmende reacties binnen te halen.
Er werd hard gewerkt, want op 27 oktober bleek dat alle gevraagde instanties het groene licht hadden gegeven. Hier en daar moest nog wel een officieel bestuursbesluit genomen worden of een synodezitting worden afgewacht, maar de stemming was optimistisch. Op de vergadering in oktober werd uitvoerig gesproken over de statuten. Er werd een voorlopig Dagelijks Bestuur gekozen. Er werd al gesproken over financiën en over een budget voor 1982. Vele zaken die in latere jaren de agenda zouden bepalen, kwamen ook reeds aan de orde: de kwestie van het afgeven van doopbewijzen door kerken voor oneigenlijke doeleinden, beveiliging van synagogen, de verklaring van de Raad van Kerken van 1981 over het antisemitisme en de relatie tot aan het Ojec verwante organisaties in andere landen en tot de ICCJ. Nadat de statuten tot stand gekomen waren, werd op 2 december 1981 een constituerende vergadering gehouden. Alles raakte toen in een stroomversnelling. Er werd over een bureaukracht gepraat. Het eerste budget voor 1982 werd vastgesteld en op 11 december verzonden aan de deelnemende instanties. Er werd een persverklaring uitgegeven. De kranten maakten melding van de nieuwe boreling. Op 18 december gaf het Nieuw Israëlietisch Weekblad het Ojec `het voordeel van de twijfel', een beoordeling die tien jaar lang - met hier en daar een uitschieter naar boven of naar beneden - constant is gebleven. Op 15 maart 1982 presenteerde het Ojec zich officieel aan de pers in het Tropenmuseum in Amsterdam en werd er een eerste kennismakingsavond gehouden, waarbij dr.H.Jansen (Ned. Herv.) en rabbijn drs.E.van Voolen (Lib.Joodse Gemeente) het woord voerden. Rabbijn H.Rodrigues Pereira sprak op de persconferentie over `een historisch moment'.
Ander nieuws
Er is reeds opgemerkt dat het Ojec in de afgelopen jaren veelvuldig de nieuwsrubrieken heeft gehaald. De kwesties waren niet van de lucht. Het terrein dat het Ojec betrad, was kennelijk bezaaid met voetangels en klemmen. De emoties laaiden vaak hoog op. De kwesties die door het Ojec werden aangesneden, leverden meermalen in verschillende kranten grote aantallen ingezonden artikelen en brieven op. Voor de buitenstaander moet de indruk ontstaan zijn dat de ontmoeting van joden en christenen in het Ojec een uiterst conflictueuze aangelegenheid was. Die indruk is verkeerd. Het grootste deel van het Ojec-werk verloopt rustig en in goede harmonie. Toch spreken de conflicten die er geweest zijn een duidelijke taal. Ze illustreren de diepte van de vervreemding tussen joden en christenen. De oorzaken van de emoties zijn zeer verschillend: Een folder van de evangelisten Goeree, een toneelstuk van Werner Fassbinder, een klooster bij het voormalig concentratiekamp Auschwitz, een uitspraak over de PLO van de Nederlandse Raad van Kerken, en dat is nog maar een greep uit de vele kwesties van de afgelopen jaren. Diepingrijpende zaken komen aan de orde en worden niet meer verdrongen. De joden in het Ojec zijn zich bewust van hun identiteit en houden zich niet angstvallig stil vanwege eventuele antisemitische repercussies. De christenen in het Ojec onderkennen de intensiteit van de gevoelens aan joodse zijde en zijn zich er van bewust dat vertrouwen eerst langzaam gewonnen kan worden. Toch is er vooruitgang geboekt. Er is een platform van overleg. Het Ojec heeft alle conflicten overleefd en de vertrouwensbasis is verbreed.
Maar tien jaar Ojec betekent geen tien jaar alleen maar conflicten. Er is ook ander nieuws te melden, nieuws waarvoor de kranten over het algemeen geen belangstelling hebben. Na de inwoning bij de Folkertsma Stichting in Hilversum kreeg het Ojec een ruimte bij het Hervormd Kerkelijk Bureau in Amsterdam. Sinds eind 1990 heeft het Ojec een ruimte gehuurd in het centrum voor religieuze cultuur de Rode Hoed aan de Keizersgracht in het centrum van Mokum. Er is een organisatie van vrienden en vriendinnen van het Ojec opgebouwd die door hun contributie naast de kerkelijke bijdragen het Ojec-werk grotendeels financieel mogelijk maken. Zij bleven via en kwartaalblad van alle aktiviteiten op de hoogte. Het boek waarvoor deze bijdrage geschreven wordt is het tiende in de Ojec-reeks. Politieke, religieuze en ethische thema's zijn in tien boeken belicht door joodse en christelijke auteurs vanuit zeer uiteenlopende invalshoeken. Ruimte zestig auteurs hebben vanuit hun specifieke deskundigheid een bijdrage geleverd aan de bezinning op het gebied van de joods-christelijke ontmoeting.
Een opsomming van `goede werken' wordt al gauw saai. Interessanter lijken de missers en boeiender zijn de conflicten. Toch moet het `andere nieuws' ook vermeld worden. Belangrijk is de betrokkenheid van het Ojec bij het werk van de internationale Raad van Joden en Christenen. Afgevaardigden maakten op internationaal niveau de diskussies mee, in Montreal en in Boedapest, in Salamanca en in Praag, in Jeruzalem en in Amsterdam. In 1983 werd het internationale colloquium van de ICCJ in Nederland gehouden over het thema `vrede'. Joden en christenen uit Oost en West, Europeanen en Amerikanen, Israëli's en Palestijnen, studeerden en diskussieerden gemeenschappelijk over de waarde van hun religieuze tradities voor het zoeken naar vred[2] Op het eerste lustrum van het Ojec in 1986 sprak de opperrabbijn van Groot-Brittannië Sir Immanuel Jacobovits. Ook voor het congres over `40 jaar Israël en de kerken', georganiseerd samen met het Cidi in 1988, kwamen vele bekende sprekers uit het buitenland naar Amsterdam. Verder zorgde het Ojec er voor dat er een inventarisatie tot stand kwam van de tientallen leerhuizen in Nederland en haalde jaarlijks de besturen en initiatiefnemers van leerhuizen in een studieweekend bij elkaar. Er werd ook voorzichtig een vorm gezocht om als joden en christenen als gasten elkaars vieringen op sjabbat en zondag mee te maken. Omdat er aan joodse zijde een sterke huiver bestaat voor de gevaren van assimilatie en ook de vrees voor missionaire bedoelingen van christenen nog niet tot het verleden.
[1]Zie ook W.Zuidema, Gods partner, Ontmoeting met het jodendom, Baarn 19885, 236-241.
[2]Een volledig verslag in: `The Search for Peace; Our Responsibility as Jews and Christians', in: From the Martin Buber House (5) 1984.
