10 mei 2004

                           
Theologen – wie heeft ze nodig?

Simon Schoon

Midrasj

De midrasj vertelt, dat toen Jakob zijn uitverkorene naar het bruidsvertrek voerde, de omstanders het bedrog van Laban wilden doorseinen aan Jakob. Zij zongen telkens weer luidkeels het refrein van het huwelijkslied ‘HaLia – HaLia’, in de hoop dat Jacob zou verstaan ‘Dit is Lea, dit is Lea’. Maar Jakob had teveel gedronken en had teveel haast om zijn geliefde Rachel eindelijk in de armen te sluiten. Toen hij het bruidsvertrek binnenging, werden alle lichten gedoofd. Toen Jakob daartegen sputterde, werd hem te verstaan gegeven: ‘Wat denk je wel, wij zijn hier niet zo onfatsoenlijk als jouw landgenoten!’ En zo gebeurde het dat Jacob pas bij het daglicht ontdekte, dat hij Lea met de fletse ogen in de armen hield. Toen was het al te laat.
             U begrijpt het al? U hebt nog niet teveel gedronken; we kunnen het licht niet uitdoen. De waarheid is: ‘En zie, het was Lea’. Ik zal de midrasj maar niet verder doortrekken. Het verhaal vertelt over Lea, die de geheime tekens tussen Jakob en Rachel van haar zuster had doorgefluisterd gekregen om Jacob daarmee om de tuin te kunnen leiden. Ik heb geen tekens doorgespeeld gekregen. Ik ga niet de grote pr-kunde van Anne van der Meiden naspelen. Dat lukt toch niet. Ik ben gewoon mezelf. En …. u kunt nog weg…

Ik wil wel graag proberen met enkele stories aan te sluiten bij de praktijkverhalen van vanmorgen. Tenslotte ben ik al ruim 35 jaar predikant en 40 jaar intensief met theologie bezig. De laatste 10 jaar zelfs in een dubbele baan: Voor 70% in een wijkgemeente in Gouda, voor 30% als bijzonder hoogleraar in Kampen.
[Uiteraard bestaan die procenten alleen op papier. De werkelijkheid is bij mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen op te vragen.]
Om maar direct met een praktijkverhaaltje uit de familiekring te beginnen. Er schijnt een tijd geweest te zijn, dat domineeskinderen trots waren op het beroep van hun vader. Dat is erg lang geleden. Zoals bekend, is aan de VU al een massaal bezochte afkick-conferentie voor domineeskinderen gehouden. Het is voor veel kinderen een ramp om op school te moeten vertellen wat hun vader of moeder doen. En al helemaal als je vader en moeder ook nog datzelfde beroep hebben. Onze zoon Ruben, toen 10 jaar, nu 27 jaar, was tamelijk argeloos op dit gebied. Toen ze hem op een goeie dag vroegen op school: ‘Wat doen jouw vader en moeder eigenlijk?’ antwoordde hij spontaan: ‘Mijn moeder zit in de gevangenis en mijn vader zit in het klooster’. Luid gelach volgde! Mijn vrouw liep in die tijd een pastorale stage in de Bijlmerbajes en ik had ook in die tijd al de gewoonte ontwikkeld om me regelmatig terug te trekken in een klooster. Onze Ruben was zijn spontaniteit op dit gebied in één klap kwijt.

Vakgebied

Wanneer ik nu ga proberen concreter op het opgedragen thema in te gaan, besef ik dat ik me op glad ijs ga begeven. Aan een wetenschappelijke instelling houdt men zich doorgaans streng aan het gezegde ‘schoenmaker, houd je bij je leest’. Ongetwijfeld is de meest gehoorde uitspraak in discussies aan universiteiten: ‘Dat is mijn terrein niet’. Ook in de theologie heerste er (en heerst er vaak nog) een strenge boedelscheiding tussen de verschillende vakdisciplines. Nu zit er natuurlijk een belangrijk waarheidselement in dat oude spreekwoord over die schoenmaker die bij zijn leest moet blijven en bijvoorbeeld geen groente moet gaan verkopen, maar: Jeder Konsquenz führt zum Teufel. Dan trekt ieder zich terug in zijn eigen bastion - met de loopbrug opgetrokken. De telkens weer optredende spanningen tussen de terreinen van exegese en dogmatiek vormen slechts één illustratie van deze scheef gegroeide situatie. Het zal u overigens niet ontgaan zijn, dat er inmiddels al weer een nieuw gevleugeld woord in zwang is geraakt, ook hier in Kampen, dat luidt ‘integratie’. De uitdaging die vandaag geldt, is : ‘interdisciplinaire samenwerking en uitwisseling’. Máár: de oude praktijk is nog niet zo gemakkelijk te overwinnen.
Hiermee heb ik me langzamerhand voldoende ingedekt en ga nu toch maar gewoon verder. Ik zag tenslotte echt geen kans om onder de gevraagde thematiek vanmorgen gewoon een verhaal over de ‘verhouding jodendom-christendom’ te gaan houden. Laat ik het zo maar zeggen: Ik ben geen praktisch theoloog van professie, maar wel al vele jaren praktiserend theoloog. In de trein tussen Gouda en Kampen denk ik wel eens over mezelf ‘Krijg het heen en weer’. Maar toch is dat ‘heen en weer’ voor mij een uitermate boeiende bezigheid, heen en weer tussen de praxis van het pastor-zijn in een gewone wijkgemeente én het meespelen in een academische setting als theoloog. Ik ervaar het in elk geval als een bijzondere uitdaging.

Ellende

Nu had dit natuurlijk de slotzin moeten zijn van mijn betoog. Over dat boeiende en die bijzondere uitdaging.
Vrijwel elk  artikel dat ik over deze problematiek ter hand nam in de afgelopen dagen, hield zich zo ongeveer aan de klassieke indeling van de Heidelbergse Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid. Trouwens - meestal driekwart van het artikel over de ellende. De rest kwam aan het eind nog terloops aan de orde, soms bijna verontschuldigend. En sommige verhalen kwamen niet verder dan de preken in de oud-gereformeerde gemeente in mijn stad: ze bleven in de ellende steken.
Laat ik voor alle duidelijkheid voorop stellen: Ik wil niet in de klaagzangen blijven steken. De ‘ruis’ van de opgegeven titel voor vanmorgen was voor mij overduidelijk, … althans is zo bij mij overgekomen. Deze ruis: Het is bijna ondoenlijk om vandaag nog theoloog te zijn. In elk geval niet met vreugde! Wie heeft je eigenlijk nog nodig in een geseculariseerde wereld? Je voelt je toch af en toe een volstrekt wereldvreemd fenomeen? Een soort van fossiel uit een voorbijgegane tijd. Je kunt je natuurlijk verschuilen achter modieuze termen voor je bezig-zijn, zoals ‘er gewoon voor je medemens zijn’, of: ‘belangeloos beschikbaar zijn’, of: ‘een luisterend oor willen zijn in de wijk’, en meer van dit soort omschrijvingen voor het hedendaagse theoloog-zijn, die je wat grond onder de voeten kunnen geven en die voor je gevoel je bestaansrecht enigszins rechtvaardigen.   
Máár: wat onderscheidt je dan nog van de buurtwerker of van een maatschappelijk werker of van een empathische politievrouw? Wat is de theologische kwaliteit van je presentie? Brengt het betekenisverlies van de kerk in de maatschappij niet onherroepelijk het functieverlies van de theoloog en pastor met zich mee? Welk percentage van onze tijd en energie steken we nog in het publieke debat binnen de samenleving? Wordt er trouwens naar ons geluisterd als we iets op dat gebied te berde brengen? Of hebben we er al lang in berust, dat we als kerk volstrekt in de marge zijn gedrongen in onze wereld van vandaag? En hebben we ons daarom maar teruggetrokken op het privéterrein van het persoonlijke geloof, - of van de ‘spiritualiteit’ zoals je vandaag beter kunt zeggen? 

Analyses

Vele deskundigen hebben de hedendaagse situatie van kerk en geloof grondig onderzocht. Het is niet fair om deze uitvoerige analyses alleen maar als ‘klaagzangen’ te betitelen. Tenslotte moet eerst de diagnose gesteld zijn, voordat er aan de therapie gewerkt kan worden. Een aantal van die analyses heb ik nog eens ter hand genomen in de afgelopen dagen. Ik wil u graag een kleine bloemlezing geven van experts op dit terrein:

In 1977 schreef S.J. Ridderbos over ‘Het lege midden’: ‘Uit het Oosten is het beeld van het wiel met de spaken. Alle spaken van een wiel wijzen naar een midden, dat leeg is maar niet bedoelt leeg te blijven: daar is plaats voor de as, die de wielen verbindt en zo de wagen dragen kan. Zo wijzen onze religieuze woorden naar het eigenlijke, de spil, de kern van de zaak; maar ze zijn het zelf niet, met elkaar vormen ze niet meer dan een leeg midden , het zijn slechts heenwijzingen naar ene groot Geheim, dat met z’n volheid de leegte vult…. Het is de crisissituatie van onze wereld: ronddraaiende spaken, maar wijzen ze nog naar iets anders dan naar een vacuüm en is er wel een as, die verbindt en alles dragen kan? … De argwaan laat zich niet onderdrukken, of het hele geheim niet dit is, dat daar in het midden helemaal niets is en dat onze spaken nergens heen wijzen en nergens op slaan.’[1]

In 1990 schreef Kor Schippers over ‘transcendentieverlies’, over de twijfel van de moderne mens of er buiten onze empirische werkelijkheid nog wel iets is dat van fundamentele invloed zou kunnen zijn op ons bestaan. Maar hij sprak ook over  immanentieverlies’: ‘het gebrek aan het vermogen om in de vluchteling een engel te zien, om in de hongerige Christus te ontmoeten en om in een mens van de vrede sporen van de Geest te herkennen’.[2] 

Uit een van boek van G. Dekker en H.C. Stoffels, van 2001 deze waarneming: Theologen hebben nauwelijks meer iets in te brengen in de publieke sfeer in de moderne maatschappij. Deze ontwikkeling heeft er niet toe geleid dat ze minder te doen hebben dan vroeger. Zij zijn nog meer bezig in de plaatselijke gemeente. Bijna eenderde van hun tijd zijn ze druk met gemeenteopbouw. Die tijd gaat ten koste van individueel pastoraat, gebed en bezinning, studie en toerusting.[3] 

In 2001 baarde de Michsjol enquête opzien, omdat er uit zou blijken dat vele - met name oudere -  predikanten hun ambt graag zouden termineren en tot een andere werkkring zouden willen overgaan, - een verandering die echter door de meesten  niet gerealiseerd werd. Of misschien gewoonweg niet realiseerbaar was, - met alle consequenties vandien voor een gebrek aan motivatie en arbeidsvreugde. 
Enkele citaten uit dit Michsjol-rapport: ‘De balans tussen werk en privé is wellicht het belangrijkste item onder predikanten. Het gevoel altijd en eeuwig beschikbaar te moeten zijn is voor velen loodzwaar’.
En: ‘Van elke honderd predikanten willen er tientallen wat anders. Ze zouden het werk in een gemeente graag verruilen voor een “uitrust-baan” als geestelijk verzorger in een instelling, als beleidsmaker of toerustingsdominee. Steeds meer dominees spelen met de gedachte het predikantschap helemaal vaarwel te zeggen. Al in 1988 gaf eenderde van het predikantengilde aan, in te zijn voor een gesprek op een outplacement-bureau.’
De uitkomsten van deze enquête zijn uitvoerig besproken en uitgelegd, bestreden en niet onderbouwd genoeg verklaard, maar hoe dan ook – ze gaven een tijdsbeeld en signaleerden een onmiskenbare tendens.

Op een conferentie van de theologische universiteiten van Debrecen en Kampen in Hongarije in 2001 over ‘Ambt en professionaliteit’ hield een theologisch student Tom de Haan uit Kampen zijn verhaal. Volgens het verslag gaf hij te kennen niet te kunnen voldoen aan het verwachtingspatroon van gemeenteleden ten aanzien van een dominee. De advertenties in kerkbladen en op het prikbord in de universiteit waren steeds uit op het vinden van het bekende schaap met de vijf poten. Als je aan al die verwachtingen moet voldoen, zegt hij, dan is een burnout onvermijdelijk. Zijn conclusie luidt: ‘Ik wil betrokken zijn, maar geen burnout oplopen. Ik wil mijn theologische deskundigheid inzetten maar ik wil tegelijk niet vervreemden van de hedendaagse cultuur. Ik wil niet de ene religie boven de andere stellen, maar - zal ik dan in staat zijn om een keuze voor het christendom te motiveren? Ik wil mij toewijden aan iets dat groter is dan mijzelf, maar ik wil altijd een optie open houden om mijn keuzen te herzien. Dus: wil ik geen dominee worden? Voor zover ik dat kan overzien, nú nog niet’.

Een citaat van Rein Nauta, hoogleraar godsdienst- en pastoraalpsychologie in Tilburg, op de jaarvergadering van de VPGKN in Nijkerk in 2002:  ‘Veel predikanten zijn teleurgesteld als hun arbeid teveel gaat lijken op gewoon werk. Waar men met zoveel zin en goede moed aan was begonnen gaat na verloop van tijd verkeren in het tegendeel van wat men verwachtte…. Als er al om enige geestelijke bijstand wordt gevraagd, dan voelt men zich niet zelden met stomheid geslagen tegenover het geweld van twijfel en zinloosheid waarmee men al vragende wordt geconfronteerd. Datgene wat oorspronkelijk motiveerde, geroepen zijn tot een godgewijd bestaan, heeft zo zijn glans en relevantie verloren.’ Verder spreekt hij in zijn rede over ‘psychische besmetting’: ‘Empathische identificatie maakt kwetsbaar. Men kan meegesleept worden in de stemming van de cliënt, het perspectief van de pastorant gaan delen…. Blootgesteld aan een bombardement van wanhoop, angst, hulpeloosheid en hopeloosheid, is depressiviteit weliswaar een professioneel feilen maar niet altijd te vermijden.’ Tenslotte: ‘Zulke schijnbaar altruïstische, psychosociale beroepen als ook dat van de pastor, zijn wezenlijk inhumaan in hun eis van voortdurende en onophoudelijke zorg voor anderen’.[4] Inhumaan! – krasse taal!       

Theologie nodig?

Aan de vraag ‘Theologen – wie heeft ze nodig?’ gaat de vraag vooraf, of theologie wel zo nodig is. En: Is de theologiestudie, zoals de meeste van ons die genoten hebben, wel de beste toerusting voor de taken waar een pastor en predikant voor komt te staan? En zelfs deze voorvraag is terzake: Wat is eigenlijk theologie? Ik houd het in dit verband voor het gemak bij deze eenvoudige omschrijving van Rein Nauta: ‘God ter sprake brengen op een voor mensen begrijpelijke en verstaanbare wijze’.[5]
Ook kan ik het niet laten om er even op te wijzen theo-logie een typisch christelijke bezigheid is, waarbij met name het jodendom grote vraagtekens zet. Ik kan het toch niet laten in dit verband een bekende uitspraak van de Frans-joodse filosoof Levinas te citeren: ‘De Tora meer liefhebben dan God’, - een formulering die het hart van het jodendom scherp onder woorden brengt en waarmee tegelijkertijd een essentieel verschil tussen jodendom en christendom op noemer gebracht wordt.
Niet alleen door Joden in het joods-christelijk gesprek, maar ook binnen-kerkelijk en intern-christelijk worden er vragen geplaatst bij het nodig-zijn van de theologie én natuurlijk ook bij de wijze waarop predikanten met hun theologische bagage omgaan.

Nog een citaat van Rein Nauta als ‘voltreffer’ aan ons adres: ‘In onderzoek is gebleken hoe weinig predikanten bereid en in staat zijn om als pastor te theologiseren en hoe zij de theologie vooral gebruiken als zelfrechtvaardiging voor een afgezonderd bestaan. Het predikantschap maakt het mogelijk als buitenstaander te overleven, in de wereld maar niet van de wereld. Predikanten prefereren toeschouwer te zijn, commentator in plaats van actor. De last van het persoonlijke wordt door predikanten tegelijk gewenst en verwenst’.[6]

Ruard Ganzevoort, praktisch theoloog aan deze universiteit concludeert in een artikel in 2000, dat voor de meeste predikanten de schat aan theologische kennis nauwelijks relevant lijkt. Het is (citaat) ‘alsof iemand met aandelen en pinpasjes probeert handel te drijven in Siberië.’ Er wordt in de praktijk weinig direct naar ons theoloog-zijn gevraagd. Onze menselijke, psychologische en communicatieve vaardigheden lijken van veel groter belang te zijn. Kijk naar wat er gevraagd wordt in wervende advertenties voor predikanten. Toch voert Ganzevoort een pleidooi voor het expliciteren van de theologische kwaliteit van het pastorale gesprek. Zo kan het theologische gereedschap van de pastor bijdragen aan een verdieping van het pastorale gesprek.[7]

Het theologische is vaak impliciet niet expliciet aanwezig in het optreden van de pastor. Gerard Dekker waarschuwt in dit verband voor het cognitieve geweld dat theologen kunnen uitoefenen, niet alleen als ‘deskundigen’ maar ook als geestelijken met gezag. Zo kunnen mensen worden ‘overdonderd’ , op zo’n manier ‘dat zij tegen hun eigen gevoelen, geweten, waarden in hun opvattingen of gedragingen veranderen overeenkomstig de wil van de geestelijken. Dit gebeurt vooral wanneer men bepaalde doeleinden wil realiseren met behulp van een bepaalde interpretatie van de bijbel of van bijbelwoorden.’[8] 
Theologie kan op deze wijze ook onderdrukkend en zelfs verpletterend zijn. De kerkgeschiedenis is er vol van. En voor de hedendaagse situatie hoeven wij echt niet alleen naar exotische sekten te verwijzen.

De theoloog wordt vandaag soms getekend als een hermeneut die de moderne tijd en cultuur kan interpreteren en verklaren. Dat is een niet geringe pretentie. Het is voor ons vanmorgen de vraag wie er op zulke theologen als hermeneuten zit te wachten. Het lijkt er op dat dichters en schrijvers, kunstenaars en journalisten, en zelfs politici, heel wat meer op die functie worden aangesproken. Zou misschien de theoloog toch zijn toontje kunnen meezingen in dit koor van hermeneuten? Maar, ik herhaal de vraag maar weer die ons bezighoudt: Wat is daarbij de eigenheid van de inbreng van de theoloog?

Minderwaardigheidsgevoel

Veel theologen gaan gebukt onder een chronisch minderwaardigheidsgevoel.
Wat hebben zij in te brengen?
Waar en wanneer heeft hun inbreng een meerwaarde?
Waar wordt hun deskundigheid gevraagd?
Het is pyschologisch een moeilijke zaak om bij een verliezersclub te horen. Elk nieuw onderzoek, elke enquête, lijkt dit gevoel te versterken. En als we onze eigenheid aan de orde stellen, zoals onlangs aan onze universiteit, met het thema ‘de binnenkant van de protestant’, dan laten we ons door ex-protestanten de waarheid zeggen. Met een zeker masochisme nemen we de kritiek tot ons en staan doorgaans met een mond vol tanden wanneer ons gevraagd wordt:  hoe dan wel? De meeste wijkpredikanten in een doorsnee protestantse gemeente zien hun publiek in de loop van de jaren vergrijzen, zonder dat er veel aanwas is. Hoe je je ook uitslooft, het tij lijkt niet te keren.
Of je moet je zeilen naar de wind hangen en je aansluiten bij de enige club die het goed doet in de enquêtes, nl de evangelische richting. De verontruste leden van je wijkgemeente wrijven af en toe zout in je wonden door te wijzen op de massa’s jongeren bij de refo’s en de duizendkoppige menigten bij de praise-in’s van de EO.  Ja, Gouda is een bolwerk op dit gebied; ik ben ervaringsdeskundige. 
Steeds minder mensen, en steeds meer werk, is het dilemma van veel predikanten. Steeds hogere eisen worden door gemeenteleden gesteld. En de managers in de kerkenraad zouden maar wat graag die dominees, die volgens hen niet genoeg presteren, de laan uit sturen, precies zoals ze dat gewend zijn in het bedrijfsleven.
Merkwaardig – we voelen ons vaak onnodig en overbodig, en toch zijn onze agenda’s overvol, komen we voor ons gevoel aan wezenlijke dingen niet toe, en kunnen we dat eeuwige verwachtingspatroon van de gemeente maar niet van ons afzetten.
Nu verval ik toch weer in klaagzangen …

Context

Het is van belang om te wijzen op de totaal verschillende contexten waarin we leven als kerken en christenen. Als je niet alleen in Nederland gewerkt hebt als theoloog, zoals ik zelf, en vaak in andere landen met andere contexten van de kerk bent geconfronteerd, dan ben je sterker geneigd de Nederlandse context niet te verabsoluteren. Trouwens: onze context in Nederland is ook niet identiek voor alle kerken en christenen. De immigrantenkerken leven in dezelfde samenleving maar in een andere context. De discussies over de film ‘The Passion of the Christ’ laten zien hoezeer we in verschillende werelden leven. Het is de vraag of  we over een gemeenschappelijke taal beschikken om te kunnen communiceren als christenen onderling. Anton van Harskamp schreef een boeiend boek over Het nieuwe religieuze verlangen[9], waarin hij veel gelijkenissen aanwijst tussen de New Age-beweging en het evangelicalisme, beiden in al hun verscheidenheidBeide bewegingen geven concrete antwoorden, benadrukken de eigen verantwoordelijkheid van de mens en doen een sterk appèl op de emotie. In het midden van de SOW-kerk bespeurt hij meer verlegenheid, meer nadruk op het zwijgen van God en de absurditeit van het lijden. Zelf wil hij het ‘onuitroeibare verlangen naar God niet loslaten, naar Dat- of Diegene die ons boven onszelf uittrekt, als een niet weg-te-verklaren mysterie.’ (285) Ik zou willen pleiten voor een voortgaande dialoog met deze nieuwere religieuze bewegingen en tegen een hautain of angstig isolement. 

Contexten zijn verschillend. Het trof me in het reeds genoemde verslagboek van een conferentie in Debrecen over ambt en professionaliteit. Hongarije en Nederland – uitermate verschillend, en dan gaat het nog om twee landen in Europa. Voor de meeste leden van de Protestantse Kerk in NL geldt dat de vanzelfsprekendheid van het christelijke basisverhaal voorbij is. Voor vele denkers in Europa al sinds de Verlichting, maar in onze tijd dringt dat door tot brede lagen van het kerkvolk. Er is geen bovenwereld of achterwereld meer, alleen déze wereld. Zoekende jongeren buiten de kerk maar ook in de kerk hebben een patchwork-identity, lapwerk, uiteenlopende bagage - hier en daar bijeen gegrabbeld, uit zeer verschillende bronnen en tradities. Wat bepaalt nog je identiteit? Voor mensen van vandaag heeft identiteit met name te maken met datgene wat grijpbaar is, wat je onmiddellijk kunt ervaren, - je huid, je lichaam, je zintuigen. Je bent je lichaam. Vandaar de grote aandacht voor medische zorg en voor verzorging.
Onze context in het Westen wordt sterk bepaald door een voortgaande individualisering, die doorgaans negatief wordt afgetekend, maar ook een grote vooruitgang inhoudt. De individualisering heeft er echter ook toe geleid dat velen alleen op zichzelf zijn komen te staan in een ijskoude wereld. Of – om met W.F. Hermans te spreken – in een ‘sadistisch universum’. Soms proberen kerken krampachtig de vragen buiten de deur te houden. Dan wordt nog gedacht in een dichotomie van kerk en wereld, waarbij we spreken over de grote vragen van onze moderne wereld, alsof dat niet de vragen zijn van de kerk. Maar dezelfde vragen leven binnen de kerk en diep ons eigen hart.

Ook de contexten binnen kerk en christendom zijn zeer verschillend is. Velen ervaren dit als bedreigend , maar het kan ook als verrijkend beleefd worden. Zo is het bijvoorbeeld een boeiende zaak om het project intercultureel bijbellezen te volgen of er aan mee te doen. Het is bevrijdend om je eigen context te relativeren – maar soms ook opnieuw te leren waarderen - door de ontmoeting met anderen. Om in de eerste ronde van dit project te constateren hoe totaal verschillend het verhaal van de Samaritaanse vrouw uit Johannes 4 wordt geïnterpreteerd in verschillende culturen en contexten.
Toch leven we ook, zoals vaak gezegd wordt met een uitdrukking die al een slogan is geworden: ‘in een global village’. De wereld is klein geworden. Overal duiken dezelfde vragen op, echt niet alleen omdat ze gedicteerd en gemanipuleerd worden door de massamedia, maar ook en vooral omdat het vragen zijn die onontwijkbaar geworden zijn voor alle mensen. 

Onze context wordt niet alleen bepaald door de plek waar we wonen, het salaris dat we al of niet verdienen, ons man- of vrouw-zijn, ons homo- of hetero-zijn, onze cultuur en onze opleiding, maar ook door onze leeftijd. In onze kerken zijn de verschillende generaties op een zeer verschillende manier met geloof bezig en al of niet bij de kerk betrokken. Nu konden we dat al weten uit boeken van Herman Andriessen over de ‘spiritualiteit van de levensloop’, maar in de (nu ex-)gereformeerde kerken is dit verschijnsel wel zeer opvallend. Vele theologen in de generatie waartoe ik behoor zijn bezig zichzelf te bevrijden van de ballast van het verleden. De boeken van Wiersinga en Kuitert zijn daar schoolvoorbeelden van. Ze voorzien in een enorme behoefte voor vijftig plussers, die schoon schip willen maken met datgene waarmee zij naar hun gevoel vroeger zijn doodgegooid. Wat ze hebben ervaren als een dogmatisch harnas. Zeer veel van het algemeen betwijfeld christelijk geloof wordt daarbij naar de schroothoop verwezen. Nuttig en bevrijdend voor velen, al weer achterhaald of niet relevant voor anderen. Verfrissend was het te lezen dat Henk Burggraaff in zijn boek De hemel wagen. Spiritualiteit en christendom[10] de omgekeerde stelling waagde van de veelbesproken uitgangspositie van Kuitert: ‘Al het spreken van beneden komt van boven, ook het spreken dat van beneden komt’. Theologie blijft spannend!
Jongere theologen leven in een andere context dan 50- en 60-plussers. Ze hoeven niet met het verleden af te rekenen van de vorige generatie theologen. Existentieel hebben ze die tijd niet meegemaakt. Ze stellen andere vragen en geven vaak andere antwoorden, die ze hier en daar en overal vandaan te halen. Op 18 mei wordt op Hydepark een nieuw boek van 13 jonge theologen gepresenteerd onder de titel Met passie. In dit boek schrijven dertien jonge predikanten over de vragen: waar ligt mijn passie in het predikantswerk, wie of wat bezielt mij, wat voor theologische vragen interesseren mij nu ik als predikant in de PKN ga werken? Ik ben benieuwd naar hun passie. Want ik heb net een bijdrage ingeleverd voor een boek dat binnenkort aan onze ThUK uitkomt over de Passion of Protestants n.a.v. ons 150-jarig jubileum.

Persoonlijke weg

Mensen, dus ook theologen en dominees, gaan een eigen, persoonlijke weg. Er heerst geen uniformiteit. Gelukkig mag dat ook weer – dat accent op het persoonlijke. Je bent er zelf ook nog. Je persoon valt niet weg achter je pastor- en predikant-zijn.
Niets is erger dan dat je jezelf verliest als predikant. Je komt ze wel eens tegen - van die gedepersonaliseerde dominees. Ze spreken de slogans uit die van hen verwacht worden. Gelukkig is er ook slachtofferhulp voor hen beschikbaar, maar daar doen ze meestal geen beroep op.
Alleen als je God kunt nazeggen ‘ik ben die ik ben’, alleen als je jezelf aanvaard hebt in je mogelijkheden en beperkingen, in je gaven en schaduwkanten, dan kun je ook tegen je medemens zeggen als pastor ‘ik zal er voor jou zijn’.

In het afgelopen seizoen kwam in mijn wijkgemeente de spiritualiteit- en meditatiegroep voor het zesde seizoen bijeen. Natuurlijk is er ook een leerhuis in mijn wijkgemeente (stel je voor!), maar ik noem liever een activiteit waaruit blijkt dat we geen Kerk-en-Israël hobbyisten zijn in Gouda. Behalve een leerhuis zijn er Thomasvieringen, behalve diaconale activiteiten zijn er meditaties, behalve naar Israël trekken we ook zeer regelmatig naar Taizé.
In 1991 koos ik weer voor de gemeente na 20 jaar specialistisch werk te hebben gedaan. Ik heb er geen dag spijt van gehad. De breedheid en verscheidenheid van het gemeentewerk trekt me aan. Ik weet dat specialisering gecombineerd met professionalisering lange tijd het panacee leek voor alle structurele en persoonlijke problemen in het domineesbestaan. Voor sommigen is het wellicht ook een bevrijding. Voor mij zou het echter een gevangenis zijn. Ik prefereer de breedheid.
Nu ben ik weer terug bij die meditatiegroep. Dit seizoen overdachten we meditatief onze persoonlijke spirituele autobiografie. We kwamen daarbij werkelijk op ons eigen verhaal. We deelden dat in de groep met elkaar, summier want we waren vooral stil. In een aantal bijeenkomsten daalden we af en keerden we terug naar onze kinderjaren, puberteit,  adolescentie, volwassenheids- en vestigingsjaren, en - voorzover van toepassing – naar de jaren van de midlife-crisis, overgang, tweede vestiging en de jaren van het ouder worden. Het ging om de herinnering maar vooral om de beleving van en interpretatie van deze herinnering. In die groep van ongeveer 25 deelnemers werd doorlopend een beroep gedaan op mijn theologische vaardigheden, meestal impliciet maar ook expliciet. Maar dat zou niet gebeurd zijn, wanneer ik me zelf niet kwetsbaar had opgesteld, en ook mijn spirituele autobiografische ontdekkingen had gedeeld met de groep.
In de stilte kwam veel terug. Voor mij was dat een lange tocht, van de chr geref kerk van mijn jeugd via Vuurjeugdweekenden en Youth for christ, naar een pinkstergroep in Amsterdam tijdens mijn theologische studie aan de VU, evangelisatiewerk elke zaterdag op de walletjes. Ternauwernood aan de geestelijke druk van overdoop ontkomen terechtgekomen in mijn eerste gemeente in Vries in Drente. Toen naar Israël in 1973 - midden in de Yom Kippoer-oorlog. Dat werd wel een overdoop, maar van andere orde. Mijn theologie werd omgekeerd. Alle antwoorden werden nu allereerst vragen. Ik maakte overigens niet allen intensief kennis met Joden maar ook met Palestijnen, niet allen met het jodendom maar ook met de oosterse orthodoxie in Galilea. Na terugkeer in Nederland en promotie in Kampen werd ik in Nederland KenI-specialist en voorzitter van het Ojec. In 1991 keerde ik terug naar mijn eerste liefde, het gemeentewerk. En in 1996 kwam daar het bijzonder  hoogleraarschap in Kampen bij. 
In de meditatiegroep ontdekte ik tot mijn verrassing en vreugde dat ik niet de een spirituele fase had ingeruild voor de andere maar dat alles nog aanwezig was, en zelfs redelijk geïntegreerd. Natuurlijk ontdekte ik ook dat er nog heel wat spiritueel te klussen én te groeien valt. Het is ook niet allemaal van een leien dakje gegaan. Tweemaal was ik overspannen. Het waren diepe dalen. Maar er waren mensen die me vasthielden. Zo kwam ik er door heen.  In de bundel ‘Spiritueel bijbellezen’ (die binnenkort verschijnt) heb ik mijn hoogst persoonlijke verhaal uit de tijd van mijn overspannenheid naar aanleiding van het trefwoord ‘Doortocht’ verbonden met een grondige exegese van het exodusverhaal.
Toen ik mijn persoonlijk ‘doortocht’-verhaal op de kansel in Gouda vertelde, riep dat algemeen herkenning op. En – ik zeg het er maar even bij – ik denk niet dat het narcisme of exhibitionisme was. Maar ach, welke dominee kan zeggen dat dat hem of haar helemaal vreemd is?

Laat ik dit – meer persoonlijk gekleurde - deel van mijn inleiding afsluiten met een paar anekdotes, om te illustreren dat je soms – met een knipoog - heel erg nodig kunt zijn als pastor: In de eerste drie jaar bezocht ik alle ‘randbewoners’ of randkerkelijken in mijn wijkgemeente. Er zou een boek met verhalen over te vullen zijn. Zo belde ik een keer aan bij een flat. ‘Kom maar boven, we wachten al op je’, werd er geroepen van boven. Ik ging verbaasd naar boven, want ik dacht bij niet-kerkelijk-betrokkenen aangebeld te hebben. Wat bleek nu? Ze zaten al een uur op de pizzaman te wachten, die maar niet verscheen. De deur zaaide open: ‘Kom binnen!’. Tja, het was de dominee…..,
Ik heb heel wat avonturen aan de intercom beleefd. Het is niet eenvoudig om door de intercom van een flat duidelijk te maken, wat je komt doen. Soms beleef je daarbij wonderlijke dingen. Eén keer werd er op mijn gemompelde aankondiging in de intercom heel hard naar binnen geroepen: ‘Jeeeezus…’. Het was kennelijk niet de bedoeling dat ik dat hoorde. Ik riep nog terug: ‘Nee, die is het niet’. De deur ging toch open en er ontstond iets van een ontmoeting.

Spiritualiteit

Spiritualiteit! Ja, het moest er wel van komen in deze lezing: het modewoord van onze tijd.
Er zijn veel goede boeken over verschenen – wat zal ik daar aan toevoegen. Namen als Henri Nouwen, Anselm Grün, Herman Andriessen en Kick Bras spreken voor zichzelf.
Ik ga niet meer uitleggen, dat mystiek natuurlijk geen wereldvlucht hoeft te betekenen, dat meditatie echt geen escape voor inzet in de wereld behoeft te zijn, dat spiritualiteit niet identiek is met New Age-achtige bedrijfscursussen voor het verhogen van de sfeer op de arbeidsvloer én de productiviteit. Dat weten we toch langzamerhand wel?!
Laat ik alleen  nog  – wellicht ten overvloede – aandacht vragen voor een paar stemmen over de spiritualiteit van de theoloog en predikant.
In 1994 verscheen een boekje van de toenmalige studentenpredikant van de ThUK, Jaap Faber, over   De spiritualiteit van de theoloog. Een protestants pleidooi, waarin hij naast een analyse van de vervreemding ook een weg trachtte te wijzen. Met name Bonhoeffer wordt door hem getekend als een lichtend voorbeeld.[11]
In 1996 schreef A. van de Beek: ‘Professionalisering is een nuttig hulpmiddel en heeft als instrumentarium zin. Maar het kan nooit de spirituele leegte vervangen’.[12]
Laat ik niet vergeten Gideon van Dam te citeren in zijn pleidooi voor de geestelijke begeleiding van pastores. Hij constateert vele blokkades: ‘De weg van de goede voornemens blijkt te leiden tot de steeds terugkerende teleurstelling in de eigen wilskracht’ en verder: ‘Er moet een georganiseerd aanbod komen vanuit de kerken, want geestelijke begeleiding is voor pastores geen overbodige luxe… Altijd weer is er de vraag: hoe blijf ik als beroepsgelovige ook authentiek en open naar God?’[13]
Onlangs kreeg ik een bijzonder waardevol boekje, geschreven door Wil Derkse, die vele jaren docent scheikunde was, daarna hoogleraar wijsbegeerte aan de Technische Universiteit van  Eindhoven, nu ook nog oblaat van de Benedictijnse St-Willibrordsabdij in Doetinchem. In het boekje Een levensregel voor beginners tracht hij de Benedictijnse spiritualiteit handen en voeten te geven in het dagelijks leven. Vooral de gedeelten over ‘de kunst van het luisteren’, ‘de kunst van het beginnen’ en ‘de kunst van het ophouden’ bevatten juweeltjes van praktische spiritualiteit.[14]
Tenslotte nog eens Rein Nauta: ‘Gebed en biecht maken weerbaar tegen de verleidingen van relevantie en populariteit, van onmisbaarheid en ook onkwetsbaarheid, theologische reflectie wapent tegen obsessieve misleiding, beschermt voor de fatale gedachte dat de pastor onfeilbaar is’.[15]

De bijbel

Wat is de identiteit van een theoloog?
Een protestant, een theoloog in het bijzonder, leest de bijbel. Dat is (of was?) een deel van zijn identiteit. Misschien wel het belangrijkste moment van zijn identiteit. Een dominee heette plechtig: Dienaar van het Woord. Sommigen zetten het bij hun naambordje op de deur: V.D.M. Is dat niet aanmatigend? Verbi Divini Minister!
Ik vind het toch wel een mooie titel, maar zal het niet op de deur of op mijn briefhoofd zetten.
Maar het ontdekken van een nieuwe spiritualiteit zal voor een protestant toch zeker te maken moeten hebben met het opnieuw leren lezen en spellen van die bijbel? En stuiten we juist vandaag op een groot probleem.
Hiermee zie ik toch kans om even een uitstapje te maken naar mijn eigen vakgebied.
Niet uit hobby-isme maar omdat het m.i. alles met onze problematiek te maken heeft.
Want de Joden hebben het grootste deel van die bijbel teruggeëist. Dat deel wat wij het ‘Oude Testament’ plegen te noemen. Ze hebben het gevoel dat wij dat boek van hebben afgepakt, ont-eigend.
Hoe gaan we daarmee om? Gaan we alleen in de verdediging? Of laten we ons ook gezeggen? Zonder dat het een nietes-welles-spelletje wordt.  
De grote vraag is of wij theologisch de prioriteit kunnen en willen erkennen van de lezing van de Schrift als de ‘bijbel van Israël’.[16] Een lezing waarbij het volk Israël erkend wordt als de eerst geadresseerde van die Schrift.  Zijn we in staat om de wijze waarop joden de Schrift lezen en verstaan, theologisch serieus te nemen? Hoe lezen we vervolgens en tegelijkertijd die Schrift als ‘bijbel van de kerk’, in een vorm van toe-eigening die geen ont-eigening meer jegens Israël met zich meebrengt? Mijns inziens zijn christenen vanwege hun unieke verhouding tot het volk Israël geroepen om de bijbel op tweeërlei wijze te lezen, namelijk als ‘bijbel van Israël’ én als ‘bijbel van de kerk’. Dit betekent voor christenen niet minder dan een nieuw paradigma in het lezen en verstaan van de Schrift.
Binnen de christelijke gemeente zal deze wijze van omgaan met de Schrift concreet gestalte moeten krijgen, met name in catechese en verkondiging. Een uitdaging van de eerste orde voor een theoloog. Hobbyisme op dit gebied en krampachtig gedrag wekken alleen maar irritatie op. Het zal ook hier moeten gaan om integratie in het geheel van het gemeenteleven en predikantswerk.

Het voert nu te ver om de theologische consequenties van deze tweeërlei lezing van de Schrift nader uit te werken. Om toch ter illustratie een enkel voorbeeld te noemen: Nederlandse calvinisten zullen zich bewust moeten worden van het feit, dat zij de berijming van Psalm 105, vers 3 niet meer in eerste instantie met de kinderdoop in verband kunnen brengen, en Psalm 118 niet met Pasen en met het Avondmaal, en Psalm 87 en Psalm 122 niet met de kerk. Het zal ook tot de taak van de kerk behoren om duidelijk te maken, dat de ‘knecht des Heren’ in Deutero-Jesaja volgens de joodse traditie verwijst naar het volk Israël en volgens de christelijke traditie naar Jezus en dat beide leeswijzen in de kerk tegelijkertijd theologisch legitiem zijn. De spanning tussen beide manieren van lezen kan en mag niet worden opgeheven. De beide leeswijzen van de Schrift, in samenhang met de verschillende volgorde van de bijbelboeken, zijn niet tot één model te harmoniseren en staan soms zelfs diametraal tegenover elkaar. Die spanning zal theologisch en eschatologisch moeten worden uitgehouden.

Christenen lezen ‘de bijbel van Israël’ niet alleen uit godsdienstwetenschappelijke en historische belangstelling maar vooral uit theologische interesse. Wanneer zij inmiddels door schade en schande geleerd hebben de theologische betekenis van de voortgang van Gods verbond met het volk Israël te belijden, zijn zij op grond daarvan geroepen om te luisteren naar datgene wat Joden in de loop van de eeuwen beluisterd hebben in de Schrift. Zij kunnen leren van wat joden geleerd hebben in de omgang met God, in het verstaan van de ‘joodse bijbel’ en de Talmoed. Daarbij gaat het niet om wat leuke midrasjiem en pakkende chassidische verhaaltjes op de kansel.
Het gaat om theologische Umkehr, om met Friedrich-Wilhelm Marquardt te spreken.
Wanneer we de Schrift uitsluitend lezen als ‘bijbel van Israël’, is judaïsering van de kerk onvermijdelijk. Wanneer we de Schrift uitsluitend lezen als ‘bijbel van de kerk’, is het gevaar van  marcionitisme onontkoombaar. Binnen de christelijke gemeente kan de tweeërlei wijze van lezen van de Schrift als complementair ervaren worden.
De vraag, of Joden zich van hun kant ook zouden kunnen inleven in de Schrift als ‘bijbel van de kerk’, is theologisch asymmetrisch. Er valt nu eenmaal wel te spreken over de ‘joodse wortels van het christendom’ maar niet over de ‘christelijke wortels van het jodendom’. Voor ons is de vraag essentieel: hoekunnen wij de Schrift op tweeërlei wijze lezen en verstaan, als uitwerking van onze roeping – volgens de KO - om de ‘onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’ gestalte te geven. Dat betekent een lange leerroute, waarop je met vreugde nieuwe dingen tevoorschijn kunt halen uit de oude Schriften.
We zullen als theologen moeten leren om de Schrift allereerst te lezen als bijbel van Israël, dat wil zeggen leren:
- dat de wijze, waarop joden in hun traditie Tenach hebben verstaan en uitgelegd, voor de kerk van theologische betekenis is,
- dat de erkenning van het feit dat christenen als mensen uit de volken niet de eerst geadresseerden zijn van de Schrift, geen mindere status voor hen betekent en daarom niet hoeft te leiden tot irritatie of anti-judaïsme,
- dat voortdurende waakzaamheid geboden is voor het gevaar van annexatie van de ‘bijbel van Israël’ voor uitsluitend eigen christelijk gebruik,
- dat christelijk-theologische definieerzucht jegens het volk Israël zeer ernstige gevolgen voor joden kan hebben,
- dat het ongepast is om joden te gaan imiteren door hun feesten te gaan vieren en joodse gebruiken over te nemen.    

[Als theologen zullen we vervolgens en tegelijkertijd de Schrift ook lezen als bijbel van de kerk. Maar dat wisten we al en deden we al vele eeuwen. Maar nu zullen we moeten leren
- dat er een nieuw licht over de Schrift valt, wanneer deze gelezen wordt vanuit de geloofservaring dat de God van Israël in Jezus het verbond heeft verbreed naar de wereld van de volken,
- dat het Nieuwe Testament als onlosmakelijk onderdeel van de ‘bijbel van de kerk’ slechts verstaan kan worden vanuit het ‘Israelitisch idioom’ van de Schrift, (een terminologie van Marquardt)
- dat teksten van het Nieuwe Testament verhelderd kunnen worden vanuit de joodse geschriften rond het begin van de jaartelling,
- dat er gesproken kan worden over de vruchtbaarheid van het verschil in de twee  complementaire leeswijzen van de Schrift, waarbij de eschatologische spanning blijft bestaan in de verhouding tussen de kerk en het volk Israël.]

Zo’n theologische paradigmawisseling in het lezen en verstaan van de Schrift komt in kerk en theologie natuurlijk niet van vandaag op morgen tot stand, maar concrete omkeer houdt onherroepelijk in dat er een begin mee wordt gemaakt.

Dat deze nieuwe manier van lezen van de bijbel van grote betekenis is voor de wijze waarop de theoloog in de kerk omgaat  met de bijbel in het leerhuis en het vierhuis, spreekt vanzelf.
Dit moet niet los staan van, maar gecombineerd worden met wat er recentelijk, ook in deze universiteit, te berde gebracht is op het gebied van de homiletiek. Jaap van der Laan wilde in bescheidenheid toch ‘hoge woorden over de preek’ blijven spreken in zijn afscheidsrede.[17] Volgens hem is er de homiletische wetenschap een breed gedragen consensus, dat we in de preek toch op z’n minst rekening mogen houden met de mogelijkheid van Gods eigen spreken. De eigen persoon hoeft daarbij niet weg te vallen achter het hoge woord. 
In de dissertatie Wolken gaan voorbij…. van Bert Altena werd dit uitgangspunt concreet uitgewerkt, met de ondertitel Een homiletisch onderzoek naar de mogelijkheden voor de preek in een postmodern klimaat.[18] Een boek dat ik met rode oortjes gelezen heb, waarbij ik de zondagse praktijk van mijn eigen preken natuurlijk in mijn gedachten hield. Prachtige citaten zou ik kunnen geven over de postmoderne motieven als typering van het homiletisch klimaat, over de motieven van de terreurvrije ruimte, van de openheid, van de marge, van het geheim, van de verbeelding, en van de onderbreking. Bij de hoofdstukken over de prediker als ensceneur en taalkunstenaar werd het me al te machtig. ‘Wie is tot zulk een taak bekwaam?’ verzuchtte ik.
Gelukkig wordt er ook telkens weer gewezen op andere vormen in de vieringen dan de preek, zoals drama en dans, muziek en  spel. Omdat er a.s. zondag weer wordt gedanst in mijn wijkkerk, volsta ik met een citaat van Riëtte Beurmanjer: ‘Dans en beweging in vieringen zijn meer dan een verfraaiing van de liturgie. Het is een vorm om mensen de innerlijke beweging van de liturgie te laten meemaken. … Er mag ruimte zijn voor wie met het woord alleen niet uit de voeten kan’.[19]

Feest

Ten slotte. We vroegen ons al even af, of jongere theologen de klaagzangen voorbij zijn. Hoeven ze niet zo nodig meer af te rekenen met het verleden? Voor allen die onlangs het studentenfestival van de beide Kamper theologische universiteiten hebben meegemaakt, zou het antwoord ongetwijfeld bevestigend moeten luiden. Het was een spetterend en origineel gebeuren onder de titel ‘Feest’. Misschien mogen we hopen dat ze de weg vinden naar een ander en verfrissend theoloog-zijn en naar een andere authentieke manier van predikantschap. 
Met een knipoog naar de traditionele trits in de typering van de dominee als herder, leraar en profeet sprak Johan Goud (op deze plek) onlangs over de dominee als vriend, leraar en vreemdeling. Een inspirerend verhaal.[20]
Ik zou zelf leraar’ liever voorop stellen. In het jodendom is de rabbijn bovenal een leraar. Maar dan wel in een voortdurend gesprek met zijn leerlingen, waarbij de leraar nog het meest leert van zijn leerlingen. Wellicht kunnen predikanten in het leraarschap nog het meest uitgesproken hun theoloog-zijn beleven.
Bij vriendschap in het pastoraat zet ik een vraagteken. Echte vriendschap maakt m.i. pastoraat juist onmogelijk. Iets anders is dat je het als theoloog en pastor absoluut niet redt zonder vrienden. Vriendschap is nodig om nabijheid te beleven en te kunnen delen, en om je te beschermen tegen de verleiding van het ambt.
Vreemdeling vind ik weer een rake typering. ‘Vanwege de vervreemdende boodschap die hem is opgedragen’, zegt Goud. Het is gegeven met het theoloog-zijn. Moet je ook zeggen: gegeven met het ‘object’ van de theologie- God? Ondanks de rake woorden van Levinas (‘De Tora meer liefhebben dan God’) kunnen christenen als Gojiem niet zonder theologie. Marquardt heeft dat treffend getypeerd: Heiden-christenen hebben theologie nodig, eindeloos onrustig als ze zijn over de vraag hoe ze nu toch echt bij God horen, of ze wel echt via Christus in het hart van God geborgen zijn. Zelfs hun triniteitsleer is een zekering om deze onrust te bedwingen, aldus Marquardt. Volgens hem komt het theologisch denken voort uit het doen, uit het handelen. Hij stelt  – aan de hand van Frans Breukelman - de bijbelse prioriteit van het doen voorop, waarop de theologische reflectie volgt.
Vaak wordt benadrukt dat er geen denken over God mogelijk is zonder ontmoeting met God.[21] Het pastor-zijn blijft, evenals het christen-zijn, een levenslange zoektocht naar het evenwicht tussen engagement en spiritualiteit.

Of om het met de woorden van een dichter te zeggen, met een gebed van Huub Oosterhuis[22]:


Wie zijt gij dat ik u belangrijk vind
dat ik aan u denk iedere dag
dat ik mij toets aan u?
……
Nooit heb ik niets met u

Tegen beter weten in
stel ik mijn hoop op u.
Mijn lot is levenslang
wachten op u.

 

[1] S.J. Ridderbos, Het lege midden. Over geloof en psychische moeilijkheden, Baarn 1977, 7,

[2] K.A. Schippers, ‘Over transcendentieverlies en gemeente zijn’, in: GTT 90/4 (1990), 198.

[3] G Dekker en HC Stoffels, De mens en zijn godsdienst: beschouwingen over de functie van godsdienst en kerk voor mens en samenleving, Kampen 2001, 166.

[4] R. Nauta, ‘Predikanten in zaken? Over de verleiding van het echte werk’, in: GTT 102/2 (2003), 63, 66-67.

[5] R. Nauta, ‘Theologie als handicap’, in: Praktische theologie 25/3 (1998), 283.

[6] R. Nauta, a.a., 68.

[7] R. Ganzevoort, ‘De pastor(ant) als theoloog. De theologische kwaliteit van het pastorale gesprek’, in: GTT 100/3 (2000), 114-124.

[8] G. Dekker, ‘Kerkelijk geweld – theorie en praktijk’, in: GTT 102/ 2 (2003), 77.

[9] Kampen 2000.

[10] Zoetermeer 2002.

[11] Kampen 1994, 56-80.

[12] A. v.d. Beek, ‘Spiritualiteit – een must voor theologen?’, in: GTT  96/1 (1996), 7.

[13] G. van Dam, ‘De inoefening van spiritualiteit van pastores en geestelijke begeleiding’, in: K. Bouwman, K. Bras (red.), Werken met spiritualiteit, Baarn 2001, 79, 84. Uitvoeriger in: G. van Dam, Dichter bij het Onuitsprekelijke.Over geestelijke begeleiding voor en door pastores, Baarn 2003.

[14] W. Derkse, Een levensregel voor beginners. Benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijks leven, Tielt 200311.

[15] R. Nauta, ‘Vroomheid en visie. Over praktijk en perspectieven van het pastorale beroep’, in: GTT 100/2 (2000), 58.

[16] Zie uitgebreider: S. Schoon, ‘De bijbel van Israël en de bijbel van de kerk’, in: M. Barnard, L.J. van den Brom, F. de Lange (red.), Protestants geloven bij bijbel en belijdenis betrokken, Zoetermeer 2003, 142-155.

[17] J. H. van der Laan, Hoge woorden over de preek, Kamper oraties 17, Kampen 2001.

[18] Zoetermeer 2003.

[19] R. Beurmanjer, ‘Ritueel en dans de eerste stap’, in: M. Barnard, p. Post (red.), Ritueel bestek. Antropologische kernwoorden van de liturgie, Zoetermeer 2001, 110-114 (citaat: 113).

[20] J. Goud, Schrijven in het zand. Predikantschap in de 21ste eeuw, Kamper oraties 15, Kampen 2000.

[21] Vgl. Anselm Grün, Bidden met de woestijnvaders, Zoetermeer 2002.

[22] H. Oosterhuis, Dan zal ik leven. Teksten voor uren alleen, Baarn 1976, 24.