JODENHAAT EN HET EVANGELIE VAN JOHANNES
Bedreigend
De vraag is onontwijkbaar: Is het theologisch antisemitisme een onlosmakelijk onderdeel van de christelijke identiteit? Daaruit vloeit de vraag voort: Is de jodenhaat onuitroeibaar in het christendom, omdat de afkeer van joden en jodendom zijn oorsprong heeft in het Nieuwe Testament zelf? Vaak is het evangelie van Johannes aangewezen als de ernstigste bron van dit kwaad. Er bestaat een sterke neiging om deze uitdagende en bedreigende vraag 'Is het Nieuwe Testament een bron voor jodenhaat?' met een uitgesproken en ongenuanceerd 'ja' of 'nee' te beantwoorden.
Diegenen, die zonder omwegen 'ja' zeggen op de gestelde vraag, laden de verdenking op zich nogal rigoreus te willen afrekenen met kerk en christendom. Ze zijn er toch al van overtuigd, dat het zondenregister van de kerk verbijsterend is; de kerk is immers medeschuldig geworden aan racisme en apartheid, aan onderdrukking van vrouwen, aan kolonialisme en economische uitbuiting. En nu blijkt de kerk dan ook nog de voornaamste schuldige te zijn aan het antisemitisme. De aanklacht gaat zelfs nog verder: het Nieuwe Testament als oorsprongsdocument van het christendom is al besmet met het anti-joodse gif. Diegenen, die daartegenover de genoemde vraag zo snel mogelijk met 'nee' beantwoorden, laden de verdenking op zich verontruste christenen gerust te willen stellen zonder de problematiek echt aan de orde te laten komen. Met een beroep op de orthodoxe Schriftbeschouwing wordt het bij voorbaat onmogelijk geacht, dat het Nieuwe Testament voedsel zou kunnen geven aan jodenhaat. Maar het vraagteken laat zich niet vroegtijdig en gemakkelijk wegwerken. De bezinning moet niet gestagneerd worden door voorbarig 'ja' of 'nee' te zeggen op de vraag die hier in het geding is: Is het Nieuwe Testament (en met name het evangelie van Johannes) medeschuldig aan jodenhaat?
Begrippen
In de discussie blijkt de keuze van begrippen reeds een inhoudelijke keuze te betekenen. Er wordt over anti-judaïsme, antisemitisme en jodenhaat gesproken en deze verschillende termen zijn moeilijk objectief te definiëren. Vaak wordt het 'christelijke anti-judaïsme' onderscheiden van het 'niet-christelijke antisemitisme', waarbij gesteld wordt dat de ideologie van het anti-judaïsme totaal anders is dan die van het antisemitisme.[1] Sinds het einde van de 19e eeuw wordt de term 'antisemitisme' gebruikt om de racistische jodenhaat aan te duiden en worden de joden omschreven als een eigen ras met gevaarlijke, erfelijke eigenschappen. Het zou vanwege oorsprong en inhoud van de term 'antisemitisme' onmogelijk zijn om deze toe te passen op teksten in het Nieuwe Testament, omdat de term op deze wijze anachronistisch gehanteerd zou worden. Maar ook de term 'anti-judaïsme' werd pas aan het einde van de 19e eeuw gebruikt om de christelijke variant van jodenhaat aan te duiden.[2] Hoewel het van belang is terminologisch onderscheid te maken tussen anti-judaïsme en antisemitisme, is het vanuit het oogpunt van de joodse slachtoffers van deze beide ideologieën niet juist om dit onderscheid veel gewicht te geven. Anti-judaïsme en antisemitisme zijn twee uitingen van het hetzelfde fenomeen, namelijk afkeer van joden en jodendom. Soms wordt uit polemische motieven tegenover het christendom het onderscheid tussen beide uitingen te zeer uit het oog verloren. Soms wordt daarentegen uit apologetische motieven ten aanzien van het christendom het onderscheid tussen beide uitingen te sterk beklemtoond.
Historisch lijkt de stelling onontkoombaar, dat het theologische anti-judaïsme de voorwaarden geschapen heeft voor verschillende vormen van racistisch antisemitisme, niet alleen in de 19e en 20e eeuw maar ook reeds in de Middeleeuwen. Dat het christendom met een beroep op teksten in het Nieuwe Testament deze voorwaarden gecreëerd heeft, valt op geen enkele wijze historisch of theologisch te verontschuldigen. De grote vraag dient te zijn, of en hoe het christendom zich van deze afschuwelijke erfenis kan bevrijden. Uit deze vraag vloeien vele andere vragen voort: Is het eventueel mogelijk de omstreden teksten te isoleren en zelfs te verwijderen uit het geheel van het Nieuwe Testament? Of is de antisemitische uitwerking van de teksten niet zozeer een kwestie van de teksten zelf als wel een kwestie van de 'boosheid' van het menselijk hart, dat telkens weer van deze teksten misbruik maakt? Of kunnen deze teksten misschien door nieuwere exegetische methoden zo uitgelegd worden, dat het venijn er uit wordt weggenomen? Of moeten de bewuste teksten in de context van onze tijd na Auschwitz wellicht totaal anders geïnterpreteerd worden? Of is het helemaal niet mogelijk om een aantal teksten te isoleren van de rest van het Nieuwe Testament en moet geconstateerd worden, dat de bron zelf vergiftigd is?
Ontsnappingswegen
De veronderstelling dat er een oorzakelijk verband zou kunnen zijn tussen jodenhaat en een aantal nieuwtestamentische teksten, is in kerk en theologie door velen als een ernstige aanklacht ervaren. Dit heeft tot een explosie van studies geleid die vaak een sterk apologetisch karakter hebben. Er zijn vele pogingen in het werk gesteld om de aanklachten weg te nemen. Het feit kan echter niet ontkend worden, dat in de loop van de kerkgeschiedenis uitingen van antisemitisme talloze malen zijn gestaafd met teksten uit het Nieuwe Testament. Exegetische studies mogen daarom niet als ontsnappingswegen dienen om de ernst van deze zaak onder ogen te zien. Wellicht kunnen deze studies de ingewikkelde materie nuanceren of misschien de aanklacht relativeren. Maar wetenschappelijke studies blijven onder de maat, wanneer de verborgen agenda is om bij voorbaat elk verband tussen jodenhaat en nieuwtestamentische teksten te ontkennen of te verontschuldigen. Het is mogelijk enkele duidelijke tendensen aan te wijzen in de grote hoeveelheid literatuur over dit thema.[3] Soms komen verschillende benaderingswijzen en tendensen voor in één en dezelfde studie. Hieronder volgt een poging tot opsomming en tegelijk onderscheiding:
a. Ontkenning
Er zou in het Nieuwe Testament op geen enkele wijze sprake zijn van anti-judaïstische tendensen. Zelden wordt ontkend dat teksten in latere tijd gebruikt zijn om antisemitisme te onderbouwen of aan te wakkeren. Maar wel wordt ontkend, dat de teksten zelf daartoe aanleiding zouden hebben gegeven. Bij deze opvatting wordt het latere gebruik van de teksten voor antisemitische doeleinden als puur misbruik gebrandmerkt. Daarmee is het Nieuwe Testament zelf veilig en buiten schot gesteld, maar worden tegelijkertijd vele latere uitleggers, zoals kerkvaders, reformatoren, dogmatici en predikers, in de beklaagdenbank gezet. Protestantse onderzoekers hebben hier minder moeite mee dan rooms-katholieke. Aan hedendaagse exegeten, die anti-judaïsme in de nieuwtestamentische teksten zelf menen te moeten aanwijzen, wordt dan verweten dat zij op onwetenschappelijke gronden het latere misbruik terugprojecteren in het Nieuwe Testament.
b. Antisemitisme in de Oudheid
Het nieuwtestamentische anti-judaïsme zou beslissend beïnvloed zijn door het heidense antisemitisme, dat veelvuldig voorkwam in de Grieks-Romeinse wereld van de Oudheid.[4] Aan het adres van de joden werden in de Oudheid met name de volgende verwijten gemaakt: ze zouden goddelozen zijn, omdat ze geen afbeeldingen van hun godheid bezaten; ze zouden mensenhaters zijn, omdat ze zich door hun voedselvoorschriften en verbod van gemengde huwelijken afscheidden van anderen; ze zouden lui zijn vanwege hun gebod van de sabbatsrust; en ze zouden hun lichaam verminken door de besnijdenis. Daarnaast werden nog merkwaardige gruwelverhalen opgedist, zoals over het door joden vereren van een ezelskop in de tempel en over een jaarlijkse door hen uitgevoerde rituele moord op Grieken. Het Nieuwe Testament zou slechts op milde wijze dit virulente heidense antisemitisme weerspiegelen. Rond het begin van de jaartelling had het hellenistische jodendom echter ook een grote uitstraling en oefende tot in de hoogste kringen een sterke aantrekkingskracht uit op vele niet-joden. In diverse Griekse en Romeinse bronnen wordt met sympathie en hoogachting over joden en jodendom geschreven.[5] Er is in de Grieks-Romeinse Oudheid geen sprake van een bijzondere haat tegen joden, wel van algemene vooroordelen tegen alle 'barbaarse' volken. Het christelijke anti-judaïsme kan dan ook niet op apologetische gronden herleid worden tot het heidense antisemitisme. Hoewel ongetwijfeld elementen overgenomen zijn, voegde de christelijke jodenhaat een principieel religieus element toe aan het bestaande antisemitische arsenaal.
c. Teksten tegenover teksten
'Negatieve' teksten in het Nieuwe Testament over joden en jodendom zouden weerlegd en weersproken kunnen worden door 'positieve' teksten, soms zelfs bij dezelfde auteurs. Ongetwijfeld weerspiegelt zich ook reeds in het Nieuwe Testament de ambivalente houding, die zo kenmerkend is in de christelijke houding jegens joden en jodendom. Er is enerzijds het bewustzijn aanwezig dat het heil via het joodse volk tot de heidenen gekomen is, er is anderzijds de overtuiging dat de joden hardnekkig en ongehoorzaam zijn, omdat ze in grote meerderheid dit heil in Jezus Christus hebben afgewezen. Overal in het Nieuwe Testament is deze ambivalentie terug te vinden. De evangelist Matteüs kan in dit verband geciteerd worden. Aan de ene kant heeft hij woorden bewaard over de exclusieve opdracht van de apostelen jegens de 'verloren schapen van het huis Israëls' (Mat. 10:6, 15:24), aan de andere kant spreekt hij in zeer venijnige bewoordingen over de Farizeeën (Mat. 23) en laat hij de joden een 'vloekroep' uitschreeuwen vóór het gerechtsgebouw van Pilatus (Mat. 27:25). In het evangelie van Johannes komt de ambivalentie het scherpst tot uiting. Vele malen worden 'de joden' in het meervoud genoemd en meestal in een uitgesproken negatieve context. Toch wordt ook het woord in Joh. 4:22 overgeleverd: "Het heil is uit de joden". Daarnaast kunnen echter vele andere teksten geciteerd worden, waarvan wellicht de meest beruchte aan het adres van de joden luidt: "Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen" (Joh. 8:44). Het is onjuist om door het verwijzen naar teksten, die verwantschap weerspiegelen, andere teksten buiten werking te willen stellen die vervreemding en zelfs vijandschap onder woorden brengen.
d. Intern-joodse polemiek
In het Nieuwe Testament zou in de negatieve teksten over joden en jodendom slechts sprake zijn van intern-joodse polemiek.[6] Ongetwijfeld vond een dergelijke polemiek in de eerste eeuw veelvuldig plaats. De profeten van het Oude Testament konden al fel tekeer gaan tegen hun volksgenoten. En in de tijd van Jezus stonden verscheidene joodse groeperingen scherp tegenover elkaar. Pas na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70 ontwikkelden de Farizeeën, later de rabbijnen, zich tot de leidende groep, die het volk door de crisis heen voerde. Maar vóór deze verwoesting stonden Sadduceeën, Farizeeën, Zeloten, Essenen en anderen naast en tegenover elkaar. Zij maakten elkaar vaak felle verwijten, die niet onderdeden voor de felheid van de 'anti-joodse' bewoordingen, die in het Nieuwe Testament te vinden zijn. Ook de Qumran-gemeenschap maakte buitenstaanders uit voor 'zonen van de duisternis' en 'zonen van de duivel'. De 'Jezus-groepering' maakte aanvankelijk deel uit van het pluriforme jodendom van de eerste eeuw. Juist het feit dat Jezus zo dicht bij de beweging van de Farizeeën stond, was de oorzaak van polemiek, wrijving en aanklachten. Na het jaar 70 kreeg deze overgeleverde polemiek aan het adres van de Farizeeën een scherpere lading, omdat deze toen de leidende groepering waren geworden en 'de kerk uit de joden' zich door hen in de verdediging gedrongen voelde. Het aandacht vragen voor deze historische omstandigheden is van belang en werpt stellig een verhelderend licht op de teksten. Het wijzen op deze samenhangen kan het anti-joodse karakter van een aantal nieuwtestamentische teksten wellicht historisch relativeren maar niet opheffen. Een volstrekte historisering van deze teksten verwaarloost het gegeven, dat deze theologisch gezaghebbend zijn geworden. Negatieve oordelen over de joden worden bijvoorbeeld in de evangeliën in de mond van Jezus gelegd en krijgen daardoor een absoluut gezag.
e. Neerslag van sociale conflicten
In aansluiting aan het in het voorgaande punt genoemde wordt door sommige auteurs de oorzaak van het anti-judaïsme in het christendom vrijwel uitsluitend gezocht in de sociale groepsconflicten in de eerste eeuwen. Na de joodse opstanden herstelde het jodendom onder leiding van de Farizeeën, later de rabbijnen, zich van de schok van de ondergang van de tempel en grensde zich op zoek naar nieuwe vitaliteit af tegenover andersdenkenden. De jonge kerk, waarin langzamerhand heidenchristenen de meerderheid gingen vormen, zag zich genoodzaakt polemisch en apologetisch op deze nieuwe vitaliteit te reageren. Joden en christenen zouden in de tweede en derde eeuw in grote rivaliteit op zoek geweest zijn naar nieuwe bekeerlingen en daarbij gebruik gemaakt hebben van een steeds scherpere polemiek tegenover elkaar. Baanbrekend voor deze visie op het gebeuren in de eerste eeuwen was de studie van Marcel Simon, Verus Israel,[7] die tegenover dogmatische uiteenzettingen die vaak de theologische superioriteit van het christendom beklemtoonden, alle nadruk wilde leggen op sociale factoren, zoals rivaliteit en groepsbelangen, in een verklaring voor het virulente anti-judaïsme van de kerkvaders. De 'conflict-theorie' die onder velen school gemaakt heeft, legt een te zwaar accent op de sociale factoren ter verklaring van de christelijke afkeer van joden in de eerste eeuwen en onderschat daardoor de kracht van het theologische anti-judaïsme, dat in alle eeuwen gevoed werd door een beroep op een aantal nieuwtestamentische teksten.[8]
f. Joden als representanten
In verschillende studies wordt verdedigd, dat de aanduidingen 'de Farizeeën' en 'de joden' in de evangeliën niet zozeer concreet-historisch gelezen moeten worden als wel symbolisch-representatief opgevat dienen te worden.[9] De joden in het algemeen en de Farizeeën in het bijzonder worden dan getekend als dé prototypen van alle weerstand tegen het evangelie. Op deze wijze kunnen zij als een soort illustratie-model fungeren voor alle ongehoorzaamheid binnen de christelijke gemeente. Die rol hebben 'de Farizeeën' en 'de joden' steeds weer toegeschoven gekregen in de christelijke catechese en verkondiging.
Een bijzonder exegetisch probleem vormt de 71x in het evangelie van Johannes voorkomende aanduiding 'de joden', op een enkele uitzondering na meestal in een zeer vijandige context. Op verschillende wijzen is getracht om aan de klaarblijkelijkheid van anti-judaïsme in deze uitdrukking te ontkomen. Zo is er op gewezen, dat met de aanduiding 'de joden' voornamelijk gedoeld zou worden op de geestelijke leiders die Jezus vijandig gezind waren. Er is ook betoogd, dat 'de joden' in Johannes getekend worden als de vertegenwoordigers van de ongelovige wereld, die in duisternis verkeert en de van God gezonden verlosser afwijst. Verder zijn er pogingen in het werk gesteld om de Griekse aanduiding hoi Ioudaioi te vertalen met 'de Judeeërs' in tegenstelling tot de groep van de Galileeërs, waardoor de negatieve verwijzing naar het joodse volk geheel zou komen te vervallen. Deze 'oplossing' voert echter tot absurde vertalingen als 'het reinigingsritueel van de Judeeërs' (2:6) en 'Loofhutten, het feest van de Judeeërs' (7:2). Het lijkt het meest waarschijnlijk, dat de scherpe uitspraken over 'de joden' op twee niveau's gelezen moeten worden, op het niveau van de tijd van Jezus én op het niveau van de tijd van de evangelist, toen de tegenstellingen tussen de christelijke gemeente en 'de joden' scherper en dieper geworden waren. Dit inzicht kan het anti-judaïsme van de teksten wellicht relativeren maar niet wegnemen, laat staan ter verontschuldiging dienen voor de anti-joodse uitwerking van deze teksten.
g. Sublimering
Soms is getracht de scherpte van 'anti-joodse' uitdrukkingen weg te nemen door aan een tekst een stichtelijke wending aan te geven. Zo is er in verband met de beruchte tekst Mat. 27:25 "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen" op gewezen, dat het Nieuwe Testament steeds spreekt over het verlossende bloed van Jezus. Het verzamelde volk vóór het gerechtsgebouw van Pilatus zou in een soort onbewuste profetische uitroep, vergelijkbaar met de onbewust uitgesproken 'profetie' van Kajafas in Joh. 11:49-52, het verlossende bloed van Jezus hebben afgesmeekt over zichzelf en zijn nakomelingen.[10] Op deze wijze wordt de onheilspellende betekenis van de uitroep gesublimeerd en wordt de beruchte tekst bevrijd van de verdenking van anti-judaïsme. Deze uitweg gaat niet alleen tegen de oorspronkelijke bedoeling van de tekst in, maar verwaarloost ook negentien eeuwen uitleg-traditie, waarin deze tekst zijn anti-joodse sporen heeft getrokken in de kerk én in de geschiedenis van het joodse volk.
Ambivalentie
Ontsnappingswegen zijn doodlopende wegen. De nuanceringen en relativeringen krijgen het karakter van verontschuldingen en nemen daardoor de aanklacht van anti-judaïsme niet weg, maar verscherpen die veeleer. Het nieuwtestamentische anti-judaïsme is de keerzijde van een diepe verwantschap met het jodendom en van een hechte verbinding met het joodse volk. Enerzijds wordt in het evangelie van Johannes betuigd "Het heil is uit de joden" (Joh. 4:22), anderzijds wordt aan de collectieve groep van 'de joden' toegeschreven, dat zij Jezus voortdurend naar het leven staan.[11] In één en dezelfde tekst van Paulus kunnen joden zelfs zowel "vijanden om uwentwil" heten als "geliefden om der vaderen wil" (Rom. 11:28). De ambivalentie van het christendom ten opzichte van het jodendom is onlosmakelijk verbonden met de oorsprongsgeschiedenis van de christelijke gemeente. Christenen ervaren in hun identiteit zowel verwantschap als verschillen met het jodendom. In vele eeuwen is de verwantschap onderdrukt of zelfs ontkend, terwijl de verschillen breed zijn uitgemeten. Uit reactie op deze ontwikkeling valt in onze tijd soms het tegenovergestelde te constateren: De verwantschap wordt zeer sterk benadrukt, terwijl de verschillen naar de achtergrond worden gedrongen. De grote uitdaging ligt echter in het bezig zijn met de vraag, of kerk en theologie na Auschwitz in staat zullen zijn de ambivalentie te overwinnen, die vaak eenzijdig is omgeslagen in jodenhaat, en of christenen kunnen leren leven met de dualiteit van verwantschap en verschil.
Het is geen uitweg om de omstreden teksten eenvoudigweg uit het Nieuwe Testament te schrappen. Het zou trouwens niet alleen om enkele teksten gaan maar ook om hele gedeelten, wanneer men alle sporen van anti-judaïsme zou willen uitbannen. Formeel en officieel zou geen enkele theologische of kerkelijke autoriteit tot een dergelijke rigoreuze stap bevoegd zijn. Geen enkele religie gaat overigens op deze wijze met haar heilige geschriften om. Marcion die in de 2e eeuw heeft getracht alles in de bijbel te schrappen wat aan Israël herinnerde, staat als ketter te boek. Er zijn andere, meer begaanbare wegen om de ambivalentie in het christendom te overwinnen en anti-judaïsme tegen te gaan. Die wegen zijn vooral exegetisch en hermeneutisch van aard.
Uitwerking
Naast exegese is het noodzakelijk onderzoek te verrichten naar wat er in de loop van de tijd met de teksten gedaan is, dat wil zeggen naar de geschiedenis van de tekstuitleg (Auslegungsgeschichte) en naar de praktische uitwerking van de teksten (Wirkungsgeschichte). De teksten zijn namelijk een eigen leven gaan leiden in de geschiedenis van de kerk. Ongetwijfeld zijn vele teksten te herleiden tot momenten in het pijnlijke proces van de scheiding der wegen tussen joden en christenen, maar ze werden een onlosmakelijk onderdeel van het oorsprongsverhaal van het christendom. De afwijzing van Jezus door de meerderheid van het joodse volk zou het geboortetrauma van het christendom genoemd kunnen worden. Dit trauma is op vele plaatsen in het Nieuwe Testament terug te vinden en is niet alleen geïsoleerd waar te nemen in enkele afzonderlijke teksten. De christelijk-joodse minderheid moest na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 haar identiteit vaststellen tegenover de meerderheid van het jodendom. In deze intern-joodse polemiek werden aan het einde van de eerste eeuw harde noten gekraakt. Toen het christendom zich ontwikkelde tot een voornamelijk heidenchristelijke kerk, werd deze intern-joodse kritiek gelezen als 'anti-judaïsme' en ging deze deel uitmaken van de canon van het Nieuwe Testament.[12] De kerkvaders voelden zich genoodzaakt de superioriteit van het christendom te bewijzen tegenover het jodendom. Er moesten verklaringen aangevoerd worden voor het joodse ongeloof ten aanzien van Jezus. De drie argumenten die in de loop van de tijd het meest gebruikt werden, waren de volgende: 1. De joden waren verblind voor de klaarblijkelijke bedoeling van hun eigen heilige Schriften. 2. De joden waren schuldig aan de dood van Jezus en moesten daarom als godsmoordenaars beschouwd worden. 3. Historische gebeurtenissen zoals de ondergang van de tempel en de daarop volgende verstrooiing van de joden vormden het bewijs van de goddelijke straf voor het ongelovige joodse volk. Om deze argumenten kracht bij te zetten, werd steeds weer een beroep gedaan op teksten in het Nieuwe Testament. Zo hebben deze teksten mede aanleiding gegeven tot een geschiedenis van jodenhaat. Er is daarom meer dan exegese nodig om de anti-joodse uitwerking van de teksten te ontdekken en te bestrijden.
Onuitroeibaar?
We moeten terugkomen op de vraag, die aan het begin van dit hoofdstuk werd gesteld: Is de jodenhaat onuitroeibaar in het christendom, omdat de afkeer van joden en jodendom zijn oorsprong heeft in het Nieuwe Testament zelf? Het is onmogelijk deze vraag eenduidig te beantwoorden. Wat de joodse geleerde David Flusser in 1976 schreef, is nog steeds relevant:
"Het gehele beeld is weinig opwekkend. Misschien is ooit een zekere spanning tussen het christendom en het jodendom historisch noodzakelijk geweest voor de ontwikkeling van het christendom als een zelfstandige, van het jodendom onafhankelijke en verschillende godsdienst. Vandaag kunnen we - helaas te laat - deze hulpconstructie gerust verwijderen. De christelijke neiging tot anti-judaïsme kan evenwel alleen worden overwonnen, wanneer men de koortshaard verwijdert. Verontschuldigende uitvluchten kunnen daarbij niet helpen. Men dient in te zien dat het christelijke anti-judaïsme geen toevallige ontsporing is geweest. Het anti-judaïsme heeft aan de wieg van het christendom gestaan."[13]
Er is nog een lange weg te gaan voordat het anti-judaïsme in kerk en theologie, niet alleen aan de oppervlakte maar ook in de diepte van het onderbewuste van de christenheid, met wortel en tak uitgeroeid zal zijn. Inmiddels rust er geen taboe meer op het thema 'anti-judaïsme in het Nieuwe Testament' en zijn apologetische studies minder talrijk geworden. Volgens sommigen heeft dit thema echter zijn relevantie verloren, omdat in een tijd van voortschrijdende secularisatie en van vermindering van de maatschappelijke invloed van de kerk er niet of nauwelijks meer een beroep zou worden gedaan op nieuwtestamentische teksten om antisemitisme te legitimeren. Maar de oude religieuze vooroordelen, die zich in het onderbewuste van de Westerse beschaving hebben genesteld, kunnen ook in geseculariseerde vorm naar de oppervlakte komen en opnieuw tot uitbarstingen van jodenhaat leiden. Overigens vervalt de opdracht van de christelijke gemeente om anti-judaïsme in welke vorm dan ook te bestrijden niet met het verdwijnen van haar maatschappelijke invloed. In hoeverre er nog steeds in onze tijd een verbinding bestaat tussen christelijk geloof en antisemitisme is moeilijk concreet vast te stellen. In een recente sociaal-wetenschappelijke studie naar deze verbinding in de Nederlandse situatie is weliswaar aangetoond, dat er nog steeds een zekere samenhang bestaat, maar in de conclusies worden vele reserves ingebouwd.[14] Toch is het ernstig genoeg, wanneer het in wetenschappelijk onderzoek meetbaar is, dat kerkgang en kerkgenootschap indirect via christelijke gelovigheid van invloed zijn op antisemitisme. Hoe voorzichtig ook geformuleerd, toch is de volgende conclusie schokkend:
"Naarmate men vaker naar de kerk gaat, is men geloviger en dientengevolge ook sterker religieus en seculier antisemitisch."[15]
Richtingwijzers
As er nog een lange weg te gaan is, dan is het van belang om enkele richtingwijzers voor deze weg te geven. Daarbij mogen de volgende niet ontbreken:
a. Verdere exegetische studies zijn nodig. Het is van groot belang in verband met de ernst van de aanklachten aan het adres van het Nieuwe Testament om nuanceringen aan te brengen en aandacht te vragen voor de context van die tijd. Deze nuanceringen, waarvan de meest gangbare hierboven zijn opgesomd, mogen echter niet leiden tot apologetische stellingnames en het ontduiken van het probleem van het anti-judaïsme in het Nieuwe Testament.
b. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen het historisch en het liturgisch lezen van de bijbel.[16] In de kring van de gemeente komen de Schriften tot leven in de voortgaande en weerkerende lezing in de liturgie. Teksten kunnen hierbij niet omgebogen of zelfs geschrapt worden. In deze meerstemmige lezing van de Schriften behoeven verschillen en tegenstellingen niet ontkend en vermeden te worden. Daarnaast is er alle ruimte voor het historisch-kritisch bestuderen van de bijbel. Beide manieren van lezen kunnen elkaar wederkerig beïnvloeden. Door de historisch-kritische lezing van het evangelie van Johannes zullen er bijvoorbeeld verklarende opmerkingen geplaatst moeten worden bij de liturgische lezing van dat evangelie, waarbij 'de joden' telkens weer collectief in een negatieve context genoemd worden.
c. Het is een omstreden thema, of theologisch-zakelijke kritiek geoorloofd en nuttig is ten aanzien van een aantal nieuwtestamentische teksten, die eeuwenlang brandstof geleverd hebben voor het vuur van het antisemitisme. Tegenstanders verwerpen deze vorm van Schriftkritiek of theologische Sachkritik, omdat deze het einde zou betekenen van pogingen om een tekst op een totaal andere en nieuwe manier te verstaan en daarmee een bepaalde traditionele exegese zou verabsoluteerd worden, verder omdat op deze wijze de tekst ten onrechte opgesloten zou worden in de ontstaansperiode van de tekst, en tenslotte omdat er in deze zienswijze al te naïef van uitgegaan wordt dat de voortgaande anti-joodse uitwerking van de tekst door deze Sachkritik opgeheven zou worden.[17] Voorstanders verdedigen de onvermijdelijkheid van deze Sachkritik in de omgang met het nieuwtestamentische anti-judaïsme.[18] Bepaalde teksten kunnen weliswaar niet geschrapt worden maar zouden wel hun theologische geldigheid moeten verliezen. Zo kan tegenover de uitspraak dat 'de joden' niet in de ware God geloven en de duivel tot vader hebben, gesteld worden dat de hele bijbel uitgaat van de overtuiging dat het joodse volk authentieke geloofservaringen kent met God. En tegenover de tendens van de evangelist in Mat. 27:25 kan gesteld worden, dat deze in strijd is met de ook in datzelfde evangelie voorkomende oproep tot liefde voor de vijand.[19] De discussie over deze thematiek zal ongetwijfeld doorgaan, maar theologisch-zakelijke kritiek mag mijns inziens niet bij voorbaat uitgesloten worden.
d. Wanneer het thema joden en jodendom aan de orde komt in catechese en verkondiging zullen doorlopend hermeneutische keuzen gemaakt moeten worden. Deze keuzen doen zich ook voor bij alle andere hedendaagse thema's, zoals bijvoorbeeld de positie van de vrouw. Telkens weer dient de volgende vraag gesteld te worden: Bij welke bijbelgedeelten en teksten moet aangesloten worden in het kerkelijk onderricht over het joodse volk? Het is ook van belang om christologische accenten naar voren te halen die op de achtergrond geraakt zijn, zoals die van Luc. 2:32, waarin Jezus bezongen wordt als 'licht tot openbaring voor de heidenen' en als 'heerlijkheid voor uw volk Israël'.[20]
e. Het spreekt eigenlijk vanzelf, dat er voor prediking en onderricht over het thema joden en jodendom dringend pedagogische en didactische ondersteuning noodzakelijk is. Het gaat met name in het godsdienstig onderricht niet alleen om de uitleg van teksten, maar vooral om het overdragen van andere beelden over bijvoorbeeld Farizeeën in het evangelie en over joden in het hedendaagse Israël. Er is veel goede literatuur op dit gebied.[21] Het toerusten van de toerusters is van het grootste belang, omdat overdracht over joden en jodendom niet alleen een zaak is van woorden maar vooral van attitude.
f. Wellicht is de belangrijkste uitdaging voor kerken en christenen om op weg te gaan naar een nieuwe praxis in de omgang met joden in het algemeen en in de joods-christelijke dialoog in het bijzonder. Deze nieuwe praxis van een levende ontmoeting met joden zal veel te denken geven aan de christelijke theologie en nieuwe wegen wijzen ten aanzien van oude en nieuwe vragen.
Abstract:
Anti-Judaism in the New Testament:
Escape-routes as dead ends
1. It is important to define clearly the concepts of anti-Judaism and antisemitism. These definitions are, however, never 'objective' and betray the standpoint of the scholar.
2. The effective history (Wirkungsgeschichte) of the Fourth Gospel is inseparable from the long history of Christian antisemitism.
3. Historical-critical exegesis of the Gospel of John is necessary but ineffective to change the anti-Jewish impact of this Gospel in Christian tradition.
4. There is a long practice in church and theology of using 'escape-mechanisms' in countering the for many Christians threatening accusation of anti-Judaism in the Fourth Gospel:
a. by denying any anti-Judaism on the basis of the dogma of the divine inspiration of the Bible;
b. by refering to the common phenomenon of antisemitism in Antiquity and emphasizing the continuity with Christian antisemitism;
c. by pointing to 'pro-Jewish' passages and expressions in the New Testament and the Gospel of John;
d. by attributing this phenomenon to internal-Jewish conflicts in the first century;
e. by ascribing it to social conflicts between the Jewish and Christian communities;
f. by making 'the Jews' (hoi Ioudaioi) in the Gospel of John representatives of other groups;
f. by harmonizing and spiritualizing the 'anti-Jewish' texts.
5. Sachkritik is unavoidable to fight effectively the Wirkungsgeschichte of anti-Jewish passages in the Fourth Gospel.
6. Jews and Christians can cooperate in study and dialogue on all the texts of the first centuries, also on the Fourth Gospel. But interpreting Christian Holy Scripture in such a way that Christian education will be free of all kind of anti-Judaism, is a challenge for the Church and for Christians.
Simon Schoon
[1] Zo bijvoorbeeld K.A.D. Smelik, Anti-judaïsme en de kerk. Een verkenning, Baarn 1993, 65-97. Daartegenover: C.W. Mönnich, 'Religieuze en theologische aspecten van het antisemitisme', in: R.W. Munk (red.), Wat is antisemitisme? Een benadering vanuit vier disciplines, Kampen 1991, 75.
[2] Eén van de eersten was Bernard Lazare, L'antisémitisme: son histoire et ses causes, Paris 1893.
[3] Enkele worden opgesomd in: G. Theissen, 'Aporien im Umgang mit den Antijudaismen des Neuen Testaments', in: E. Blum u.a. (Hg.), Die Hebräische Bibel und ihre zweifache Nachgeschichte, FS für Rolf Rendtorff, Neukirchen-Vluyn 1990, 535-554.
[4] Zo bijvoorbeeld F. Lovsky, Antisémitisme et mystère d'Israël, Paris 1955, 139-160.
[5] Vgl. G.I. Langmuir, History, Religion and Antisemitism, London/New York 1990,18-41; M.Stern, 'The Jews in Greek and Latin Literature', in: S. Safrai, M. Stern (eds.), The Jewish People in the First Century, Vol.Two, Assen/Amsterdam 1976, 1101-1159.
[6] Bijv. E. Schillebeeckx, Mensen als verhaal van God, Baarn 1989, 166-173.
[7] M. Simon, Verus Israel. Etude sur les Relations entre Chrétiens et Juifs dans l'Empire Romain, Paris 19642.
[8] Vgl. M.S. Taylor, Anti-Judaism and Early Christian Identity. A Critique of the Scholarly Consensus, Leiden/New York/Köln 1995.
[9] Zie bijvoorbeeld over 'de joden' in het evangelie van Johannes: J. Beutler, 'Die "Juden" und der Tod Jesu im Johannesevangelium', in: H.H. Henrix, M. Stöhr (Hg.), Exodus und Kreuz im ökumenischen Dialog zwischen Juden und Christen, Aachen 1978, 75-93.
[10] Zo F. Mussner, Traktat über die Juden, München 1979, 309-310; E. Schweizer, Das Evangelium nach Matthäus, Göttingen 1973, 333.
[11] Zie over anti-judaïsme en het evangelie van Johannes: H. Jansen, 'Anti-Semitic Potential in het Evangelie van Johannes', in: D. van Arkel e.a., Veertig jaar na '45. Visies op het hedendaagse antisemitisme, Amsterdam 1985, 75-116. Vgl. ook een joodse stem: M. Brumlik, 'Johannes: Das judenfeindliche Evangelium', Kirche und Israel 4 (1989), 102-113; en de respons van een nieuwtestamenticus: E. Stegemann, 'Die Tragödie der Nähe. Zu den judenfeindlichen Aussagen des Johannesevangeliums', Kirche und Israel 4 (1989), 114-122.
[12] Vgl. G.I .Langmuir, History, Religion and Antisemitism, London/New York 1990, 275-305.
[13] D. Flusser, Jezus, Haarlem 19793, 165-166.
[14] R.P. Koning, Christelijke religie en antisemitisme in Nederland 1990. Een sociaal-wetenschappelijk onderzoek (diss.), Kampen 1997.
[15] Koning, 126.
[16] P.J. Tomson, 'Als dit uit de Hemel is...'. Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom, Hilversum 1997, 9-10, 375-382.
[17] Zo bijv. F.-W. Marquardt, Von Elend und Heimsuchung der Theologie. Prologomena zur Dogmatik, München 1988, 88-91.
[18] Bijvoorbeeld G. Theissen, 'Aporien im Umgang mit den Antijudaismen des Neuen Testaments', in: E. Blum u.a. (Hg.), Die Hebräische Bibel und ihre zweifache Nachgeschichte, Neukirchen-Vluyn 1990, 550-553.
[19] Vgl. S. Schoon, "Zijn bloed over ons en onze kinderen". Een tekst en zijn uitwerking, Verkenning en Bezinning, Kampen 19863.
[20] Vgl. voor een theologische verwerking van de consequenties van deze lucaanse christologie: S. Schoon, De weg van Jezus. Een christologische heroriëntatie vanuit de joods-christelijke ontmoeting, Kampen 1991, 192-226.
[21] J.J. de Lange e.a., Jodendom in de godsdienstige vorming, Ojec-serie 6, Kampen 1988; G. Biemer, Freiburger Leitlinien zum Lernprozess Christen Juden. Theologische und didaktische Grundlegung, Düsseldorf 1981.
