HOE UNIEK IS HET CHRISTENDOM?

Dialoog met het jodendom

Natuurlijk is het christendom uniek, even uniek als het jodendom, de islam, het boedhisme, enz. Niemand is gebaat bij het totstandbrengen van een universalistische en syncretistische saus, waarbij alle godsdiensten in een mengvat worden gestopt. We mogen het verschillend zijn van de godsdiensten vieren als een rijke verscheidenheid. Het bijzondere van de godsdienst staat niet tegenover het algemene en universele. De particulariteit van bijvoorbeeld het jodendom en christendom heft hun universaliteit niet op. Integendeel, de particulariteit maakt de universaliteit pas echt mogelijk. Niet het uniek-zijn van het christendom is problematisch. Het kwaad schuilt in een onverdraagzaam absolutisme, waarbij de ander niet anders mag zijn. Wanneer bijvoorbeeld getracht wordt de unieke weg van het jodendom via jodenzending op te laten gaan in de zogenaamde universaliteit van de christelijke kerk. Hopelijk ligt die periode voorgoed achter ons. Maar misschien is de wens hierbij de vader van de gedachte. De concrete realiteit van godsdienstig absolutisme en fanatisme is soms om te wanhopen.

In deze lezing wil ik proberen iets zeggen over de verhouding tussen joden en christenen en formeler over de verhouding tussen het joodse volk en de kerk. Die relatie is van unieke aard. Het is onjuist om die bijzondere relatie onder te brengen bij de algemene categorie van de dialoog met andere religies. Er moet niet gedacht worden vanuit het algemene naar het bijzondere maar vanuit het bijzondere naar het algemene. De ervaringen van het bijzondere gesprek met Israël zijn van groot belang voor de dialoog van christenen met aanhangers van andere religies. De kerk is historisch en theologisch op een bijzondere wijze aan Israël verbonden. Deze unieke relatie is bepalend voor de aard, de vorm en de inhoud van het joods-christelijk gesprek. Eeuwenlang heeft de kerk deze bijzondere verbondenheid met het joodse volk ontkend en verloochend. Het is onmogelijk om in de 20e eeuw met een beroep op de situatie in de 1e eeuw de draad weer op te nemen alsof er in die tussentijd niets gebeurd is. Eeuwen christelijk antisemitisme liggen ertussen. Nooit meer kunnen kerk en theologie terug achter Auschwitz. Soms wordt in evangelische kringen gezegd - met een beroep op de apostel Paulus - , dat de kerk geroepen is om het joodse volk `tot jaloersheid te verwekken'. Maar deze benadering kan niet losgemaakt worden van de context van de eerste eeuw. Zonder schuldbelijdenis van de kerk tegenover het joodse volk is er geen vernieuwing van de joods-christelijke relatie mogelijk. Zonder radicale omkeer aan christelijke zijde is een diepgaande ontmoeting tussen joden en christenen ondenkbaar.

In dit kader kunnen slechts enkele opmerkingen gemaakt worden over de relatie tussen de kerk en het joodse volk. Christenen die de waarde van het joods-christelijk gesprek ontdekt hebben, willen dit gesprek graag voeren vanuit een bijzondere theologische verbondenheid met het joodse volk. Zij zien Jezus als degene die de kerk verbindt met Israël. Jezus is in hun visie de representant van Israël die tot een `licht voor de volken' geworden is. Joden zien deze ontwikkeling en daarom ook de verhouding tussen joden en christenen veel meer in historisch dan in theologisch perspectief. Het effect van deze
historische ontwikkeling is namelijk catastrofaal geweest voor het joodse
volk. Niets dan rampen zijn er door over het joods evolk gekomen. Daarom wordt het christendom door vele joden niet als een verwante godsdienst of als een dochterreligie beschouwd, waarmee een speciale band onderhouden dient te worden. Het christendom wordt veeleer gezien als een nieuwe religie, die totaal van haar oorsprong vervreemd is geraakt en die zich fel heeft gekeerd tegen het joodse volk. Jezus wordt over het algemeen door joden niet als een verbindende persoon gezien maar als iemand die scheiding heeft gebracht. De motieven van christenen om zich in te spannen voor een vernieuwd gesprek met joden worden vaak gewantrouwd. Men ontdekt soms een subtiele vorm van jodenzending achter het streven naar de dialoog. Of men bespeurt dat de gretigheid waarmee christenen de dialoog zoeken, slechts wordt ingegeven door de wens om in de ontmoeting met het jodendom de eigen identiteitscrisis te overwinnen. De verhouding tussen joden en christenen is volstrekt asymmetrisch, niet alleen vanwege de getalsverhoudingen, maar veel meer vanwege de ongelijke interesse aan joodse en christelijke zijde voor de dialoog. Christenen menen joden nodig te hebben om theologisch hun identiteit te kunnen bepalen. Joden menen christenen in het geheel niet nodig te hebben om hun identiteit te beleven. Slechts een kleine groep joden heeft belangstelling voor de joods-christelijke ontmoeting, over het algemeen niet vanuit een theologische motivatie, maar op historische, sociale en politieke gronden.

Hoewel christenen in de praktijk van de ontmoeting hun uitgangspunt dienen te nemen in de historisch gegroeide situatie, zullen zij toch vanuit hun eigen identiteit de joods-christelijke relatie ook in theologisch perspectief blijven zien. Door hun geloof in Jezus Christus zijn ze enerzijds van het joodse volk gescheiden. Maar door hun oriëntatie op de weg van de jood Jezus weten zij zich anderzijds met het joodse volk verbonden. Voor hen vertegenwoordigt Jezus Israël temidden van de volken. Pas in de laatste tientallen jaren hebben christenen ontdekt, dat de functie van Jezus als een licht voor de volken' de functie van Israël niet heeft opgeheven maar veeleer bevestigd. Christelijke theologen worstelen met de vraag hoe deze nieuwe visie op het joodse volk theologisch verantwoord moet worden. Er is voorgesteld om te spreken over twee verbonden van God, het ene gesloten met Israël, het andere met de kerk. Hoewel dit model tegemoet komt aan de moderne opvatting van religieus pluralisme, lijkt deze opvatting geen recht te doen aan het bijbelse spreken over het verbond. In de bijbel wordt het verbond beschreven als een bijzondere relatie die God is aangegaan met Israël. Steeds weer wordt dat verbond echter in de loop van de tijd vernieuwd. Door het gebeuren rond en met Jezus is het verbond zodanig vernieuwd en verbreed, dat er ruimte is gekomen voor de volken. Niet het spreken over twee verbonden verdient daarom de voorkeur maar het spreken over verschillende wegen binnen het éne verbond van God. In de opvatting van het éne verbond blijft de kerk onverbrekelijk verbonden met het joodse volk. Deze nieuwe visie wordt door vele theologen afgewezen en als `tweewegenleer' betiteld. Men is bevreesd dat de uniciteit van het geloof in Jezus Christus hierdoor wordt aangetast. Er zijn echter volop aanknopingspunten te vinden in de bijbel voor deze opvatting.

Een enkele opmerking in dit verband over Jezus en Paulus. Jezus hoopte op en werkte voor het herstel van Israël. Hij wilde de verloren schapen van het huis van Israël verzamelen (Mat.15:24). Vanuit een diepe bewogenheid en betrokkenheid weende hij over Jeruzalem. Zijn leven lang was hij die zelf op de achtste dag besneden was `een dienaar van de besnijdenis' (Rom.15:8). Hij riep Israël op om werkelijk het Israël van God te zijn. Hartstochtelijk verlangde hij naar de doorbraak van het Rijk van God in zijn volk. In de verkondiging van het evangelie voor de armen, in de genezing van zieken en de bevrijding van gebondenen zag hij de eerste tekenen van de doorbraak van het Godsrijk. Hij liet het visioen van het Rijk en het daarbij horende herstel van Israël niet los, ook toen het uiteindelijk de gang naar het kruis voor hem betekende. De vroeg-christelijke gemeente na Pasen bleef vasthouden aan de door Jezus gelegde verbinding tussen het komende Rijk en het herstel van Israël. De vraag van de leerlingen aan Jezus in het verhaal van de hemelvaart was stellig ook een brandende vraag voor de vroeg-christelijke gemeente: "Heer, herstelt gij in deze tijd het koningschap voor Israël?" (Hand.1:6). Met de spoedige parousie van Jezus verwachtte men ook het volledige herstel van Israël.

De parousie van Jezus vond niet plaats en het Rijk brak niet aan. Dit had grote gevolgen voor de houding van de kerk ten opzichte van het joodse volk. Men verwachtte niet langer in het heden de ontferming van God over Israël zoals dat nog bij Paulus het geval was (Rom.11:31). Het uitzicht op die ontferming werd in de leer en het leven van de kerk over het algemeen losgelaten of incidenteel verschoven naar het verre einde van een voortgaande, lange wereldgeschiedenis. De kerk zette zichzelf in hoogmoed als het `ware Israël' op de plaats die alleen aan Israël toekwam. Er werd door de kerk een geschiedenis geschreven van jodenhaat en jodenvervolging. Paulus zou zich in zijn graf omdraaien als hij het wist. Hij hield vast aan de bijzondere voorrechten van Israël. Dat wat met Israël gebeurt, dat is allemaal `om uwentwil' schrijft Paulus aan het adres van de heiden-christenen. Jullie staan er niet buiten. De hele gang van zaken heeft juist alles met jullie te maken. Wanneer Israël zich afkeert van het goede nieuws van de Messias en er zelfs vijandig tegenover staat, dan is dat om jullie de ruimte te geven. Dan is dat om de volken de gelegenheid te geven om binnen te stromen in Sion. Vanuit zijn eigen zendingswerk in alle uithoeken van de wereld ziet Paulus een weids perspectief. Er is een golfbeweging van heil op gang gekomen door de Geest over heel de wereld. Het is allemaal begonnen bij Abraham en bij Israël. In zijn naam zullen immers alle volken van de aarde gezegend worden. Voor Paulus is dat niet louter toekomst meer, maar hij ziet het voor zijn ogen gebeuren. Al zijn de huisgemeenten, die hij gesticht heeft in grote wereldsteden, nog zo klein, hij ziet in dat alles een grote, nieuwe beweging van heil van Godswege. Er is een geestelijke optocht naar Sion tot stand gekomen. De volken gaan delen in de geestelijke schatten van Israël. En uiteindelijk zal naar Paulus' overtuiging die golfbeweging terugkeren naar Sion. Want daar is alles begonnen en daar zal ook de voleinding moeten plaatsvinden. Jeruzalem blijft immers het centrum van de wereld. Want zegt Paulus met een citaat uit Jesaja: "De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden". Ongetwijfeld heeft Paulus dit bijbelwoord omgeduid en op de wederkomst van Christus betrokken. Voor zijn besef zou het niet lang meer duren. Want hij verwachtte in het `nu' (Rom.11: 31) Gods ontferming over Israël te zullen zien. Voor hem was Gods verbond met Israël onverbrekelijk. Mijlenver is Paulus verwijderd van de latere kerk die van mening was het verbond van Israël te hebben overgenomen. Rotsvast was hij er van overtuigd, dat God vasthield aan zijn eens gegeven woord. Eens gegeven, blijft gegeven.

Zowel door Jezus als door Paulus werd de komst van het Rijk verbonden met het uitzicht op het volledige herstel van Israël. Als de kerk zich geroepen weet te anticiperen op dit komende Rijk zal zij zich inzetten voor het bestaan en voortbestaan van het joodse volk. Daarbij hoort ook de inzet voor de veiligheid van de staat Israël, want deze staat ervaren joden als een instrument voor het herstel van het joodse volk na de Sjoa. Als joden uit heel de wereld de ervaring opdoen thuis te komen in Jeruzalem, kan dit de kerk niet onbewogen laten. Heel anders dan Israël is immers ook de gemeente op weg naar Jeruzalem. Voor de apostel Paulus was het ontstaan van een kerk uit de volken een verwerkelijking van het profetische visioen van de volkerenpelgrimage naar Sion. De hedendaagse gemeente mag zich nog steeds door dit visioen laten inspireren. Dit visioen verbindt haar op een bijzondere wijze met de verwachting van Israël. Wanneer zij spreekt of zingt over Jeruzalem, zal zij daarom niet alleen naar boven kijken, naar de hemel, of naar voren, naar de nieuwe aarde, of naar binnen, naar zichzelf als kerk, maar zij zal in het bijzonder de blik richten op de concrete stad Jeruzalem waaraan al die andere verwachtingen ontsproten zijn. En zij zal zich geroepen weten te bidden voor de vrede van Jeruzalem (Ps.122:6).

Het uitstel van de parousie heeft er toe geleid dat de kerk Israël de ruimte - geestelijk en soms ook lichamelijk - heeft ontnomen om te leven in de wereld. Het besef van het eeuwenlange uitstel van de parousie betekent voor de gemeente in onze tijd dat zij Israël - geestelijk en lichamelijk - volledig de ruimte laat om zichzelf te zijn. Zonder de geloofsbinding aan Jezus Christus heeft het joodse volk vele eeuwen geleefd in trouw aan God en zijn Tora. In een lange lijdensgeschiedenis zijn vele joden in het voetspoor getreden van hun vader Abraham die geloofde in God, "die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept" (Rom.4:17). Zij hebben vreugde aan de Tora beleefd door een permanente studie en soms door een liefde tot in de dood. In het jodendom staat het doen van de geboden voorop. De joodse filosoof Avraham Joshua Heschel drukt dat als volgt uit: "Door de extase van de daden leert de jood zeker te zijn van het hier aanwezig zijn van God. De juiste wijze van leven is de weg naar de juiste wijze van denken" (God in search of man, A philosophy of Judaism, New York 1955, p.283). Of met de woorden van de joodse filosoof Emmanuel Levinas: "Alles wat in het jodendom gezegd wordt, heeft betekenis voor de menselijke praxis" (Vier Talmoed lessen, Hilversum 1990, p.29). En enigszins polemisch: "Het zoeken van de geest voorbij de letter, dat is het jodendom zelf. Daarvoor hebben wij niet gewacht op de evangeliën" (idem, p.50).

Alleen dan wanneer christenen dit zelfbewuste jodendom respecteren en aanvaarden als weg van God met zijn volk is een dialoog mogelijk. Slechts op enkele plaatsen in de wereld is het gesprek tussen joden en christenen opgebloeid en heeft dit gesprek een bijzondere diepgang gekregen. De ontmoeting van joden en christenen wordt vertroebeld wanneer de christelijke waarheid tegenover het jodendom wordt uitgespeeld. Dat betekent niet dat de spanning in het gesprek vroegtijdig moet worden opgeheven. Joden en christenen hebben door hun verschillende tradities en ervaringen in de geschiedenis verschillende opvattingen over de waarheid ontwikkeld. Tot op de dag van de volle doorbraak van Gods Rijk op aarde zal de spanning in de joods-christelijke ontmoeting blijven bestaan. Maar die spanning behoeft geen oorzaak van verdriet te zijn maar kan een reden tot vreugde zijn. In trouw aan de éne God vieren joden en christenen hun verschillend zijn in hun huizen van gebed en studie. In de synagoge beleven joden hun trouw aan God en zijn verbond door de vreugde om de Tora. In de kerk beleven christenen hun trouw aan God en zijn verbond door hun geloof in Jezus. Historisch zijn hun wegen ver uiteen gegroeid, maar er zijn zowel joden als christenen die er op vertrouwen dat deze wegen uiteindelijk op hetzelfde doel gericht zijn, namelijk op de realisering van Gods Koninkrijk op aarde. Vanuit dat vertrouwen zouden joden en christenen hun krachten kunnen bundelen om de weg van God te bereiden in de wereld (vgl. Jes.40:3) en te streven naar een voortgaande humanisering van het leven op aarde naar Gods bedoeling en voor Gods aangezicht.

Het is misschien voorbarig om in onze tijd reeds te streven naar volledige wederkerigheid in de dialoog tussen joden en christenen. In enkele jaren kan niet hersteld worden wat in vele eeuwen is verstoord. De christelijke theologie kan die wederkerigheid voor Israël niet invullen en is ook niet bevoegd om op dit punt voor Israël oordelen te vellen. Zij kan slechts het oor te luisteren leggen en met verwondering constateren dat er ook joodse stemmen opgaan, die pleiten voor een grotere wederkerigheid in de dialoog. Deze joden reageren met vertrouwen op de veranderingen die zij bespeuren in officiële verklaringen van kerken over de relatie tot het joodse volk. Zij trachten aansluiting 0te zoeken bij gedachten van de middeleeuwse filosoof Maimonides, die het christendom evenals de islam beschouwde als een wegbereiding voor de komst van de koning messias. Soms zien ze de ruimte voor de joods-christelijke ontmoeting gegeven in de Noachietische geboden, die naar joodse opvatting de basis zouden kunnen vormen voor een rechtvaardige en menswaardige samenleving. Vermeldenswaard is de visie van de Jeruzalemse filosoof David Hartman, die een religieus pluralisme bepleit op de basis van de schepping. Hij is van mening dat er ruimte is op de basis van het geloof in de schepping voor de viering van de particulariteiten van jodendom en christendom en andere religies. Geen enkele religie kan aanspraak maken op de volledige openbaring van God. Elk universalisme voert naar zijn overtuiging tot absolutisme en onverdraagzaamheid jegens anderen en tot gevaarlijke vormen
van messianisme.

Met de nodige aarzeling zullen christenen aan joodse dialoogpartners vragen of het hun mogelijk is om vanuit hun achtergrond een positieve interpretatie te geven aan het feit dat door middel van het christendom de naam van de God van Israël bekend is geworden in de hele wereld. Kunnen joden vanuit hun identiteit tot een theologische waardering komen van het christendom? In een dergelijke dialoog zal ongetwijfeld ook de volgende vraag gesteld worden: Hoe zien en beleven joden vandaag de functie van het volk Israël als een `licht voor de volken'? Is het hun mogelijk om vanuit deze functie van Israël een positieve visie te ontwikkelen op de dialoog met andersdenkenden? Joden voelen zich door deze christelijke vragen doorgaans overvraagd en met te hoge verwachtingen opgezadeld. Met name wanneer de politiek van de staat Israël bij deze vragen in het geding gebracht wordt, zal het gesprek over het algemeen moeizaam verlopen. Het joods-christelijk gesprek is nog nauwelijks de polemische en apologetische sfeer van de voorbijgegane eeuwen ontgroeid. Maar er zijn ook voorbeelden van dialoogsituaties waarin joden en christenen elkaar hebben aanvaard als gesprekspartners in volledige wederkerigheid. In een dergelijke open dialoog op de basis van vertrouwen is geen enkel gespreksthema taboe. Elke zweem van jodenzending is hierbij aan christelijke zijde uitgesloten. Wederkerig wordt de waardigheid van de ander gerespecteerd en wordt de ander aanvaard op zijn eigen weg met God. Op deze wijze kunnen joden en christenen elkaar ontdekken als partners in een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de wereld. Wanneer er een nieuw vertrouwen is gegroeid, zal de ontmoeting zich niet beperken tot een verbale uitwisseling van gedachten. De kerk en het joodse volk zullen dan niet alleen wederkerig getuige zijn maar ook in gezamenlijk overleg getuige zijn voor de wereld. Dit zal gestalte krijgen in een gemeenschappelijke inspanning voor de `shalomatisering' van de wereld. Op deze wijze zijn zowel joden als christenen
wegbereiders voor het Rijk van God in de wereld.