OJEC-FORUM 5 FEBRUARI 1997
Het lijkt wel een middeleeuwse disputatie, zei iemand tegen me, wat jullie gaan doen in De Rode Hoed. Dat is natuurlijk overdreven. Dat was nog eens wat anders. In 1263 vond in Barcelona het beroemde dispuut plaats tussen Nachmanides en Pablo Christiani, een tot het christendom bekeerde jood, in tegenwoordigheid van de koning. Eén citaat uit het verslag van Nachmanides: "Toen Fray Pablo mij vroeg: 'Geloof je, dat hij gekomen is?', toen antwoordde ik: nee, maar ik geloof en weet, dat hij niet gekomen is...Het is mij onmogelijk om aan zijn messianiteit te geloven, want de profeet zegt van de messias: 'zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee, van de rivier tot aan de einden der aarde' (Ps.72:8). Maar Jezus had geen heerschappij,..viel in de handen van zijn vijanden en kon zich niet redden. Hoe zou hij dan heel Israël kunnen redden?" Dan gaat het nu wel heel anders toe. Of is er voor het besef van veel mensen nog steeds hetzelfde in het geding? Zijn er daarom zoveel emoties rond deze diskussie? Het leek de laatste tijd allemaal pais en vree tussen joden en christenen. De eerste tien onstuimige jaren van het OJEC met vele hete hangijzers waren voorbij, jaren waarin we elkaar herhaaldelijk publiekelijk in de haren vlogen. Het is inmiddels alweer vergeten: de zaak Goeree, het Karmelietessen-klooster in Auschwitz, al of niet praten met de PLO. Er werd overigens niet alleen gestreden in die tijd, maar ook gestudeerd. Eén van de OJEC-boeken (uit 1990) draagt de titel: 'Lezen joden en christenen dezelfde bijbel?' Toen was dus al diezelfde vraag aan de orde. Eén van de auteurs was Karel Deurloo. De antwoorden van de meeste joodse auteurs op de titelvraag was: nee. Maar langzamerhand leken de roerige beginjaren voorbij. Iemand schreef afgelopen vrijdag 31 jan. optimistisch in een ingezonden brief in Trouw: "Met een gefundeerd beroep op de bijbel lijken kloven tussen joden en christenen overbrugd te worden". Rabbijn Lilienthal ziet dat kennelijk heel anders, en hij gaf een schot voor de boeg. Grote verwarring was het gevolg. "Schande!", riepen veel mensen, "en dat naar aanleiding van zo'n mooi boek". Wat valt er nu nog te zeggen na alle ingezonden artikelen en brieven, en na drie sprekers voor mij? Wat is er aan de hand? Laat ik op mijn manier nog eens een analyse wagen. Jazeker, in drie punten.
1. Nico ter Linden heeft op het eerste gezicht een prachtig boek geschreven. Toen mijn dochter van 21 jaar te kennen gaf nu de bijbelverhalen wel eens zelf te willen lezen, gaf mijn vrouw haar met Sinterklaas 'Het verhaal gaat'. Ze leest het met rooie oortjes. Is het misschien toch de beste preek van 1996? Nico ter Linden kon als geen ander een parodie schrijven over de preekwedstrijd van Trouw. Hij had van het publiek toch al de prijs binnen. In zijn parodie in Trouw fantaseerde hij over een reactie op zijn beste preek in Stompetoren, zijn eerste gemeente. Daar hadden ze gezegd: "Wij hebben wel eens slechtere van u gehoord, dominee". Zo gaat dat daar. Ik kan het weten, want ik kom ook uit Noord-Holland. Laten we wel wezen: Ik heb ook heel wat slechtere preken gehoord dan die van Ter Linden. En over een eventueel anti-judaïsme gesproken: Elke zondag worden er op duizenden kansels preken gehouden, waar de honden geen brood van lusten. Over honden en brood gesproken: Dat doet me denken aan de eetlust van die hondjes uit een verhaal over een ontmoeting van Jezus met een niet-joodse vrouw. Zij was Jezus te slim af. De jood Jezus zei cru: Het brood van Israël is niet voor de honden, d.w.z. niet voor de heidenen. Maar zij diende hem van repliek: De honden mogen toch ook eten van de kruimels die van de tafel van de kinderen vallen? Die bescheidenheid zijn wij volledig kwijtgeraakt. Maar het gaat nog steeds om hetzelfde thema: Hoe eten wij van de tafel van de kinderen? Als het schot voor de boeg van David Lilienthal een goede diskussie daarover oplevert, dan is dat winst. Ondertussen moet mijns inziens gezegd worden: Het boek van Nico ter Linden is niet anti-judaïstisch, maar kan heel gemakkelijk bevestigend werken ten aanzien van de aloude anti-judaïstische traditie van het christendom.
2. Nu wat dieper gevraagd, achter de aanleiding van het boek van Ter Linden. Dat is de vraag van deze forumavond, dezelfde als de titel van het genoemde OJEC-boek: Lezen joden en christenen dezelfde bijbel? Het antwoord is meer nee dan ja. De volgorde van de boeken is anders. De taal is anders (christenen lezen doorgaans geen Hebreeuws). En joden en christenen hebben een andere bril op bij het lezen. Joden de bril van de Mondelinge Overlevering, met name Misjna en Talmoed. Christenen de bril van het Nieuwe Testament. En ook als christenen dat proberen te verhullen, dan vallen ze vroeg of laat door de mand. Dan kunnen ze nog zo vaak Tora, Tenach of Tweede Testament roepen, het blijkt een modieus vernisje te zijn. Ze hebben toch feitelijk ook geen andere toegang tot de Schriften van Israël dan via de jood Jezus van Nazaret? Dat is overigens heel wat anders dan de overtuiging Jezus steeds in het Oude Testament terug te vinden. Die leeswijze gaat gevaarlijk veel op onteigening lijken.
Wat ik simpel zou willen voorstellen, is het volgende: Waarom praten we niet open in de joods-christelijke dialoog over onze leesbril bij de Schriften? Laten we die bril eens op tafel leggen! Ik weet natuurlijk best dat dat in de praktijk niet zo eenvoudig is. Want orthodoxe christenen zeggen: We hebben helemaal geen leesbril; in Jesaja 53 gaat het gewoon over het verzoenend lijden van Jezus. Ja, zo zeiden ze het ook al in Barcelona in 1263. En orthodoxe joden zeggen: We hebben helemaal geen leesbril; op de Sinaï gaf God gewoon inclusief aan Mozes de hele Mondelinge Overlevering, de Talmoed, enz. Kortom, de dialoog is niet zo gemakkelijk. Laten we het toch maar wagen. En daarbij een waarschuwing, een soort van testament, in gedachten houden, dat George Cassuto schreef, die een vol leven als jood predikant was in de kerk maar vlak voor zijn dood terugkeerde naar de synagoge: "Het is noodzaak voor christenen, wanneer ze de joodse Bijbel lezen, om die te lezen als joodse bijbel, met haar eigen gezag, haar eigen betekenis, haar eigen schoonheid. Dat leerlingen van Jezus, christenen zogezegd, deze Bijbel ook in hun eigen geloofsleven een bepaalde plaats geven, is een goede zaak, maar níet als vindplaats van bewijzen van eigen 'christelijk gelijk'".
3. Misschien kunnen we nog iets dieper graven. De oorspronkelijke dragers en vertellers van het verhaal zijn, Goddank, nog onder ons, al hebben de heidenen talloze malen getracht hen letterlijk en figuurlijk het zwijgen op te leggen. Maar luisteren we als christenen werkelijk naar hen? Doet de Amsterdamse School dat, aan wie Nico ter Linden in het bijzonder schatplichtig is? Wordt Israël soms niet tot een woord gemaakt, tot een naam, een metafoor? Mogen de joden er ook echt zijn, als een volk, midden in de geschiedenis, zelfs met een staat? Dat is natuurlijk bar lastig voor christelijke theologen. Je kunt makkelijker een paar aardige verhaaltjes, midrasjiem, van ze overnemen dan echt naar ze luisteren. Hiermee zijn we bij de diepste vraag aangekomen: Gaat het verhaal echt ergens over? Is er een verbinding tussen verhaal en feit? Merkwaardig dat orthodoxe christenen (bijvoorbeeld t.a.v. het feit van de opstanding van Jezus) eigenlijk dezelfde soort vraag stellen als een liberale rabbijn t.a.v. de feitelijkheid van het joodse volk, namelijk de vraag: Is er ook echt iets gebeurd van de kant van de Eeuwige? Heeft Hij echt een volk geroepen uit alle andere volken? Of moet dat betiteld worden als 'nationalistische theologie'? Is Israël - om Ter Linden aan te halen (blz.237) - alleen een notie en geen natie? Op dit punt is het soms hard toe gegaan tussen joden en christelijke theologen, na de zesdaagse oorlog in 1967 en na de Jom Kippoer-oorlog in 1973. Achter de huidige discussie zit dus ook heel wat oud zeer, samengevat in de vraag: Mag het volk Israël zich zelf uitspreken of mogen ze er van christenen feitelijk alleen zijn op christelijke voorwaarden?
Een voorlopige conclusie: We zullen nog veel en lang naar elkaar moeten luisteren. En christenen zullen voorzichtig om moeten gaan met de Schriften van Israël. Want dat is allereerst andermans post, met Israël als eerst geadresseerde. Om het met rabbijn Tswi Marx te zeggen: Het lijkt al onfatsoenlijk om een liefdesbrief, gericht aan een ander, te gaan lezen, maar het is echt onfatsoenlijk om die brief af te pakken. Simon Schoon
