PAULUS
GRENSGANGER TUSSEN ISRAEL EN DE VOLKEN

Paulus is zowel voor joden als christenen een omstreden figuur. Hij wordt bewonderd en veracht. Hij wordt door vele christenen gezien als de grote apostel die de boodschap van Jezus heeft vertolkt voor de toenmalige wereld. Maar hij wordt soms ook getekend als de verrader van de oorspronkelijke boodschap van de jood uit Nazaret. Sommige joden zien Paulus als de aanstichter van alle ellende die hen van de kant van het christendom is overkomen in de loop van de geschiedenis. Andere joden beschrijven Paulus als de jood die er een begin mee heeft gemaakt het geloof in de éne God van Israël over de hele wereld te verbreiden.

Wie was Paulus? Het maakt nogal verschil vanuit welke gezichtshoek en vanuit welke achtergrond je naar hem kijkt. Als jood of als christen? Als protestant of als katholiek? Vanuit de traditie van de kerk der eeuwen of vanuit een vernieuwingsbeweging van de 20e eeuw zoals de pinkstergemeente? Als man of als vrouw? Als conservatief of als progressief christen? Ieder vindt bij Paulus wel iets van zijn gading. Iedereen spant Paulus voor zijn eigen karretje. En de geschriften van Paulus laten zich daar kennelijk ook voor gebruiken. Er staan tegenstrijdige dingen in. Iedere ketter vindt in de brieven van Paulus zijn letter. Het is niet zomaar in een paar heldere zinnen te zeggen wie hij was. Was hij een apostel of een afvallige of misschien beide? Heeft hij de boodschap van Jezus van Nazaret getrouw vertolkt of onherkenbaar verminkt? Was hij een ziekelijke figuur die zich doorlopend belaagd en aangevallen voelde, iemand die in onze tijd verwezen zou worden naar een goede psychotherapeut of was hij een evenwichtige persoonlijkheid die als een onafhankelijk en creatief denker uit een diepe crisis tevoorschijn gekomen was? Het is de vraag of we met een psychologische benadering van de persoon van Paulus zoveel verder komen. De uitgangspunten vooraf van de onderzoekers naar deze psychologische achtergronden zijn meestal bepalend voor de uitkomsten van hun onderzoek.

 

Misschien kunnen bijdragen van joodse zijde in de speurtocht naar de persoon en boodschap van Paulus verhelderend zijn. Hoe wordt in het nieuwere joodse onderzoek over hem gedacht en geschreven? Lange tijd is Paulus door joodse denkers beschouwd als de stichter van het christendom en daarmee als de veroorzaker van veel ellende voor het joodse volk. In een aantal boeken van joodse zijde is Jezus `thuisgehaald' als een grote zoon van het joodse volk. Joodse auteurs hebben geschreven, dat elk woord van Jezus te verstaan is binnen het jodendom van zijn tijd, dat wil zeggen binnen de pluraliteit aan joodse stromingen in het door de Romeinen bezette Palestina van de eerste eeuw. Maar Paulus wordt door velen nog steeds gezien als de grote boosdoener. Hij zou de oorspronkelijk totaal joodse boodschap van Jezus vervalst hebben door vermenging met Griekse filsofie en beperkt hebben tot de betekenis van Jezus' kruis en opstanding. Hij zou de uitvinder zijn van de anti-joodse tendenzen die het christendom tot op vandaag sterk hebben bepaald.

Hoewel deze benadering van Paulus nog steeds verdedigers vindt en zelfs de opinie van de meerderheid bepaalt in de joodse gemeenschap, zijn er de laatste tijd ook andere geluiden te horen. Er zijn joodse denkers die zich naast het `thuishalen' van Jezus inspannen om ook Paulus terug te brengen naar zijn joodse moederschoot. Zij beschouwen hem als een creatief denker uit de joodse diaspora. Hij kan op één rij gezien worden met een joodse denker als Philo van Alexandrië. Ook zijn messiaanse opvattingen plaatsen hem nog niet buiten het veelkleurige jodendom van de eerste eeuw. Hij is volgens hen alleen te ver doorgeschoten in zijn pogingen de mensen uit de volken volledig te betrekken bij het joodse volk en de God van Israël. Zijn ijver op dit punt is hem noodlottig geworden. Hij is voor hen geen grensganger tussen Israël en de volken maar iemand die een absolute grens overschreden heeft. Maar zijn tragiek doet voor hen niets af aan zijn grootheid.

ROEPING

Hoe is deze zeloot voor zijn voorvaderlijke overleveringen, deze ijveraar voor de wet, veranderd in een verkondiger van het evangelie van Jezus Christus? Hoe is deze leerling van Gamaliël uit de school van de Farizeeën tot apostel van de christelijke gemeente geworden? We weten heel wat over de levensloop van Paulus. Over hem is meer uit de eerste hand bekend dan over welke bijbelse figuur dan ook. Hij heeft zelf een groot aantal brieven geschreven, waarvan enkele in het Tweede Testament terechtgekomen zijn. Waarschijnlijk zijn niet alle brieven werkelijk van de hand van Paulus (Efeziërs, 1 en 2 Timoteüs en Titus zijn vermoedelijk door leerlingen van Paulus op zijn naam geschreven), maar we hebben toch heel wat informatie uit de eerste hand. Toch is het niet mogelijk de gebeurtenissen uit het leven van Paulus simpel historisch te reconstrueren. Met name die ingrijpende ervaring op de weg naar Damascus, die zijn leven een totaal nieuwe wending gaf, is voor ons niet zonder meer duidelijk. Wat is er precies gebeurd op de weg naar Damascus? Wij spreken doorgaans van de `bekering' van Saulus of Paulus. Dat woord wordt in onze taal meestal gebruikt voor de overgang naar een andere godsdienst en is daarom voor misverstand vatbaar. De indruk zou gewekt kunnen worden, dat Paulus van een jood een christen geworden zou zijn. Hij zou door zijn ervaring op de weg naar Damascus radicaal van godsdienst zijn veranderd. Het verhaal van de `bekering' van Paulus heeft steeds model gestaan voor het zendingswerk van de kerk. In de  eerste eeuwen bood dit verhaal aan heidenen houvast om hun eigen overgang naar het christelijk geloof onder woorden te brengen. Zij waren immers overgegaan van de duisternis van het heidendom naar het wonderbaar licht van het evangelie van Jezus Christus. Was Paulus ook niet plotseling een licht opgegaan op de weg naar Damascus? Tot op vandaag functioneert het verhaal van de bekering van Paulus als een zendingsmodel bij uitstek.

Maar Paulus werd niet van een ongelovige een gelovige. Hij veranderde niet van een jood in een christen. Er is veel meer continuïteit tussen Paulus vóór en na zijn ervaring op de weg naar Damascus dan men geneigd is aan te nemen. Hij was een jood en is een jood gebleven. Hij kwam niet uit het donkere heidendom tot geloof maar was reeds doorkneed in de Schriften van Israël. Hij heeft de kennis, die hij bij Gamaliël had opgedaan, niet weggeworpen maar veelvuldig benut in zijn brieven. Hij gaat op dezelfde - voor ons moeilijk te volgen - wijze om met de Schriften als de Farizeeën. De rabbijnse redeneertrant is op vele plaatsen terug te vinden in zijn brieven. Hij lijkt zelfs op een bepaalde manier trots te zijn op zijn verleden. Alleen heeft hij diep berouw van zijn handelwijze als vervolger van jonge christelijke gemeente. Paulus werd niet bekeerd tot een nieuwe godsdienst, maar werd geroepen tot een nieuwe taak. Wanneer Paulus over zijn roeping schrijft, verwijst hij niet uitsluitend naar het gebeuren op de weg naar Damascus. Hij geeft te kennen dat God hem reeds van de schoot van zijn moeder aan heeft afgezonderd en door zijn genade geroepen (Gal.1: 15). De bewoordingen die Paulus gebruikt zijn vrijwel letterlijk ontleend aan de beschrijving van de roeping van Jeremia. We lezen daar dat God tegen Jeremia zegt: "Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld" (Jer.1: 5). Op dezelfde wijze heeft Paulus zijn roeping beleefd. De basis was al gelegd door Gods genade. Maar op een bepaald moment heeft het God behaagd - aldus Paulus - om "zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou" (Gal.1: 16). Hij is er van overtuigd dat hij zijn roeping van hogerhand ontvangen heeft. Geroepen om onder de heidenen het licht te brengen van de God van Israël. Vóór zijn roeping op de weg naar Damascus was hij een `zeloot', een ijveraar. Het is niet onmogelijk dat hij één van de zendelingen was die de Farizeeën de wereld instuurden om bekeerlingen te maken (vgl. Mat.23: 15). Dan is hij na zijn ervaring op de weg van Damascus niet van beroep veranderd, maar wel van roeping. Hij bleef een ijveraar, een gedrevene, een zendeling, maar nu een apostel onder de volken van Jezus Christus, de opgewekte gekruisigde. Daardoor is hij van zijn eigen volk vervreemd geraakt. Hij heeft zijn leven lang de pijn daarover met zich meegedragen. Hartstochtelijk is hij van zijn volk blijven houden. Hij heeft zijn jood-zijn nooit opgegeven om christen te kunnen worden. Bij zijn verre  zendingsreizen bleef zijn oog steeds gericht op Jeruzalem.

KRUIS

Westerse christenen zijn er diep van overtuigd, dat het kruis van Jezus het centrum is van het christelijk geloof. Zij menen daarbij Paulus helemaal aan hun kant te hebben. Hij heeft immers geschreven: "Wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid" ( 1 Kor.1: 23). Het kruis is tot het symbool bij uitstek geworden van het christelijk geloof. Crucifixen en kruisen domineren de kerkelijke interieurs. In de middeleeuwse kerkelijke kunst stonden de kruisafbeeldingen centraal. In onze tijd dragen vele mensen duidelijk zichtbaar een zilveren of gouden kruisje. Ze zouden er niet over piekeren om een zilveren of gouden afbeelding van een electrische stoel te dragen, het symbool van de doodstraf in onze tijd. Toch was het kruis het werktuig van de meest weerzinwekkende doodstraf die de Romeinen in hun tijd toepasten. Maar dat aspect van het kruis is op de achtergrond geraakt. Het kruis is tot een `mooi' symbool geworden, een herkenningsteken van de christelijke identiteit.

Het is de vraag, of christenen zich terecht op Paulus beroepen hebben voor een `theologie van het kruis'?  Het is uiterst riskant om uit pastorale accenten in Paulus' brieven een massieve dogmatiek voor alle tijden te smeden. Dat moet ook benadrukt worden ten aanzien van Paulus' betuiging dat de joden tekenen verlangen en het kruis daarom voor hen een ergernis zou zijn. Al gauw kan hieruit een dogmatische overtuiging ontstaan, dat de christenen het kruis omarmen en dat de joden zich ergeren aan het kruis. Vergeten wordt dan dat christenen zich even hartgrondig kunnen ergeren aan het kruis. Dat feit wordt verdoezeld wanneer zij het kruis tot bezit maken, het als symbool ophangen in hun kerken en huizen en daarmee de hardheid van het kruis als het ware verzachten. Het is trouwens de vraag of het zo joods is om tekenen te verlangen. In een andere context kan Paulus er naar verwijzen dat het resultaat van zijn evangelieverkondiging onder de heidenen vooral tot stand gekomen is "door kracht van tekenen en wonderen"  (Rom.15: 19). En ook de bewering dat het specifiek joods zou zijn om zich te ergeren aan het kruis moet van een fors vraagteken voorzien worden. Duizenden joden zijn door de handen van de Romeinen gestorven aan het kruis. Hoewel de kruisdood als schandelijk beschouwd werd, werden de gekruisigden gezien als martelaren voor de naam van God. De joodse ergernis gold niet zozeer het kruis als wel de opvatting van een gekruisigde messias. Temidden van de vele verschillende  messiasvoorstellingen in de eerste eeuw was dit voor de meeste joden volstrekt onaanvaardbaar. Daar moet bij gezegd worden dat een gekruisigde messias niet is af te leiden uit het Eerste Testament (een term waaraan ik de voorkeur geef boven `Oude' Testament). Ook de lijdensuitspraken in Jesaja 53, een hoofdstuk dat door christenen veelvuldig geciteerd werd, werden in de joodse geschriften uit die tijd niet op de messias toegepast. Een messias is volgens de joden een mens die de verlossing van Israël naderbij brengt en in het algemeen meewerkt aan het totstandkomen van een wereld van vrede en gerechtigheid. Met de beste wil van de wereld konden de meeste joden dat niet herkennen in de beweging van Jezus van Nazaret.       

OPWEKKING

Paulus formuleert de kern van zijn verkondiging als hij schrijft: "Indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden" (Rom.10: 9). De samenvatting van heel Paulus' geloven en denken is, dat God zijn God-zijn aan Jezus heeft bewezen door Hem uit de doden op te wekken. Daardoor is Jezus aangewezen als de messias en daardoor is de eindtijd aangebroken. Meer dan met de vragen van zonde en genade worstelde Paulus met de vragen van leven en dood. Het geloof in de opwekking van Jezus betekende voor hem een doorbraak in deze worsteling. Die opwekking zag hij als een vooruitgrijpen op en een voorproefje van de volledige triomf van God waarop de geschiedenis spoedig zou uitlopen. Daarop is zijn verwachting gebaseerd: "Indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont" (Rom.8: 11). Op Pinksteren is door de boodschap van Pasen de christelijke gemeente geboren.

Paulus verkondigt de opwekking van de gekruisigde. De opgewekte blijft getekend door het kruis. Hij heeft als opgewekte kennelijk nog een lange en zware strijd te voeren. Paulus heeft dat aan den lijve ervaren. Hij droeg steeds het sterven van Jezus in zijn lichaam om, zodat ook het leven van Jezus zich in zijn bestaan zou openbaren (2 Kor.4: 10). Zijn leven bleef gestempeld door het kruis en de opwekking van Jezus. Paulus wist en voelde het in zijn eigen lichaam, dat de messiaanse weeën nog niet voorbij waren. De tegenstand jegens zijn verkondiging en de verdeeldheid in de gemeente ervoer hij als de concrete uitwerking van het kruis van Jezus in zijn eigen bestaan. Na Pasen is de strijd niet volbracht maar begint het pas goed. De wereld is nog niet bevrijd. Het Rijk van God is weliswaar ingeluid maar nog lang niet volledig werkelijkheid. En de dood als de laatste vijand is nog niet onttroond. Is er eigenlijk wel ruimte in de kerk voor zegeliederen en een gevoel van overwinning? 

Toch zingt Paulus in Romeinen 8 een loflied. "Wat meer is, de opgewekte" (Rom.8: 34). En: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" (Rom.8: 35). Maar in zijn lied worden de vragen niet weggeduwd en wordt het lijden van de wereld niet verdrongen. Integendeel! De waaroms worden niet toegestopt. Wat de apostel allemaal opsomt, is om van te huiveren. Het zal je allemaal overkomen: "Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard" (Rom.8: 35). Maar dat is - in een lange geschiedenis - het joodse volk allemaal overkomen! Paulus citeert in dit verband Psalm 44. Dat is kennelijk wat geliefden van God en uitverkorenen kunnen verwachten. De vragen van het joodse volk mogen in de christelijke gemeente niet met paasliederen overstemd worden. Staande voor de gaskamers van Auschwitz zingen we niet luidkeels: "Nu jaagt de dood geen angst meer aan". En bij de beelden van het verwoeste Hirosjima kunnen we niet eenvoudigweg zeggen: "Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?" (1 Kor.15: 55). Na twintig eeuwen zijn de beelden die Paulus oproept nog verschrikkelijker geworden.  Maar hij zegt niet: Ondanks dit alles blijven we geloven met de moed der wanhoop. Maar: "In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door hem die ons heeft liefgehad" (Rom.8: 37). Dietrich Bonhoeffer bleef geloven midden in de nacht van het nazigeweld. Oscar Romero bleef getuigen in El Salvador van de kracht van het volk midden in een situatie die werd bepaald door doodseskaders. Zij waren in hun zwakheid meer dan overwinnaars.

Joden geloven ook in de opstanding. Dagelijks spreken ze in hun gebeden hun vertrouwen uit in God die de doden zal opwekken. Zij kunnen alleen niet aanvaarden dat er één nu al is opgewekt, dat er één het onderpand vormt van de nieuwe wereld die komt. Hier valt voor christenen niets te bewijzen of te betuigen. Het enige wat telt is een messiaans leven achter die Ene aan. De uitdaging ligt voor ons om de opgewekte Gekruisigde te volgen. Dat is het enige getuigenis dat christenen aan het joodse volk en aan de wereld schuldig zijn: Messiaans leven! Leven uit Pasen. Leven uit de Geest van Jezus, dat wil zeggen in concrete daden vooruitgrijpen naar een nieuwe wereld van gerechtigheid, vrede en heelheid.

GEEST

Paulus is wel de theoloog van de heilige Geest genoemd. Wat dat betreft zou Paulus zich in onze tijd in een nieuwe belangstelling moeten kunnen verheugen. Er is weer aandacht voor meditatie en spiritualiteit. Het is niet meer taboe om in kringen van geëngageerde christenen over het gebed te spreken. Het New Age-denken heeft velen in de kerk de ogen geopend voor een manco in de eigen geloofsbeleving. Nadat de kerk in de afgelopen tientallen jaren de weg naar buiten gevonden heeft, is er nu een nieuwe aandacht voor de heenweg, de weg naar binnen. Sommigen vallen van het ene uiterste in het andere. Voorheen viel de Geest zo ongeveer samen met de strijd tegen kernwapenen, nu betekent de Geest zo ongeveer hetzelfde als persoonlijke bewustzijnsverruiming. Daarmee is een onzalige boedelscheiding gehandhaafd. We slagen er in de kerk maar slecht in om twee zaken bijeen te houden die bijbels gezien bijeen horen.

Hoe spreekt Paulus over de Geest? Soms onderscheidt hij nadrukkelijk Jezus Christus en de Geest maar soms lijkt er bij hem ook van een identificatie sprake te zijn. Dan valt de Geest geheel samen met de opgewekte Jezus Christus. In 1 Korintiërs 15: 45 schrijft hij: "De laatste Adam (=Jezus Christus) werd een levendmakende Geest". En in 2 Korintiërs 3: 17 zegt hij kort maar duidelijk: "De Heer nu is de Geest". Voor het geloof van de gemeente wordt Christus ervaren als de levendmakende Geest en de Geest wordt ervaren als Christus. De Geest is de naam geworden voor Jezus die er in het verleden was, in Galilea en in Jeruzalem, maar die sinds Pasen aanwezig is in de verkondiging van het Woord, in het uitdelen van brood en wijn, in de geestelijke gaven van de gelovigen en soms ook in wonderen en tekenen. Bij deze opvatting van Paulus is het gevaar niet denkbeeldig dat de verhalen over de jood Jezus van Nazaret uit de evangeliën vergeten worden. Paulus heeft zich wel eens heel kras uitgedrukt: "Indien wij Christus al naar het vlees gekend hebben, thans niet meer" (2 Kor.5: 16). Met deze uitspraak van Paulus zijn allerlei lieden in de christenheid in de loop van de tijd aan de haal gegaan. Jezus' leven en daarmee ook zijn jood-zijn zouden totaal onbelangrijk zijn. De evangeliën konden wel dicht blijven; alles draaide in het geloof alleen om het kruis en de opstanding van Jezus.

Paulus spreekt veelvuldig over de Geest, terwijl de evangelisten Matteüs, Marcus en Lucas het veel meer hebben over het Koninkrijk van God. Soms wordt bij Paulus zelfs de indruk gewekt, dat het Koninkrijk opgaat in de nieuwe werkelijkheid van de Geest. In ieder geval legt hij een duidelijke verbinding tussen het Koninkrijk en de Geest: "Het Koninkrijk Gods bestaat...in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest" (Rom.14: 17). Hij geeft er echter de voorkeur aan zonder verwijzing naar het Koninkrijk te spreken over de Geest, bijvoorbeeld in Rom.8: 6: "De gezindheid van de Geest is leven en vrede". Hij vermeldt zelfs "de liefde van de Geest" (Rom.15: 30). Waarom heeft Paulus zoveel over de Geest geschreven? Waarschijnlijk is de missionaire context van Paulus' werk mede beslissend geweest voor zijn taalgebruik. Paulus was voor alles een zendeling. In de hellenistische cultuur was het woord `pneuma' voor de Geest een gangbaar begrip, terwijl het begrip `Koninkrijk van God' heel wat meer verklaring nodig had. Omdat hij zelf uit de diaspora afkomstig was, was hij in staat de taal van zijn omgeving te spreken. Ook die specifieke omstandigheid heeft er toe bijgedragen dat Paulus de apostel van de Geest geworden is.

In het hellenistische milieu van zijn tijd voelde de apostel zich in zijn brieven gedrongen om er op te wijzen, dat de aanwezigheid van de Geest niet betekent dat de hemel al op aarde is gekomen. De neiging bestond om de komst van de Geest te vereenzelvigen met de definitieve verlossing. Zo tracht Paulus het al te grote enthousiasme van de Korintiërs in te dammen door hen te wijzen op de weg van de liefde, die verder reikt dan de hoogste geestesgaven. Hij benadrukt in zijn loflied op de liefde in 1 Korintiërs 13 dat de gelovigen de volkomenheid nog niet bereikt hebben: "Nu zien wij nog door een spiegel in raadselen, maar straks van aangezicht tot aangezicht" (vs.12). In zijn tweede brief aan de Korintiërs gebruikt hij een prachtig beeld om het spanningsveld aan te geven waarin de gelovigen in de wereld staan. Om het voorlopige en fragmentarisch karakter van het werk van de Geest aan te duiden bedient hij zich van het beeld van de `eerste aanbetaling' of het `handgeld' (2 Kor.1: 21 en 5: 5). Er is nog geen sprake van een definitieve vervulling van hetgeen beloofd is. Het handgeld verwijst naar het voorschot dat de verkoper bij het totstandkomen van een koopovereenkomst alvast ter hand wordt gesteld. Er wordt daarmee een garantie gegeven voor wat in de toekomst voluit overhandigd zal worden. Er is een `reeds': Jezus is opgewekt en de Geest is geschonken. Er zijn momenten van mystieke verrukking en momenten waarop er iets doorbreekt in de wereld van wat God met gerechtigheid bedoelt. Maar de ervaring van het `reeds' mag niet leiden tot hoogmoedig triomfalisme. Paulus houdt de spanning vol tussen het `reeds' en het `nog niet'.

PAROUSIE

Paulus leefde met de oerchristelijke gemeente in de stellige zekerheid dat het einde nabij was. De verzoening van de wereld voltrok zich naar zijn overtuiging in grote vaart. Spoedig zou het `leven uit de doden' (Rom.11: 15) doorbreken, Pasen voor heel de wereld. Er was nog maar een korte tijd te gaan. Het geloof in de opwekking van Jezus stond zozeer centraal, dat het voor het besef van de eerste christenen ondenkbaar was dat Jezus als de levende lang op zich zou laten wachten. Hun leven werd door deze verwachting gekleurd. Hun levenswijze werd er door bepaald. `Maranata' bad de gemeente in het Aramees, meestal vertaald als een oproep: `Onze Heer, kom!' Deze roep klonk met name aan het avondmaal dat sterk op de (weder)komst gericht was (1 Kor.16: 22). Jezus werd in deze verwachting vereenzelvigd met de mensenzoon die als rechter het uiteindelijke heil zou brengen voor Israël en heel de wereld. Paulus gebruikt in het Grieks het woord `parousia', dat gewoon `komst' of `aankomst' betekent. Uit zijn brieven blijkt, dat hij vast geloofde dat deze parousie voor de deur stond. Omstreeks het jaar 50 gaf Paulus in een brief aan de gemeente in Tessalonica blijk van zijn overtuiging, dat hij zelf de komst van de Heer nog zou meemaken (1 Tess.4: 17). Een paar jaar later schreef hij aan de gemeente in Korinte: "De tijd is kort..Het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen" (1 Kor.7: 29 en 31). Verder schrijft hij in die brief: "Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik" ( 1 Kor.15: 52). En in een latere brief aan de gemeente van Rome zegt Paulus vol vertrouwen: "Het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij" (Rom.13: 11 - 12).

Wij leven inmiddels bijna 2000 jaar later en wagen ons niet meer aan dit soort stellige uitspraken. Het geloof in de (weder)komst van Jezus neemt in de geloofsbeleving van de meeste christenen geen grote plaats in. Door sommigen wordt het uitstel van de wederkomst zelfs als volledig afstel opgevat. In de orthodoxe leer van de kerk wordt de parousie weliswaar officieel beleden, maar deze belijdenis functioneert in de praktijk van het gemeenteleven als een onbelangrijk aanhangsel van het geloof. De oude, traditionele woorden van het credo blijven klinken "vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden", maar het uitzien naar de wederkomst speelt in de gemeente doorgaans nauwelijks een rol. Soms heeft men daarvoor theologische ontsnappingsformules bedacht. Daardoor worden dan de begrippen eindtijd en wederkomst helemaal geschrapt uit het woordenboek van het christelijk geloof. Dan zegt men bijvoorbeeld: Elke tijd is principieel `laatste tijd' voor God of ieder ogenblik is even nabij de eeuwigheid van God. Het klinkt fraai, vroom zelfs, maar in deze visie wordt het geloof totaal individualistisch. Er is geen uitzicht meer op het komen van God in de geschiedenis en op de voleinding van het Koninkrijk van God.

Binnen het Tweede Testament is er een verschuiving waar te nemen ten aanzien van het tijdstip van de te verwachten wederkomst van Jezus, maar de beklemtoning van de noodzaak van de omkeer blijft gelijk. Tijd voor omkeer is altijd vandaag, nooit morgen. In het jodendom is niet een bepaalde visie op de eindtijd van belang maar het komt louter en alleen aan op het doen van de geboden van God. Berekeningen over het eventuele tijdstip van de komst van de messias zijn nutteloos en werken verlammend om vandaag te doen wat er vandaag moet gebeuren. Voor christenen is het niet anders. Ook al zou Jezus morgen terugkomen, dan komt het er vandaag op aan zijn weg te gaan.

TORA

Hoe wijst Paulus de weg van Jezus? Is dat de weg van de Tora, zoals de evangelist Matteüs aangeeft, de weg waarop geen tittel of jota van de Tora heeft afgedaan?  Het is verre van eenvoudig om een helder zicht te krijgen op wat Paulus over de Tora schrijft. Hij lijkt zichzelf diverse keren tegen te spreken. De situatie in de ene gemeente verschilde totaal van die van de andere gemeente. Ook in dit verband moet er op gewezen worden, dat Paulus geen dogmatisch systeem doorgaf maar pastorale brieven schreef met het oog op concrete problemen en situaties. Dat betekent dat zijn vermaningen en waarschuwingen zeer toegespitst en soms ook zeer scherp geformuleerd zijn. Al spoedig is in de kerkgeschiedenis de oorpronkelijke context van Paulus' brieven verwaarloosd. Vergeten werd, dat deze brieven  specifieke geadresseerden hadden. Er werd een algemene dogmatiek geformuleerd uit zijn specifieke vermaningen. Zo werden de felle woorden van Paulus tegen het misbruiken van de Tora door de christelijke kerk toegepast op het gehele joodse volk. Joden zouden wettisch zijn, terwijl christenen leefden vanuit de genade. Joden zouden onder het juk zitten van de wet, terwijl christenen daarentegen de vrijheid van het evangelie kenden. Enkele losse, uit zijn verband gerukte teksten van Paulus lijken deze oppervlakkige visie op `de joden en de wet' te kunnen ondersteunen. Zo zegt Paulus aan het adres van de gemeente: "Gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade" (Rom.6: 14). Hij waarschuwt: "Indien er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven" (Gal.2: 21). En hij vermaant: "Indien gij u door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet" (Gal.5: 18). 

Paulus kan echter onmogelijk bedoeld hebben, dat christenen niets meer te maken hebben met de geboden van God. Het is voor ons niet eenvoudig om ons in te leven in de spanning, waarin Paulus verkeerde als joodse apostel voor de heidenen, als grensganger tussen Israël en de volken. Laten we proberen ten aanzien van het thema `Paulus en de Tora' een paar uitgangspunten vast te stellen:
a. Paulus richtte in zijn uiteenzettingen over de Tora zijn scherpe pijlen niet op het joodse volk als geheel maar op bepaalde groepen joodse christenen, die de vrijheid van zijn heiden-christelijke gemeenten dreigden aan te tasten. Hij polemiseerde niet zozeer met niet-christelijke joden als wel met specifieke joodse christenen. Zijn felle uitlatingen over de Tora zijn dan ook niet toe te passen op het joodse volk van alle tijden.
b. Het lag absoluut niet in Paulus' bedoeling om de Tora af te schaffen. Hij was vóór zijn roeping op de weg naar Damascus een ijveraar voor de Tora geweest en op zijn geheel eigen wijze bleef hij zijn leven lang een ijveraar. Hij wilde de Tora in haar volle betekenis juist oprichten (Rom.3: 31). Voor hem was de Tora heilig en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Rom.7: 12). Er was hem alleen een nieuw licht opgegaan over de Tora, namelijk het licht van Christus.
c. Het is antisemitisme om joden in het algemeen het etiket `wettisch' op te plakken met een beroep op Paulus. Er zijn in de wereld heel wat meer wettische christenen dan joden. Natuurlijk is het gevaar van wetticisme in iedere godsdienst aanwezig. Maar joden zijn niet in het bijzonder vatbaar voor dit kwaad. De Tora is voor hen een richtsnoer voor het leven. Zij zien de Tora als een genadegeschenk van God. Op de feestdag van de Vreugde der Wet kunnen zij dan ook dansen met de torarollen als een geliefde in de armen. Zij weten dat de Wetgever ook de Bevrijder is, die gezegd heeft: "Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb" (Ex.20: 2).

Vanuit het licht van de opwekking van Jezus gaat Paulus met nieuwe ogen de Tora lezen. Hij zet de Tora niet aan de kant. Hij citeert meer dan tachtig keer het Eerste Testament om zijn evangelie te staven. Hij is er van overtuigd geraakt, dat de Tora door Jezus Christus pas zijn volle betekenis krijgt. Jezus is niet het `einde' van de Tora, maar het `doel' van de Tora (Rom.10: 4). Alles wijst naar Hem en daarom openbaart Hij voor Paulus de reikwijdte van de Tora. De liefde is dan ook de vervulling van heel de Tora (Rom.13: 8). Tegen de heiden-christenen in de gemeente van Korinte zegt hij: "Besneden zijn of onbesneden zijn betekent niets, maar wél het houden van Gods geboden" (1 Kor.7: 19). En de Galaten wijst hij er op om elkaars lasten te dragen en zó de Tora van Christus te vervullen (Gal.6: 2). Sinds zijn ontmoeting met Jezus de Gezalfde is Paulus een gedrevene door de Geest. Hij leeft `in Christus' en dat is voor hem ongeveer hetzelfde als `in de Geest'. De Tora moet volgens hem dan ook verbonden worden met de Geest. Dan zal de eis van de Tora vervuld worden in de gelovigen (Rom.8: 4). Het is Paulus er dus in geen geval om te doen de Tora af te schaffen maar hij wil juist de Tora volledig in werking stellen. De Tora moet - om in de termen van Paulus te blijven - niet verbonden worden met de macht van het `vlees' en de macht van de `zonde' maar met de kracht van de Geest. De vrucht daarvan is liefde, vrede, blijdschap, lankmoedigheid en nog veel meer goeds (Gal.5: 22), en - zo voegt hij er aan toe - "tegen zodanige mensen is de Tora niet" (Gal.5: 23). 

Het gaat Paulus dus om het juiste gebruik van de Tora. Met datzelfde probleem werd en wordt ook geworsteld in de joodse traditie. Paulus wil er voor waarschuwen, dat de Tora in handen van mensen kan verworden tot een middel om God te manipuleren. Volgens hem is de Tora geen instrument om buiten de verbondstrouw van God om rechtvaardigheid af te dwingen of af te kopen. De apostel verwijt de joods-christelijke predikers, die verwarring hebben gesticht in zijn heiden-christelijke gemeenten, dat zij de Tora verdraaien en perverteren. Daarom schrijft hij die hartstochtelijke oproep aan het adres van zijn gemeenten: Jullie zijn toch in de vrijheid gesteld door Christus! En hij voegt er aan toe: "Houdt dus stand en laat jullie niet weer een slavenjuk opleggen" (Gal.5: 1). Paulus opponeert niet tegen de Tora op zichzelf maar tegen het doen van `wetswerken' om op die manier het heil te bemachtigen. Vaak bekijken christenen het jodendom door deze donker gekleurde bril en luisteren niet naar wat joden over zichzelf zeggen. Dat levert een uiterst verdraaid en scheef beeld van het jodendom op. Het ging Paulus om een waarschuwing aan het adres van zijn medechristenen, die wij ons nog steeds ter harte kunnen nemen. Want wij kunnen het heil niet bemachtigen door God te manipuleren. Ook het jodendom waarschuwt hiertegen. Voor de joden is de Tora geen middel om het heil te bemachtigen maar een levensweg om te gaan. Zij zien de Tora als het genadegeschenk bij uitstek van God. Naar joodse visie is heil nooit een automatische verdienste van de mens, maar blijft het toekennen van heil het privilege van God. Op de levensweg van de Tora mag een mens heil en vreugde verwachten.

ISRAEL

Telkens weer wordt het in de brieven van Paulus duidelijk, dat er over de gemeente van Christus eigenlijk geen zinnig woord te zeggen valt zonder de bijzondere relatie tot Israël. In de brief aan de Romeinen blijft Paulus  hardnekkig met twee woorden spreken: eerst de jood, maar ook de Griek. Zijn betoog blijft zich bewegen langs twee sporen: Het gaat om Israël én om de volken. De gemeente van Jezus Christus vormt als het ware een voorhoede uit de volken, met enkelen uit Israël in hun midden. Voor Paulus is de gemeente ondenkbaar zonder levende verbondenheid met Israël. Zonder Israël heeft zij geestelijk geen grond om op te staan. Zonder Israël is zij niet volgroeid. Dit besef dat bij Paulus zo sterk aanwezig was, is in de loop van de tijd geheel op de achtergrond geraakt in de kerk. De kerk zette zichzelf als het `ware Israël' op de plaats die alleen aan het joodse volk toekwam. Christenen werden medeschuldig aan uitbarstingen van antisemitisme. Jodenhaat en jodenvervolgingen werden veel voorkomende verschijnselen in de kerkgeschiedenis. Als we die geschiedenis werkelijk tot ons door laten dringen, dan vervult zij ons met diepe schaamte. Het is alsof Paulus er een voorgevoel van gehad heeft. Hij richt zich nadrukkelijk tot de heiden-christenen in de gemeente van Rome (Rom.11: 13) en waarschuwt hen met het oog op hun relatie tot het joodse volk: "Wees niet hoogmoedig maar vrees!" (Rom.11: 20). Maar Paulus' waarschuwing is finaal in de wind geslagen. Het werd de gangbare opinie in kerk en theologie, dat God Israël voorgoed had verworpen. Terwijl de apostel zich juist ten aanzien van dit thema zo onomstotelijk duidelijk had uitgelaten. 

Hoe is het toch mogelijk, blijven we ons afvragen, dat de meeste christenen niet tot een opener houding jegens het joodse volk zijn geïnspireerd door de woorden van Paulus in Romeinen 9 - 11? Calvijn heeft die hoofdstukken gebruikt om er zijn leer van de dubbele predestinatie mee te staven. God zou in de eeuwigheid al tot een tweedeling in de mensheid hebben besloten, de verworpenen en de uitverkorenen. Terwijl het in deze hoofstukken helemaal niet gaat om algemene leerstellingen over de mensheid maar over Gods heilshandelen met Israël en de volken. Paulus is vol verwondering over Gods wonderlijke wegen in de geschiedenis met zijn volk Israël en spreekt totaal niet over vooraf genomen, onveranderlijke besluiten van God in de eeuwigheid. Steeds weer zijn deze hoofdstukken van Paulus voor alle mogelijke dogmatische doeleinden misbruikt en ging men voorbij aan de diepste intentie van de woorden van de apostel. Zijn betoogtrant is weliswaar gecompliceerd maar de hoofdlijn van zijn redenering is helder en duidelijk. Zijn uitvoerige uiteenzetting is één grote worsteling om betekenis te ontdekken in de voortgang van de geschiedenis van Israël. Het uitgangspunt van Paulus is en blijft, dat Gods trouw onveranderlijk is en dat het verbond met Israël van Gods kant niet is opgeheven. Want, zo zegt hij, "de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk" (Rom.11: 29). Wat die genadegaven inhouden, heeft hij aan het begin van zijn betoog over Israël al opgesomd: "Zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus. God is boven alles te prijzen tot in eeuwigheid!" (Rom.9: 4-5). Dat uitgangspunt houdt hij vast.

VERZOENING

In Romeinen 11 brengt Paulus de verzoening van de wereld in verband met de positie van Israël. Het woord `verzoening' komt overigens betrekkelijk weinig in zijn brieven voor. Vanuit alle kerkelijke en theologische ruzies over de verzoening zou je anders veronderstellen. Met twee passages in Romeinen 5 en 2 Korintiërs 5 heb je vrijwel alles wel gehad. Toch is de verzoening een basisbegrip bij Paulus en een belangrijke vooronderstelling van zijn denken. Eén tekst over de verzoening komt vrijwel nooit in de kerkelijke diskussies ter sprake. Dat is Romeinen 11: 15. Daar wordt een samenhang aangewezen tussen de positie van Israël en de verzoening van de wereld. Daar staat - ik parafraseer, om maar meteen een paar exegetische knopen door te hakken - : Als nu al de weigering van het joodse volk jegens de messias de verzoening van de wereld teweeg brengt, dan kan het toch niet anders zijn dan dat hun uiteindelijke ontmoeting met de messias de wederopstanding uit de doden voor heel de wereld zal betekenen? Voor Paulus hangt de gang van het woord van de verzoening door de wereld op wonderlijke wijze samen met het joodse nee jegens de messianiteit van Jezus. Paulus heeft als grensganger tussen Israël en de volken een bijzonder verband ontdekt: Het nee van het joodse volk jegens Jezus als messias wordt door God dienstbaar gemaakt aan de verzoening van de wereld. Door dit nee kan het heil van de God van Israël doorbreken naar de volken.

Verzoening is met name dat goddeloze heidenen worden geroepen door het evangelie van Jezus Christus om betrokken te worden bij de geschiedenis van Gods verbond. Paulus ziet het in zijn eigen bediening onder de volken gebeuren. Gods gerechtigheid, dat is Gods verbondswil tot gemeenschap, is zichtbaar geworden in het leven, het sterven en de opwekking van Jezus. Door het vertrouwen van Jezus is er een weg geopend voor allen om tot de God van Israël te komen. Gods wil tot gemeenschap met alle volken, zelfs met heel de kosmos, is openbaar geworden "door het geloof in Jezus Christus" (Rom.3: 22), zegt onze vertaling. "Door het vertrouwen van Jezus Christus" kan er evengoed vertaald worden. Goddeloze heidenen worden verzoend met God, wanneer zij zich achter Jezus aan toevertrouwen aan de liefde van God. In heel de weg van Jezus, die uitliep op kruis en opwekking, kunnen mensen uit de volken zien, dat Gods gerechtigheid het uiteindelijk zal winnen. Gods gerechtigheid is zijn uitgesproken wil om heel de mensenwereld en heel de kosmos in zijn liefde en ontferming te omvatten. Jezus heeft dat laten zien. Hij heeft dat voorgeleefd door zijn volkomen vertrouwen op God. Hij is tot het uiterste gegaan. Hij bleef vasthouden aan de verwachting van de komst van het Koninkrijk van God. Zijn weg eindigde op het kruis. Op die weg heeft God amen gezegd door Hem op te wekken uit de doden.

De apostel heeft een zeker doorzicht gekregen in de verwarring van de geschiedenis. De weigering van Israël om Jezus als messias te aanvaarden heeft niet tot gevolg dat God zijn volk verwerpt. Maar die weigering heeft te maken met de positie van de volken: "Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen" (Rom.11: 11). Israëls actieve daad van verwerping, niet van God, niet van het verbond, niet van de Tora, maar wel van het evangelie van de Messias, maakt de verzoening van de wereld pas goed mogelijk (Rom.11: 15). Voor Paulus is dit een duizelingwekkend perspectief. Hij barst aan het eind van zijn betoog dan ook uit in een lofzang: "O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!" (Rom.11: 33). Dat wat met Israël gebeurt, dat is allemaal `om uwentwil' schrijft hij aan het adres van de heiden-christenen. Jullie staan er niet buiten. De hele gang van zaken heeft juist alles met jullie te maken. Wanneer Israël zich afkeert van het goede nieuws van de Messias en er zelfs vijandig tegenover staat, dan is dat om jullie de ruimte te geven. Dan is dat om de volken de gelegenheid te geven om binnen te stromen in Sion. Vanuit zijn eigen zendingswerk in alle uithoeken van de wereld ziet Paulus een weids perspectief. Er is een golfbeweging van heil op gang gekomen door de Geest over heel de wereld. Het is allemaal begonnen bij Abraham en bij Israël. In zijn naam zullen immers alle volken van de aarde gezegend worden. Voor Paulus is dat niet louter toekomst meer, maar hij ziet het voor zijn ogen gebeuren. Hij bleef niet rustig afwachten, totdat alles zou gaan gebeuren. Hij nam zelf min of meer het heft in handen. Hij wist zich een medewerker in de volvoering van Gods plannen. Met zijn inspanningen voor de collecte voor de moedergemeente in Jeruzalem greep hij alvast vooruit op wat komen ging. Dat was maar niet een toevallig liefdadig doel voor een verarmde gemeente. Het eerste werelddiakonaat was volledig gericht op Jeruzalem. Die collecte paste helemaal in Paulus' denken en doen. Overal maande hij zijn heiden-christelijke gemeenten om wat apart te leggen voor de armen in Jeruzalem. Hij zag dat als hun heilige plicht. Zij hadden immers deelgekregen aan de geestelijke goederen van Jeruzalem. Wat was er nu voor de hand liggender dan dat zij met hun materiële goederen Jeruzalem te hulp kwamen (Rom.15: 27). Paulus dacht niet in eeuwen maar hij hoopte in zijn eigen tijd Gods ontferming over gans Israël te mogen zien. Het is anders gelopen. Paulus werd gevangen genomen en kwam in Rome terecht. De golfbeweging van het heil naar de heidenen toe zou heel wat meer tijd vergen.

ALLES IN ALLEN

Vele malen zal Paulus als jood de geloofsbelijdenis van Israël hebben uitgesproken: "Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!" (Deut.6: 4). Nooit heeft hij deze belijdenis verloochend. Hij is niet tot een ander geloof of een andere godsdienst overgegaan. Hij is niet de stichter geworden van het christendom als een los van het jodendom staande religie. Paulus geloofde in de éne God, de God van Israël, die zijn volk had bevrijd uit Egypte, de God die het gekerm van de ellendigen hoort en zich inlaat met zijn wereld. Zijn bijzondere ontmoeting op de weg naar Damascus heeft zijn geloof in de éne God van Israël niet doen ophouden maar eerder verdiept. Jezus is voor hem niet in de plaats gekomen van God. Een vorm van christendom, waarbij alles in liederen en gebeden lijkt te gaan om Jezus, zou voor Paulus onbegrijpelijk geweest zijn. Voor de jood Paulus was het onmogelijk, dat God door Jezus op de achtergrond zou raken. Hoezeer hij ook gegrepen is door Jezus Christus, hoeveel hij ook over Jezus schrijft, God blijft bij hem in het centrum staan. Als hij de Korintiërs op het hart drukt: Ik had niet besloten iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd" (1 Kor.2: 2), is dat een uiterst  toegespitste boodschap in de situatie van de Korintische gemeente. In dezelfde brief schrijft hij ook: "Voor ons is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn" (1 Kor.8: 6). Uitdrukkelijk vermeldt hij bij de christelijke belijdenis bij uitstek `Jezus Christus de Heer', dat deze uitgesproken wordt "tot eer van God de Vader" (Fil.2: 11). En het einddoel van heel de geschiedenis is voor Paulus het uitzicht, dat "God alles in allen" zal zijn (1 Kor.15: 28). Hij denkt theocentrisch. Paulus is door de ontmoeting met Jezus geen andere God gaan dienen dan de God die hij al kende als de God van Israël. Ook het christelijk geloof aan het einde van de 20e eeuw belijdt geen andere God. Joden en christenen hebben een gemeenschappelijke overtuiging: God staat voor hen in het centrum, de éne God die de wereld en de geschiedenis leidt en tot voltooiing brengt. Ondanks alle blijken van het tegendeel blijven zij geloven, dat heel de geschiedenis zal uitlopen op de triomf van God. Uiteindelijk zal God de Heer blijken te zijn over de hele kosmos, als zijn Rijk in volle glorie aanbreekt. Dan zal God alles in allen zijn. Naar die dag zien joden en christenen uit. Dat heimwee verenigt hen en is de basis voor hun samenwerking. 

Midden in de tijd zijn de wegen van joden en christenen echter uiteengegaan. Dat heeft Paulus ongetwijfeld niet gewild, maar zijn boodschap heeft wel die uitwerking gehad. De kern van die boodschap is, dat de triomf van God in het heden reeds beslissend is ingeluid door de opwekking van de gekruisigde. Er is een `reeds' van de triomf van God in de wereld, verborgen voor wie het niet ziet maar onmiskenbaar voor wie het gelooft. Door de opwekking van Jezus heeft God de weg van deze éne jood, van deze geliefde zoon uit Israël bevestigd. Door Gods daad is aan de dag getreden, dat de weg van Jezus niet is doodgelopen aan een Romeins kruis. God zelf heeft amen gezegd op de weg die de gekruisigde is gegaan. Voor christelijk besef heeft God zich totaal en onherroepelijk vereenzelvigd met deze uitgestotene en armzalige gekruisigde. 

Joden en christenen worden gescheiden door datgene wat het hart is van de overtuiging van Paulus: de triomf van God is definitief ingeluid met de opwekking van Jezus. Met die belijdenis is de kerk hoogmoedig aan de haal gegaan. We deden alsof wijzelf eigenlijk al verlost waren. Alles was immers al op Golgotha volbracht? We pantserden ons tegen het geweld, de honger en de dood. En hoewel de werkelijkheid van alledag volstrekt in strijd was met onze geloofsovertuiging, bleven we krampachtig volhouden. Soms gebruikten we nietsontziend geweld om anderen onze mening op te leggen. Soms zeiden we: de verlossing is nog niet te zien, maar het zit diep in je hart; daar kunnen anderen niet aan komen. Of we wezen op het mysterie van het sacrament, waarin je het heil als een soort verzekering ontving. Heel wat ontsnappingsformules hebben christenen bedacht om niet de confrontatie te hoeven aangaan met de overduidelijk onverloste wereld. Maar na Auschwitz en Hirosjima, na Goelag Archipel en Cambodja is die weg voorgoed afgesneden. Een zelfgenoegzaam christendom, dat zich opsluit in eigen verloste gelukzaligheid, is een vloek voor de wereld.
 
Het is een waagstuk om achter Jezus aan op weg te gaan naar het Rijk van God. De christelijke gemeente heeft Gods liefde met name gezien in het gelaat van Jezus. Daarom bidden we tot God `in de naam van Jezus'. Want Hij heeft ons `onze Vader' leren bidden. In vele christelijke liederen en gebedsteksten wordt regelrecht gebeden tot Jezus. Het gevaar is daarbij groot dat Jezus helemaal de plaats gaat innemen van God. De hoofdlijn in de christelijke traditie is altijd geweest te bidden tot God `in de naam van Jezus' of `door Jezus Christus'. Het is goed om ook in onze gebedsvormen dichtbij de bijbel te blijven. Paulus zag uit naar de triomf van God die zichtbaar was geworden in de eersteling uit de doden. Voor Paulus is Jezus niet deel gaan uitmaken van de Godheid. De formule van de drie-eenheid, zoals wij die kennen uit latere eeuwen, was voor hem uiteraard nog onbekend. Formuleringen uit de vierde eeuw en vijfde eeuw, zoals die over de wezenseenheid van Jezus met de Vader, zouden voor hem onbegrijpelijke klanken geweest zijn. Dat betekent helemaal niet, dat wij het geloof zoals dat in vroeger tijd onder woorden is gebracht met de formule van de `drie-eenheid', in onze tijd zouden moeten opgeven. Maar de formule is ook niet heilig en onaantastbaar. De aanduiding is zelfs voor vele gelovigen van vandaag eerder een hindernis dan een hulp. Het blijkt riskant te zijn om ons in ons spreken over God te ver van de bijbelse taal te verwijderen. Wij kunnen daardoor ook de kloof tussen jodendom en christendom heel wat breder maken dan die oorspronkelijk was. Hoe vaak hebben christenen niet tegenover joden de indruk gevestigd in drie goden te geloven? Paulus geloofde als jood onherroepelijk in de eenheid van God. Die God is niet statisch maar dynamisch. Hij buigt zich diep neer naar zijn volk en zijn wereld. Hij is in een dynamisch proces betrokken, dat gericht is op de komst van zijn Rijk. In de opwekking van Jezus en in de komst van de Geest is dat proces in een stroomversnelling geraakt. Via Jezus Christus en via de Geest zijn wij mensen uit de volken met de God van Israël en zijn heil in contact gekomen. God is telkens weer onverwachts nieuw, een God van beweging en verandering. Maar in dat alles blijft Hij steeds Dezelfde in zijn liefde en zijn trouw. God is nog lang niet wat Hij worden wil en zijn zal: God alles in allen. Dat proces is nog niet ten einde. De weg van Gods komen in de geschiedenis is nog niet tot voltooiing gebracht. We zien nog hunkerend naar de dag, dat Hij eindelijk alles in allen zal zijn. 

Paulus formuleert met behulp van joods-apokalyptische taal voor ons ongebruikelijke en gewaagde gedachten in 1 Korintiërs 15: 27-28. Heel het gebeuren met en rond Jezus Christus beschrijft hij daar als een soort intermezzo. Tenslotte zal Jezus de koningsheerschappij overdragen aan God de Vader. De unieke Zoon zal terugtreden in de rij van de andere zonen en dochters. Er komt een einde aan zijn Heer-zijn, als Hij alle macht overgeeft aan God. Heel de geschiedenis loopt dan uit op de triomf van God. Deze woorden van Paulus zijn niet gemakkelijk in overeenstemming te brengen met latere orthodox-christelijke opvattingen. De apostel laat in deze woorden zien, dat hij als grensganger tussen Israël en de volken jood gebleven is en helemaal gestempeld is door de joodse hoop. Paulus bedoelt niet, dat Jezus voorgoed verdwijnt achter de horizon. God zal nooit meer achter Jezus teruggaan. Hij zal heersen op de wijze van Jezus. Maar de Zoon zal zich onderwerpen aan de Vader, die Jezus de naam boven alle naam geschonken en alles aan Hem onderworpen heeft. Het zal volkomen duidelijk worden, dat het messiaanse Rijk van Jezus niets anders beoogde dan het uiteindelijke Rijk van God. In de hoop op dat Rijk zijn joden en christenen verenigd. Over de weg waarlangs dat Rijk bereikt wordt, verschillen ze van mening. Maar ze kunnen met het oog op dat Rijk hun krachten bundelen door in de wereld Gods Naam te heiligen.